Rechtspraak Raad van State 2026-04-22
ECLI:NL:RVS:2026:2297
202407389/1/A3. Datum uitspraak: 22 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], gevestigd in [plaats], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 30 oktober 2024 in zaak nr. 21/5390 in het geding tussen: [appellante] en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Procesverloop Bij besluit van 3 september 2020 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellante] een boete van € 2.700,00 opgelegd wegens het overtreden van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: de Arbowet). Bij besluit van 24 september 2021 heeft de staatssecretaris het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 30 oktober 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard. Verder heeft de rechtbank het besluit van 24 september 2021 vernietigd voor zover dat ziet op de hoogte van de boete, het besluit van 3 september 2020 herroepen voor zover dat ziet op de hoogte van de boete en bepaald dat het bedrag van de boete wordt vastgesteld op € 2.025,00. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend. [appellante] heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 juni 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. T. Segers, advocaat in ‘s-Hertogenbosch, vergezeld door [persoon], en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.M. Pelgrim en V.P.J. Kin, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellante] heeft op 24 september 2019 op een dak van een stal in Nieuwerkerk asbesthoudende dakbedekking (golfplaten) verwijderd. Tijdens deze werkzaamheden heeft een arbeidsinspecteur van de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid een inspectie uitgevoerd. Daarover heeft de inspecteur een boeterapport opgemaakt waaruit volgt dat [appellante] tijdens de werkzaamheden uitsluitend een mobiele torenkraan met werkbak heeft gebruikt voor het vervoer van personen naar het dak. De minister heeft hiervoor aan [appellante] een boete opgelegd, omdat een mobiele torenkraan alleen bestemd is voor het vervoer van goederen. Volgens de minister heeft [appellante] artikel 16, tiende lid, van de Arbowet en artikel 7.18, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit) overtreden. De mobiele torenkraan mag bij uitzondering alleen ingezet worden voor het vervoer van personen, als een plaats moeilijk bereikbaar is met een middel dat wel bestemd is voor het vervoer van personen, zoals een hoogwerker of verreiker. Volgens de minister was een deel van het dak bereikbaar met een hoogwerker of verreiker en had [appellante] een van deze middelen moeten inzetten voor dat deel van de werkzaamheden. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat het dus niet om een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 7.23d, eerste lid, van het Arbobesluit (oud, ten tijde van de inspectie) en artikel 7.23d, tweede lid, van het Arbobesluit (ten tijde van de besluitvorming) gaat. Toepasselijke regelgeving 2. De voor deze zaak relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Uitspraak van de rechtbank 3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister er terecht vanuit is gegaan dat [appellante] de Arbowet en het Arbobesluit heeft overtreden. Op basis van twee verklaringen heeft de rechtbank hiertoe overwogen dat tussen de 10% en 18,9% van het dak bereikbaar was met een verreiker of hoogwerker. Volgens de rechtbank had [appellante] gezien dit niet verwaarloosbare oppervlak voor dat gedeelte een verreiker of hoogwerker in moeten zetten. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de extra kosten van ongeveer € 1.000,00 niet dermate hoog zijn dat dit geen reden is om een verreiker te gebruiken. [appellante] heeft niet afdoende uitgelegd waarom, vanuit het oogpunt van arbeidsomstandigheden, geen andere middelen of werkmethoden beschikbaar waren. Ook lei Daartoe voert [appellante] aan dat zij na de overtreding een intern bedrijfsbeleid heeft ingevoerd waarbij per project wordt beoordeeld of een extra verreiker moet worden ingezet om verdere overtredingen te voorkomen. 7. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 13 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4622, moet de minister bij het toepassen van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete, op grond van artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet hij rekening houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. De minister kan omwille van de rechtseenheid en rechtszekerheid beleid vaststellen en toepassen over het wel of niet opleggen van een boete en het bepalen van de hoogte daarvan. Ook als het beleid door de rechter niet onredelijk is bevonden, moet de minister bij de toepassing daarvan in elk individueel geval beoordelen of die toepassing in overeenstemming is met de hiervoor bedoelde wettelijke eisen aan de uitoefening van de boetebevoegdheid. Steeds moet de boete, zo nodig in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zo worden vastgesteld dat deze evenredig is. De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van de minister met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie. 8. De minister heeft overeenkomstig de Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving de boete vastgesteld op € 2.700,00. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 13 november 2024 overwogen dat inspanningen achteraf direct van betekenis kunnen zijn voor de beoordeling of de opgelegde boete, gelet op de individuele omstandigheden, passend en geboden is. Inspanningen achteraf kunnen alleen tot matiging leiden als deze adequaat zijn, uit eigen beweging en zo snel mogelijk zijn verricht. Hoewel [appellante] uit eigen beweging het interne beleid heeft gewijzigd, heeft zij dit beleid pas doorgevoerd nadat voor een tweede keer handhavend is opgetreden. De Afdeling ziet in hetgeen [appellante] naar voren heeft gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat de boete te hoog is vastgesteld. Het betoog faalt. Overschrijding van de redelijke termijn 9. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3698) is de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden overschreden, als de duur van de totale procedure onredelijk lang is (zie onder meer haar uitspraak van 7 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ9526). Uit de rechtspraak van de Hoge Raad, waarbij de Afdeling zich heeft aangesloten, volgt dat voor de beslechting van het geschil over een punitieve sanctie in hoger beroep als uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn is overschreden, als behoudens bijzondere omstandigheden, niet binnen vier jaar nadat die termijn is begonnen uitspraak is gedaan. Deze termijn begint op het moment dat het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete een handeling heeft verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. De termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet. 10. Dit geschil is gestart met de boetekennisgeving van 6 juli 2020 en eindigt met de uitspraak van vandaag. Dat betekent dat de procedure vijf jaar en bijna tien maanden, en daarmee bijna 22 maanden te lang heeft geduurd. In boetezaken waarin de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden wordt naar bevind van zaken gehandeld (arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008, ECLI:HR:2008:BD0191). De rechtbank heeft de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn met 28 maanden al met 25% gematigd. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor een aanvullende matiging. 11. Het hoger beroep is onge