Rechtspraak Raad van State 2026-04-22
ECLI:NL:RVS:2026:2293
202501676/1/A2. Datum uitspraak: 22 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend in [woonplaats], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 februari 2025 in zaak nr. 24/1997 in het geding tussen: [appellante] en de Dienst Toeslagen. Procesverloop Bij besluit van 5 juli 2021 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellante] meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie over de jaren 2007 tot en met 2012. Bij besluit van 25 juli 2022 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellante] meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie over het jaar 2006. Bij besluit van 26 februari 2024 heeft Dienst Toeslagen het tegen beide besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 18 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 februari 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J.J. van Kuijk, advocaat in Den Haag, en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellante] heeft zich op 6 februari 2020 gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. De Dienst Toeslagen heeft dit verzoek voorgelegd aan de Commissie van Wijzen (hierna: CvW). De CvW is in haar advies van 6 april 2021 tot de conclusie gekomen dat in de jaren 2007 tot en met 2012 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid. In de periode vanaf het jaar 2007 tot aan de stopzetting van de kinderopvangtoeslag per 16 september 2010 hebben slechts reguliere correcties plaatsgevonden en voor de periode na 26 september 2010 is er geen kinderopvangtoeslag meer aangevraagd. De Dienst Toeslagen heeft onder verwijzing naar dit advies het verzoek om compensatie van [appellante] afgewezen. 2. [appellante] heeft hiertegen bezwaar gemaakt en verzocht om ook het jaar 2006 bij de herbeoordeling te betrekken. De CvW is in haar advies van 1 juni 2022 tot de conclusie gekomen dat in het jaar 2006 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid van het stelsel. Het voorschot is eerst verlaagd vastgesteld vanwege een stopzetting van de kinderopvangtoeslag per 1 augustus 2006. Vervolgens is het definitieve bedrag hoger vastgesteld als gevolg van een lager toetsingsinkomen en op basis van de door [appellante] verstrekte jaargegevens. Volgens de CvW zijn er geen aanwijzingen dat de definitieve vaststelling onjuist is. De Dienst Toeslagen heeft het advies van de CvW overgenomen en geen compensatie aan [appellante] toegekend voor het jaar 2006. Vervolgens heeft de Dienst Toeslagen, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie van 28 november 2023, het bezwaar van [appellante] ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank 3. Over het jaar 2006 heeft de rechtbank overwogen dat de Dienst Toeslagen, met name in de schriftelijke reactie van 30 oktober 2023, gemotiveerd heeft toegelicht dat [appellante] kinderopvangtoeslag heeft ontvangen over het aantal opvanguren dat in de factuur van het kinderdagverblijf van 18 oktober 2006 staat. Uit de stukken in het dossier kan voor het jaar 2006 niet worden afgeleid dat sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht). 4. Over het jaar 2009 heeft de rechtbank overwogen dat uit het door de Dienst Toeslagen overgelegde xml-bestand kan worden opgemaakt dat [appellante] haar bezwaar tegen de beschikking van 25 augustus 2010 telefonisch heeft ingetrokken. Uit de stukken in het dossier blijkt niet dat zij dat heeft gedaan op aandringen van de Dienst Toeslagen. Van institutionele vooringenomenheid in het jaar 2009 is dan ook niet gebleken. 5. Over het jaar 2010 heeft de rechtbank ov