Rechtspraak
Raad van State
2026-04-22
ECLI:NL:RVS:2026:2330
Bestuursrecht
Verzet
7,984 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2330 text/xml public 2026-04-29T10:31:48 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-22 202502316/7/R4 Uitspraak Verzet NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2330 text/html public 2026-04-22T14:16:46 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2330 Raad van State , 22-04-2026 / 202502316/7/R4 Bij uitspraak van 13 november 2025, in zaak nr. 202502316/6/R4, heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling het beroep van de coöperatie tegen het besluit van 20 februari 2025 van de minister van Defensie en de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening tot vaststelling van het inpassingsplan "Radar Herwijnen" ongegrond verklaard. Een beroep kan alleen zonder zitting ongegrond worden verklaard als dat ‘kennelijk’ het geval is (artikel 8:54 van de Awb). Die term ‘kennelijk’ betekent dat er geen twijfel mogelijk is over de uitkomst van het beroep. Als tegen zo’n ‘kennelijk’-uitspraak verzet wordt ingesteld, moet de rechter die op dat verzet beslist beoordelen: (a) of terecht is geoordeeld dat het beroep ongegrond is en (b) of daar geen twijfel over mogelijk is. Daarbij neemt de rechter alle argumenten van de indiener mee die te maken hebben met de redenen waarom het beroep ongegrond is. Dat kunnen ook nieuwe feiten of nieuwe argumenten zijn die daar over gaan. In haar uitspraak van 13 november 2025 heeft de Afdeling geoordeeld dat de coöperatie geen belanghebbende is bij de vaststelling van het inpassingsplan. Omdat zij een zienswijze heeft ingediend, kan zij wel beroep instellen tegen het inpassingsplan. 202502316/7/R4. Datum uitspraak: 22 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het verzet (artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) van: [opposante] (de coöperatie), gevestigd in Rotterdam, opposante, tegen de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2025 in zaak nr. 202502316/6/R4. Procesverloop Bij uitspraak van 13 november 2025, in zaak nr. 202502316/6/R4, heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling het beroep van de coöperatie tegen het besluit van 20 februari 2025 van de minister van Defensie en de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening tot vaststelling van het inpassingsplan "Radar Herwijnen" ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de coöperatie verzet ingesteld. De Afdeling heeft het verzet op een zitting behandeld op 26 maart 2026, waar de coöperatie, vertegenwoordigd door mr. J. Bax, is verschenen. Overwegingen 1. Een beroep kan alleen zonder zitting ongegrond worden verklaard als dat ‘kennelijk’ het geval is (artikel 8:54 van de Awb). Die term ‘kennelijk’ betekent dat er geen twijfel mogelijk is over de uitkomst van het beroep. Als tegen zo’n ‘kennelijk’-uitspraak verzet wordt ingesteld, moet de rechter die op dat verzet beslist beoordelen: (a) of terecht is geoordeeld dat het beroep ongegrond is en (b) of daar geen twijfel over mogelijk is. Daarbij neemt de rechter alle argumenten van de indiener mee die te maken hebben met de redenen waarom het beroep ongegrond is. Dat kunnen ook nieuwe feiten of nieuwe argumenten zijn die daar over gaan. 2. In haar uitspraak van 13 november 2025 heeft de Afdeling geoordeeld dat de coöperatie geen belanghebbende is bij de vaststelling van het inpassingsplan. Omdat zij een zienswijze heeft ingediend, kan zij wel beroep instellen tegen het inpassingsplan. De coöperatie heeft geen gronden aangevoerd die gaan over de inspraakprocedure. Over de wel aangevoerde gronden heeft de Afdeling geoordeeld dat deze niet tot vernietiging kunnen leiden, gelet op artikel 8:69a van de Awb. Wettelijk kader 3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt onderdeel uit van de uitspraak. Het recht op een eerlijk proces 4. De coöperatie betoogt dat het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is geschonden door de vereenvoudigde afdoening van haar beroep. 4.1. Artikel 6 van het EVRM bevat minimumnormen voor een eerlijke procesvoering, maar deze normen zijn niet absoluut. De nationale wetgever mag met het oog op een goede procesorde of ter bescherming van het publieke belang of van de belangen van derden, bepaalde procedurevoorschriften en beperkingen stellen, mits het eerlijke karakter van de procesvoering daarmee niet in zijn essentie wordt aangetast. Artikel 8:54, eerste lid, van de Awb houdt een beperking in van het recht te worden gehoord. Artikel 8:55 van de Awb biedt de mogelijkheid van verzet tegen een uitspraak die met toepassing van artikel 8:54 is gedaan, waarbij de indiener van het verzetschrift kan vragen om te worden gehoord. Van deze mogelijkheid heeft de coöperatie gebruik gemaakt. De beperking van het recht te worden gehoord, is op deze wijze met zodanige waarborgen omkleed dat het recht op een eerlijke procesvoering niet in zijn essentie wordt aangetast. Vergelijk de uitspraak van 19 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2021:78, onder 3.1. Het betoog slaagt niet. Belanghebbende 5. De coöperatie betoogt dat de Afdeling ten onrechte heeft overwogen dat zij geen belanghebbende is. Zij stelt dat zij wordt geraakt in haar belangen. Uit haar statutaire doelstellingen zou blijken dat zij opkomt voor de milieubescherming in Nederland. Bovendien heeft de radar in Herwijnen zo’n groot bereik, dat er ook milieugevolgen zijn in Rotterdam, de vestigingsplaats van de coöperatie. 5.1. Het belang dat de coöperatie zich blijkens artikel 2, aanhef, van haar statuten ten doel stelt te behartigen, is: "het voorzien in de stoffelijke belangen van haar leden krachtens overeenkomsten met hen gesloten in het bedrijf dat zij te dieneinde ten behoeve van de leden uitoefent of doet uitoefenen." Blijkens de onderdelen a tot en met d van artikel 2 doet de coöperatie dit onder meer door: "a. het openbreken, innoveren en bedienen van de markt en het bevorderen en (doen) creëren van optimale en betere dienstverlening en producten, in het bijzonder, doch niet uitsluitend op het gebied van juridische dienstverlening en/of juridische hulpverlenging, een en ander in de breedste zin van het woord; b. het deelnemen in, het voeren van beheer over en het verlenen van diensten aan andere ondernemingen, instellingen, overheidsinstellingen en natuurlijke personen; c. indienen van een handhavingsverzoek, het maken van bezwaar, klachtschrift, indienen van zienswijze of het instellen van beroep, hoger beroep en cassatie naar aanleiding van bestuursrechtelijke besluiten of beschikkingen en/of civielrechtelijke rechtshandelingen en/of strafrechtelijke rechtshandelingen, die directe of indirecte invloed hebben op verblijfsobjecten en/of de woon- dan verblijfsomgeving of ruimtelijke indeling en/ of ruimtelijke ordening in het land Nederland, al of niet gerelateerd aan het omgevingsrecht, alles in de meeste ruime zin; d. streven naar natuurbehoud, landschapsbescherming en milieuzorg in het land Nederland, alles in de meest ruime zin." 5.2. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. 5.3. Uit de aanhef van artikel 2 van haar statuten blijkt dat de coöperatie tot doel heeft om, geparafraseerd, in het belang van haar leden een bedrijf uit te oefenen. Het bedrijf dat de coöperatie uitoefent is een juridisch bedrijf in Rotterdam. Het voeren van omgevingsrechtelijke procedures en het streven naar natuurbehoud, landschapsbescherming en milieuzorg worden weliswaar in artikel 2 van de statuten genoemd, maar zijn slechts middelen waarmee de coöperatie het doel, het uitoefenen van een juridisch bedrijf, probeert te bereiken.
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2330 text/xml public 2026-04-29T10:31:48 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-22 202502316/7/R4 Uitspraak Verzet NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2330 text/html public 2026-04-22T14:16:46 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2330 Raad van State , 22-04-2026 / 202502316/7/R4 Bij uitspraak van 13 november 2025, in zaak nr. 202502316/6/R4, heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling het beroep van de coöperatie tegen het besluit van 20 februari 2025 van de minister van Defensie en de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening tot vaststelling van het inpassingsplan "Radar Herwijnen" ongegrond verklaard. Een beroep kan alleen zonder zitting ongegrond worden verklaard als dat ‘kennelijk’ het geval is (artikel 8:54 van de Awb). Die term ‘kennelijk’ betekent dat er geen twijfel mogelijk is over de uitkomst van het beroep. Als tegen zo’n ‘kennelijk’-uitspraak verzet wordt ingesteld, moet de rechter die op dat verzet beslist beoordelen: (a) of terecht is geoordeeld dat het beroep ongegrond is en (b) of daar geen twijfel over mogelijk is. Daarbij neemt de rechter alle argumenten van de indiener mee die te maken hebben met de redenen waarom het beroep ongegrond is. Dat kunnen ook nieuwe feiten of nieuwe argumenten zijn die daar over gaan. In haar uitspraak van 13 november 2025 heeft de Afdeling geoordeeld dat de coöperatie geen belanghebbende is bij de vaststelling van het inpassingsplan. Omdat zij een zienswijze heeft ingediend, kan zij wel beroep instellen tegen het inpassingsplan. 202502316/7/R4. Datum uitspraak: 22 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het verzet (artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) van: [opposante] (de coöperatie), gevestigd in Rotterdam, opposante, tegen de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2025 in zaak nr. 202502316/6/R4. Procesverloop Bij uitspraak van 13 november 2025, in zaak nr. 202502316/6/R4, heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling het beroep van de coöperatie tegen het besluit van 20 februari 2025 van de minister van Defensie en de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening tot vaststelling van het inpassingsplan "Radar Herwijnen" ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de coöperatie verzet ingesteld. De Afdeling heeft het verzet op een zitting behandeld op 26 maart 2026, waar de coöperatie, vertegenwoordigd door mr. J. Bax, is verschenen. Overwegingen 1. Een beroep kan alleen zonder zitting ongegrond worden verklaard als dat ‘kennelijk’ het geval is (artikel 8:54 van de Awb). Die term ‘kennelijk’ betekent dat er geen twijfel mogelijk is over de uitkomst van het beroep. Als tegen zo’n ‘kennelijk’-uitspraak verzet wordt ingesteld, moet de rechter die op dat verzet beslist beoordelen: (a) of terecht is geoordeeld dat het beroep ongegrond is en (b) of daar geen twijfel over mogelijk is. Daarbij neemt de rechter alle argumenten van de indiener mee die te maken hebben met de redenen waarom het beroep ongegrond is. Dat kunnen ook nieuwe feiten of nieuwe argumenten zijn die daar over gaan. 2. In haar uitspraak van 13 november 2025 heeft de Afdeling geoordeeld dat de coöperatie geen belanghebbende is bij de vaststelling van het inpassingsplan. Omdat zij een zienswijze heeft ingediend, kan zij wel beroep instellen tegen het inpassingsplan. De coöperatie heeft geen gronden aangevoerd die gaan over de inspraakprocedure. Over de wel aangevoerde gronden heeft de Afdeling geoordeeld dat deze niet tot vernietiging kunnen leiden, gelet op artikel 8:69a van de Awb. Wettelijk kader 3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt onderdeel uit van de uitspraak. Het recht op een eerlijk proces 4. De coöperatie betoogt dat het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is geschonden door de vereenvoudigde afdoening van haar beroep. 4.1. Artikel 6 van het EVRM bevat minimumnormen voor een eerlijke procesvoering, maar deze normen zijn niet absoluut. De nationale wetgever mag met het oog op een goede procesorde of ter bescherming van het publieke belang of van de belangen van derden, bepaalde procedurevoorschriften en beperkingen stellen, mits het eerlijke karakter van de procesvoering daarmee niet in zijn essentie wordt aangetast. Artikel 8:54, eerste lid, van de Awb houdt een beperking in van het recht te worden gehoord. Artikel 8:55 van de Awb biedt de mogelijkheid van verzet tegen een uitspraak die met toepassing van artikel 8:54 is gedaan, waarbij de indiener van het verzetschrift kan vragen om te worden gehoord. Van deze mogelijkheid heeft de coöperatie gebruik gemaakt. De beperking van het recht te worden gehoord, is op deze wijze met zodanige waarborgen omkleed dat het recht op een eerlijke procesvoering niet in zijn essentie wordt aangetast. Vergelijk de uitspraak van 19 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2021:78, onder 3.1. Het betoog slaagt niet. Belanghebbende 5. De coöperatie betoogt dat de Afdeling ten onrechte heeft overwogen dat zij geen belanghebbende is. Zij stelt dat zij wordt geraakt in haar belangen. Uit haar statutaire doelstellingen zou blijken dat zij opkomt voor de milieubescherming in Nederland. Bovendien heeft de radar in Herwijnen zo’n groot bereik, dat er ook milieugevolgen zijn in Rotterdam, de vestigingsplaats van de coöperatie. 5.1. Het belang dat de coöperatie zich blijkens artikel 2, aanhef, van haar statuten ten doel stelt te behartigen, is: "het voorzien in de stoffelijke belangen van haar leden krachtens overeenkomsten met hen gesloten in het bedrijf dat zij te dieneinde ten behoeve van de leden uitoefent of doet uitoefenen." Blijkens de onderdelen a tot en met d van artikel 2 doet de coöperatie dit onder meer door: "a. het openbreken, innoveren en bedienen van de markt en het bevorderen en (doen) creëren van optimale en betere dienstverlening en producten, in het bijzonder, doch niet uitsluitend op het gebied van juridische dienstverlening en/of juridische hulpverlenging, een en ander in de breedste zin van het woord; b. het deelnemen in, het voeren van beheer over en het verlenen van diensten aan andere ondernemingen, instellingen, overheidsinstellingen en natuurlijke personen; c. indienen van een handhavingsverzoek, het maken van bezwaar, klachtschrift, indienen van zienswijze of het instellen van beroep, hoger beroep en cassatie naar aanleiding van bestuursrechtelijke besluiten of beschikkingen en/of civielrechtelijke rechtshandelingen en/of strafrechtelijke rechtshandelingen, die directe of indirecte invloed hebben op verblijfsobjecten en/of de woon- dan verblijfsomgeving of ruimtelijke indeling en/ of ruimtelijke ordening in het land Nederland, al of niet gerelateerd aan het omgevingsrecht, alles in de meeste ruime zin; d. streven naar natuurbehoud, landschapsbescherming en milieuzorg in het land Nederland, alles in de meest ruime zin." 5.2. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. 5.3. Uit de aanhef van artikel 2 van haar statuten blijkt dat de coöperatie tot doel heeft om, geparafraseerd, in het belang van haar leden een bedrijf uit te oefenen. Het bedrijf dat de coöperatie uitoefent is een juridisch bedrijf in Rotterdam. Het voeren van omgevingsrechtelijke procedures en het streven naar natuurbehoud, landschapsbescherming en milieuzorg worden weliswaar in artikel 2 van de statuten genoemd, maar zijn slechts middelen waarmee de coöperatie het doel, het uitoefenen van een juridisch bedrijf, probeert te bereiken.
Volledig
In de uitoefening van het juridisch bedrijf kan de coöperatie zich dus namens cliënten van dat bedrijf inzetten voor milieubescherming. Gelet op haar statutaire doelstellingen behartigt zij zelf echter geen algemeen belang, als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb. De coöperatie is daarom in zoverre geen belanghebbende. Het betoog slaagt in zoverre niet. 5.4. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de Afdeling naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. 5.5. Alleen al gelet op de afstand van 40 km tussen de radar in Herwijnen en de vestigingsplaats van de coöperatie, zijn er geen gevolgen van enige betekenis. Dat de radar een bereik van 200 km zal hebben, maakt niet dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon binnen dat bereik gevolgen van enige betekenis zal ondervinden. De coöperatie wordt daarom ook niet geraakt in haar eigen belangen en is ook in zoverre geen belanghebbende. Het betoog slaagt ook in dit opzicht niet. Het Verdrag van Aarhus 6. De coöperatie betoogt dat het tegenwerpen van het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Awb in strijd is met artikel 9 van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (het Verdrag van Aarhus). Volgens de coöperatie kan het relativiteitsvereiste niet worden tegengeworpen omdat zij een rechtspersoon is die zich inzet voor milieubescherming. 6.1. Zoals onder 5.3 is overwogen blijkt uit de statuten van de coöperatie niet dat zij zelf een algemeen belang of collectieve belangen gericht op milieubescherming behartigt. Gelet hierop was er in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 9 van het Verdrag van Aarhus zich in dit geval verzet tegen het tegenwerpen van het relativiteitsvereiste. Het betoog slaagt niet. Unierecht 7. De coöperatie betoogt dat artikel 1:2 en artikel 8:69a van de Awb in strijd zijn met het Unierecht. Het besluit van 20 februari 2025 is volgens de coöperatie in strijd met de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en de Overeenkomst inzake de bescherming van vleermuizen in Europa (Eurobats). Door de toepassing van artikel 1:2 en 8:69a van de Awb heeft de Afdeling de effectiviteit van het EU-recht ondermijnd, aldus de coöperatie. Daarom had de Afdeling haar moeten aanmerken als belanghebbende en had de Afdeling haar het relativiteitsvereiste niet mogen tegenwerpen. 7.1. De Afdeling heeft weliswaar overwogen dat de coöperatie geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb, maar zij heeft het beroep van de coöperatie niet niet-ontvankelijk verklaard. Omdat artikel 1:2 van de Awb niet in de weg heeft gestaan aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep, kan in zoverre van strijdigheid met het Unierecht geen sprake zijn. Eurobats is geen Unierecht, omdat de Europese Unie geen partij is bij dit verdrag. Daarom kan de toepassing van artikel 8:69a van de Awb in zoverre niet in strijd zijn met het Unierecht. Voor zover de coöperatie nog heeft willen betogen dat artikel 8:69a van de Awb op grond van artikel 94 van de Grondwet buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met Eurobats, overweegt de Afdeling dat de coöperatie niet concreet heeft onderbouwd op basis van welke een ieder verbindende bepalingen uit Eurobats artikel 8:69a van de Awb buiten toepassing moet worden gelaten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, wordt met de toepassing van artikel 8:69a van de Awb voldaan aan de eisen die het Unierecht volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie stelt aan de toepassing van het nationale procesrecht. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar overzichtsuitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 5.3. In diezelfde uitspraak, onder 5.4, heeft de Afdeling overwogen dat de toepassing van artikel 8:69a van de Awb ook niet in strijd is met de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid uit de rechtspraak van het Hof van Justitie, als de appellant niet onder de personele beschermingsomvang van de richtlijn in kwestie valt. Gelet op de inhoud en de doelstellingen van de Habitat- en de Vogelrichtlijn, hebben die richtlijnen, kort gezegd, de natuurbescherming dan wel de vogelbescherming als beschermingsdoel. Zoals onder 5.3 is overwogen, is de coöperatie geen organisatie die zich inzet voor een algemeen belang, zoals natuur- of vogelbescherming. Daarom valt zij niet onder de personele beschermingsomvang van de Habitat- en de Vogelrichtlijn. De toepassing van artikel 8:69a van de Awb is ook in zoverre dus niet in strijd met het Unierecht. Het betoog slaagt niet. Conclusie 8. Wat de coöperatie in verzet aanvoert, biedt geen grond voor twijfel aan de juistheid van de uitkomst van de uitspraak van 13 november 2025 en leidt niet tot de conclusie dat zij voorafgaand aan die uitspraak door de Afdeling had moeten worden gehoord. 9. Het verzet is ongegrond. 10. De proceskosten hoeven niet te worden vergoed. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het verzet ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van den Brink, griffier. w.g. Kaajan lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van den Brink griffier Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026 1069-418 BIJLAGE Wettelijk kader Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden Artikel 2 Voor de toepassing van dit Verdrag, […] 5. Wordt onder „het betrokken publiek" verstaan het publiek dat gevolgen ondervindt, of waarschijnlijk ondervindt van, of belanghebbende is bij, milieubesluitvorming; voor de toepassing van deze omschrijving worden niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming en voldoen aan de eisen van nationaal recht geacht belanghebbende te zijn. Artikel 9 […] 2. Elke Partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat leden van het betrokken publiek a. die een voldoende belang hebben dan wel b. stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een Partij dit als voorwaarde stelt, toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen van artikel 6 en, wanneer het nationale recht hierin voorziet en onverminderd het navolgende derde lid, andere relevante bepalingen van dit Verdrag. Wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt wordt vastgesteld in overeenstemming met de eisen van nationaal recht en strokend met het doel aan het betrokken publiek binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag ruim toegang tot de rechter te verschaffen. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de in artikel 2, vijfde lid, gestelde eisen voldoende geacht in de zin van het voorgaande onderdeel a. Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande onderdeel b.
Volledig
In de uitoefening van het juridisch bedrijf kan de coöperatie zich dus namens cliënten van dat bedrijf inzetten voor milieubescherming. Gelet op haar statutaire doelstellingen behartigt zij zelf echter geen algemeen belang, als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb. De coöperatie is daarom in zoverre geen belanghebbende. Het betoog slaagt in zoverre niet. 5.4. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de Afdeling naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. 5.5. Alleen al gelet op de afstand van 40 km tussen de radar in Herwijnen en de vestigingsplaats van de coöperatie, zijn er geen gevolgen van enige betekenis. Dat de radar een bereik van 200 km zal hebben, maakt niet dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon binnen dat bereik gevolgen van enige betekenis zal ondervinden. De coöperatie wordt daarom ook niet geraakt in haar eigen belangen en is ook in zoverre geen belanghebbende. Het betoog slaagt ook in dit opzicht niet. Het Verdrag van Aarhus 6. De coöperatie betoogt dat het tegenwerpen van het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Awb in strijd is met artikel 9 van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (het Verdrag van Aarhus). Volgens de coöperatie kan het relativiteitsvereiste niet worden tegengeworpen omdat zij een rechtspersoon is die zich inzet voor milieubescherming. 6.1. Zoals onder 5.3 is overwogen blijkt uit de statuten van de coöperatie niet dat zij zelf een algemeen belang of collectieve belangen gericht op milieubescherming behartigt. Gelet hierop was er in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 9 van het Verdrag van Aarhus zich in dit geval verzet tegen het tegenwerpen van het relativiteitsvereiste. Het betoog slaagt niet. Unierecht 7. De coöperatie betoogt dat artikel 1:2 en artikel 8:69a van de Awb in strijd zijn met het Unierecht. Het besluit van 20 februari 2025 is volgens de coöperatie in strijd met de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en de Overeenkomst inzake de bescherming van vleermuizen in Europa (Eurobats). Door de toepassing van artikel 1:2 en 8:69a van de Awb heeft de Afdeling de effectiviteit van het EU-recht ondermijnd, aldus de coöperatie. Daarom had de Afdeling haar moeten aanmerken als belanghebbende en had de Afdeling haar het relativiteitsvereiste niet mogen tegenwerpen. 7.1. De Afdeling heeft weliswaar overwogen dat de coöperatie geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb, maar zij heeft het beroep van de coöperatie niet niet-ontvankelijk verklaard. Omdat artikel 1:2 van de Awb niet in de weg heeft gestaan aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep, kan in zoverre van strijdigheid met het Unierecht geen sprake zijn. Eurobats is geen Unierecht, omdat de Europese Unie geen partij is bij dit verdrag. Daarom kan de toepassing van artikel 8:69a van de Awb in zoverre niet in strijd zijn met het Unierecht. Voor zover de coöperatie nog heeft willen betogen dat artikel 8:69a van de Awb op grond van artikel 94 van de Grondwet buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met Eurobats, overweegt de Afdeling dat de coöperatie niet concreet heeft onderbouwd op basis van welke een ieder verbindende bepalingen uit Eurobats artikel 8:69a van de Awb buiten toepassing moet worden gelaten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, wordt met de toepassing van artikel 8:69a van de Awb voldaan aan de eisen die het Unierecht volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie stelt aan de toepassing van het nationale procesrecht. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar overzichtsuitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 5.3. In diezelfde uitspraak, onder 5.4, heeft de Afdeling overwogen dat de toepassing van artikel 8:69a van de Awb ook niet in strijd is met de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid uit de rechtspraak van het Hof van Justitie, als de appellant niet onder de personele beschermingsomvang van de richtlijn in kwestie valt. Gelet op de inhoud en de doelstellingen van de Habitat- en de Vogelrichtlijn, hebben die richtlijnen, kort gezegd, de natuurbescherming dan wel de vogelbescherming als beschermingsdoel. Zoals onder 5.3 is overwogen, is de coöperatie geen organisatie die zich inzet voor een algemeen belang, zoals natuur- of vogelbescherming. Daarom valt zij niet onder de personele beschermingsomvang van de Habitat- en de Vogelrichtlijn. De toepassing van artikel 8:69a van de Awb is ook in zoverre dus niet in strijd met het Unierecht. Het betoog slaagt niet. Conclusie 8. Wat de coöperatie in verzet aanvoert, biedt geen grond voor twijfel aan de juistheid van de uitkomst van de uitspraak van 13 november 2025 en leidt niet tot de conclusie dat zij voorafgaand aan die uitspraak door de Afdeling had moeten worden gehoord. 9. Het verzet is ongegrond. 10. De proceskosten hoeven niet te worden vergoed. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het verzet ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van den Brink, griffier. w.g. Kaajan lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van den Brink griffier Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026 1069-418 BIJLAGE Wettelijk kader Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden Artikel 2 Voor de toepassing van dit Verdrag, […] 5. Wordt onder „het betrokken publiek" verstaan het publiek dat gevolgen ondervindt, of waarschijnlijk ondervindt van, of belanghebbende is bij, milieubesluitvorming; voor de toepassing van deze omschrijving worden niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming en voldoen aan de eisen van nationaal recht geacht belanghebbende te zijn. Artikel 9 […] 2. Elke Partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat leden van het betrokken publiek a. die een voldoende belang hebben dan wel b. stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een Partij dit als voorwaarde stelt, toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen van artikel 6 en, wanneer het nationale recht hierin voorziet en onverminderd het navolgende derde lid, andere relevante bepalingen van dit Verdrag. Wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt wordt vastgesteld in overeenstemming met de eisen van nationaal recht en strokend met het doel aan het betrokken publiek binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag ruim toegang tot de rechter te verschaffen. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de in artikel 2, vijfde lid, gestelde eisen voldoende geacht in de zin van het voorgaande onderdeel a. Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande onderdeel b.