Rechtspraak Raad van State 2026-04-22
ECLI:NL:RVS:2026:2298
202105725/2/R3. Datum uitspraak: 22 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend in Drachten, gemeente Smallingerland, appellant, en de raad van de gemeente Smallingerland, verweerder. Procesverloop Bij tussenuitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:888, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van de raad van 24 januari 2023, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Drachten - Hotel Lavendelheide 4" te herstellen, met inachtneming van wat over die gebreken in de tussenuitspraak is overwogen. Bij besluit van 26 augustus 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "Drachten - Hotel Lavendelheide 4" opnieuw en gewijzigd vastgesteld (het herstelbesluit). [appellant] heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een zienswijze naar voren gebracht over het herstelbesluit. Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten. Overwegingen De tussenuitspraak 1. De raad heeft bij besluit van 6 juli 2021 het bestemmingsplan Drachten - Hotel Lavendelheide 4" vastgesteld (het bestemmingsplan). [appellant] heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. De raad heeft vervolgens bij besluit van 24 januari 2023 het bestemmingsplan opnieuw en gewijzigd vastgesteld (het reparatieplan). De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 5 overwogen dat het beroep van [appellant] van rechtswege ook betrekking heeft op het reparatieplan. Het beroep tegen het bestemmingsplan 2. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling onder 17 overwogen dat de raad erkent dat het reparatieplan is vastgesteld vanwege verschillende gebreken in het bestemmingsplan. De raad heeft erkend dat het behoud van de groenzone onvoldoende in het plan was geborgd en dat onvoldoende onderzocht was, wat de gevolgen van het plan waren voor de geluidsbelasting op de woningen aan de Ureterpvallaat. Het plan is daarom in strijd met artikel 3:2 van de Awb vastgesteld. Het beroep tegen het reparatieplan 3. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om de in overweging 9.3, 11.5, 12.4, 12.8 en 13.3, geconstateerde gebreken te herstellen. De raad kon dit doen door aanvullend onderzoek te doen naar de gevolgen van het plan op de geluidsbelasting van de woningen aan de Ureterpvallaat, waarbij uitgegaan wordt van een sluitingstijd van het overdekte terras om 01:00 en ook het stemgeluid op het onoverdekte terrein wordt betrokken. Daarnaast moest de raad aanvullend onderzoeken en onderbouwen, of er een toeslag van 10 dB moet worden toegepast, vanwege duidelijk hoorbaar muziekgeluid. Verder moest de raad inzichtelijk maken van welke bebouwing uitgegaan is, voor de beoordeling wat de geluidsuitstraling is van de gevels en daken van de bebouwing waar de bowlingbaan en feestzalen zijn voorzien. Aan de hand van het aanvullende onderzoek moest de raad beoordelen of het besluit van 23 januari 2023 in zoverre in stand kan blijven. Als de raad tot de conclusie zou komen dat het plan in stand kon blijven moest de raad een nieuw besluit te nemen, waarbij het behoud van de groenzone werd geborgd. Eindoordelen over de beroepen tegen het bestemmingsplan en het reparatieplan 4. De Afdeling geeft eerst een eindoordeel over het beroep van [appellant] tegen het besluit van 6 juli 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan. Uit wat onder 2 is overwogen volgt dat de raad het bestemmingsplan heeft vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is daarom gegrond. Dit besluit moet dan ook worden vernietigd. 5. De Afdeling geeft ook een eindoordeel over het beroep van [appellant] tegen het besluit van 24 januari 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan. Uit wat onder 3 is overwogen volgt dat de raad het reparatieplan op verschillende punten heeft vastgest Van der Valk noch de gemeente hebben hier tot op heden actie op ondernomen. [appellant] betoogt dat de planregel daarom slechts een papieren werkelijkheid is. 10.1. Voor zover [appellant] wijst op de boom in de groenstrook is omgewaaid en dat daarop nog geen actie is ondernomen overweegt de Afdeling dat dit een kwestie van handhaving is. De Afdeling merkt daarbij nog op dat voor zover er sprake is van een met het bestemmingsplan strijdige situatie er om handhaving verzocht kan worden, waarbij tegen een besluit op een handhavingsverzoek rechtsmiddelen openstaan. Het betoog slaagt niet. Oordeel over het beroep tegen het herstelbesluit 11. Het beroep van [appellant] tegen het besluit van 26 augustus 2025 is ongegrond. Overschrijding redelijke termijn 12. [appellant] heeft geklaagd over de lange duur van de procedure. Uit de uitspraak van de Afdeling van 4 juni 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD3121, onder 2.6.1, volgt dat een klacht over de lange duur van de procedure, met toepassing van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb moet worden opgevat als een betoog dat de redelijke termijn is overschreden en voorts als een verzoek om vergoeding van de door de overschrijding geleden schade. 12.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit één rechterlijke instantie bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste twee jaar redelijk. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de Afdeling. 12.2. De Afdeling heeft het beroepschrift van [appellant] ontvangen op 31 augustus 2021. De Afdeling overweegt dat in dit geval van een langere redelijke termijn moet worden uitgegaan van in totaal zeven maanden en acht dagen. Dit is gerekend vanaf een verzoek van [appellant] op 12 april 2023 om de behandeling van het beroep aan te houden vanwege minnelijk overleg tot aan het moment waarop de Afdeling de behandeling van het beroep heeft voortgezet door op 20 november 2023 de uitnodiging te versturen voor de zitting van 6 februari 2024. De totale lengte van de procedure was vier jaar, zeven maanden en tweeëntwintig dagen. De redelijke termijn is in deze procedure dus met twee jaar en veertien dagen overschreden. 12.3. In zaken waarin een bestuurlijke lus is toegepast, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig toegerekend aan het bestuursorgaan. De Afdeling ziet geen reden om hiervan af te wijken. De Afdeling overweegt hierbij dat de redelijke termijn op het moment van de tussenuitspraak weliswaar bijna een jaar was verstreken, maar dat deze overschrijding aan de raad moet worden toegerekend. De raad heeft namelijk eerst bij brief van 20 december 2022 aan de Afdeling medegedeeld dat hij voornemens was om het reparatieplan vast te stellen. Het reparatieplan is vervolgens op 24 januari 2023 vastgesteld. Omdat dit een spoedige behandeling bemoeilijkte rekent de raad hiervoor zes maanden toe aan de raad. Daarnaast heeft de Afdeling het onderzoek ter zitting op 6 februari 2024 geschorst, om de raad de gelegenheid te geven om, in overleg met [appellant], tot een voorstel te komen voor een regeling in het bestemmingsplan voor de borging van de in het plangebied aanwezige groenstrook. Mede daardoor heeft het vervolgens tot de zitting van 10 oktober 2024 geduurd voordat het onderzoek kon worden gesloten. Omdat de einduitspraak wordt gedaan binnen een jaar nadat de Afdeling bericht heeft gekregen dat de herstelbesluiten waren genomen, moet de overschrijding voor het overige ook geheel aan de raad worden toegerekend. 12.4. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 2.500,00. Proceskosten 13. De raad moet de proceskosten van [appellant] vergoeden. De vergoeding voor reiskosten bedraagt € 35,59. De vergoeding vanwege door een derde beroepsmatig verleende r