Rechtspraak Raad van State 2026-04-22
ECLI:NL:RVS:2026:2289
202206524/1/R4. Datum uitspraak: 22 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] (in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend in [woonplaats], 2. de "Stichting Milieuvrienden Duiven", gevestigd in Duiven, en anderen (de stichting en anderen), appellanten, en 1. het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard (het college), 2. het college van gedeputeerde staten van Gelderland (het college van GS), 3. de minister van Infrastructuur en Waterstaat (de minister), verweerders. Procesverloop Bij besluit van 22 september 2022 heeft het college voor een periode van 20 jaar aan Windpark Caprice B.V. (de initiatiefnemer) een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van twee windturbines op het terrein van steenfabriek Caprice aan de Scherpekamp 3 in Angeren (de locatie). Bij besluit van gelijke datum heeft het college van GS aan de initiatiefnemer een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (de Wnb) verleend voor het oprichten en in gebruik nemen van de twee windturbines. Bij besluit van gelijke datum heeft het college van GS aan de initiatiefnemer ontheffing verleend voor het overtreden van verbodsbepalingen van de Wnb als gevolg van de exploitatie van de twee windturbines (de Wnb-ontheffing). Bij besluit van 20 september 2022 heeft de minister een watervergunning als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Waterwet aan de initiatiefnemer verleend voor het bouwen en behouden van één windturbine en het verrichten van handelingen in een watersysteem. Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van de gemeentelijke coördinatieregeling als bedoeld in artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Tegen één of meer van de besluiten hebben de stichting en anderen en [appellant sub 1] beroep ingesteld. Het college, het college van GS en de minister hebben een verweerschrift ingediend. De stichting en anderen hebben nadere stukken ingediend. Het college heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 15 april 2025, waar de stichting en anderen, vertegenwoordigd door mr. P.A. de Lange, advocaat in Barendrecht, vergezeld door [persoon A], [persoon B] en [persoon C], het college, vertegenwoordigd door mr. B. de Haan en mr. T.A. Hubregtse, beiden advocaat in Arnhem, vergezeld door A. van Kampen, het college van GS, vertegenwoordigd door mr. T.P.P. Paas en drs. P. Meeuwissen, en de minister, vertegenwoordigd door mr. S.C.M. Keijser-Vermeulen, mr. P.C. Bielen en M.G.J. Straatman, zijn verschenen. Verder is op de zitting de initiatiefnemer Windpark Caprice B.V., vertegenwoordigd door mr. ing. A.P.J. Timmermans en ir. F.P. de Jong, vergezeld door [persoon D] en [persoon E] van Renewable Factory, als partij gehoord. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet, de Invoeringswet Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. 2. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 5 juli 2019. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wabo en de Crisis- en herstelwet (Chw), zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. 3. Als een aanvraag om een natuurvergunning of een ontheffing op grond van de Wnb is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold o Bij uitspraak van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953, heeft de Afdeling echter - tegen de achtergrond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood, ECLI:EU:C:2021:7 - overwogen dat aan degene die bij een besluit geen belanghebbende is, maar wel een zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpbesluit op basis van de in het nationale omgevingsrecht gegeven mogelijkheid daartoe, in beroep niet zal worden tegengeworpen dat hij geen belanghebbende is. Ontvankelijk beroep vereniging, stichting en natuurlijke personen 12. [appellant sub 1], de vereniging, de stichting en een groot deel van de natuurlijke personen die beroep hebben ingesteld, hebben gebruik gemaakt van de mogelijkheid om over de ontwerpen van de besluiten een zienswijze naar voren te brengen. Omdat zij een zienswijze hebben ingediend, kan in het midden blijven of zij belanghebbenden zijn bij de door hen bestreden besluiten. Hun beroepen zijn ontvankelijk. 13. Het beroep van de inwoners van Loo die geen zienswijze hebben ingediend is ook ontvankelijk, omdat dit dorp binnen een afstand van tien keer de tiphoogte van de dichtstbijzijnde windturbine ligt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616), dus binnen een straal van 2.400 meter, zodat zij belanghebbenden zijn bij de besluiten. Dit laatste geldt ook voor de inwoners van Doornenburg die aan de Krakkedel en Koffiemolen wonen en geen zienswijze hebben ingediend. Hun woningen liggen ook binnen die straal. Crisis- en herstelwet 14. Op de besluiten is de Chw van toepassing. Op grond van artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. 15. De stichting en anderen hebben voor het eerst in de nadere stukken van 28 februari 2025, na afloop van de beroepstermijn, gronden aangevoerd over de inspraak bij de RES, Zeer Zorgwekkende Stoffen op windturbinebladen, Leading Edge Erosion, PFAS en BPA en de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet. Het betoog dat het besluit over de watervergunning te laat is genomen, dat in die vergunning een periode voor de afname van stroom van de windturbines ontbreekt en dat de zienswijzennota niet is bijgesloten bij die vergunning, is ook pas aangevoerd na afloop van de beroepstermijn. Deze beroepsgronden zal de Afdeling dus niet beoordelen. De stelling van de stichting en anderen ter zitting dat dit nadere argumenten zijn ter toelichting op eerder door haar ingediende beroepsgronden over gezondheid en externe veiligheid, volgt de Afdeling niet. Ingetrokken beroepsgrond 16. De stichting en anderen hebben de beroepsgrond over Natura 2000 en stikstof op de zitting ingetrokken. Relativiteit 17. Artikel 8:69a van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept." 18. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt. 19. In artikel 8:69a van de Awb ligt besloten dat degene die vernietiging van een besluit beoogt zich in beginsel niet met succes kan beroepen op belangen van anderen. Relativiteit en omgevingsvergunning 20. Het betoog van de stichting en anderen dat de windturbines het werkklimaat van het personeel van de steenfabriek aan de [locatie 2] en 22.2. Uit de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, volgt dat de individuele belangen van een natuurlijk persoon bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- of leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen. Bij de beantwoording van de vraag of zo’n verwevenheid kan worden aangenomen, wordt onder meer rekening gehouden met de afstand tussen de woning van betrokkene en het natuurgebied, met wat aanwezig is in het gebied tussen de woning en het Natura 2000-gebied en met het directe zicht vanuit de woning op het gebied. Als het Natura 2000-gebied deel uitmaakt van de woon- en leefomgeving van betrokkene, dan is in beginsel sprake van verwevenheid als hiervoor bedoeld. 22.3. De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 1] op een afstand van ongeveer 150 meter van Rijntakken woont en dat er geen tussenliggende bebouwing is. Aannemelijk is dat [appellant sub 1] dus direct zicht heeft op dit natuurgebied. Artikel 8:69a van de Awb staat daarom niet in de weg aan vernietiging van de natuurvergunning op de hiertegen gerichte beroepsgronden van [appellant sub 1]. De Afdeling zal deze beroepsgronden om die reden inhoudelijk beoordelen. Omgevingsvergunning 23. Bij het besluit van 22 september 2022 heeft het college aan de initiatiefnemer een omgevingsvergunning verleend voor de volgende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, c en e van de Wabo: - het (ver)bouwen van een bouwwerk; - het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan; - het oprichten, veranderen van het inwerking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk, voor een periode van 20 jaar. De initiatiefnemer heeft onverplicht een milieueffectrapport (het MER) op laten stellen voor de aanvraag hiertoe. Toetsingskader voor de omgevingsvergunning 24. Voor de omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo geldt, gelet op het hier toegepaste artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van die wet dat de activiteit niet in strijd mag zijn met een goede ruimtelijke ordening en de motivering een goede ruimtelijke onderbouwing moet bevatten. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. 25. Voor de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bouwwerk geldt dat het college, gelet op artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo, uitsluitend moet beoordelen of zich één van de in dat artikel opgenomen weigeringsgronden voordoet. Als dat niet het geval is, dan moet het de gevraagde vergunning verlenen. Als zich wel zo’n weigeringsgrond voordoet, dan moet het de gevraagde vergunning weigeren. Het college heeft daarbij dus geen ruimte om een belangenafweging te maken. De Afdeling toetst aan de hand van de beroepsgronden of het college die beoordeling juist heeft uitgevoerd. 26. Artikel 2.14, eerste lid, van de Wabo bevat de toetsingsgronden voor het oprichten en het in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van die wet. In het derde lid van artikel 2.14 van de Wabo is bepaald dat de omgevingsvergunning voor het oprichten en het in werking hebben van een inrichting sl Daarin heeft Econsultancy opgemerkt dat voor de voorgenomen plannen geen bomenrijen worden verwijderd of grote aanpassingen aan het landschap worden gemaakt, waardoor de meeste kernkwaliteiten behouden worden en de ontwikkelingsdoelen niet belemmerd worden. Econsultancy heeft geconcludeerd, ook op basis van de rapportage soortbescherming van 17 augustus 2020, dat de voorgenomen plannen zijn in te passen in de GO. In de toelichting op de aanvraag omgevingsvergunning is verder gewezen op het "Inrichtingsplan natuurversterking ten behoeve van de herinrichting steenfabrieksterrein" (het inrichtingsplan natuurversterking), opgenomen als figuur 15 in de ruimtelijke onderbouwing. Dit is ingediend om de uitbreiding van het bedrijventerrein mogelijk te maken. Het inrichtingsplan natuurversterking bevat maatregelen om de kernkwaliteiten van de GO in de Angerensche en Doornenburgsche Buitenpolder te versterken. Daarbij is vermeld dat de provincie Gelderland akkoord is gegaan met deze natuurversterkingsmaatregelen. Met het inrichtingsplan natuurversterking wordt volgens het college een ruimtelijke kwaliteitsbijdrage en landschapsversterking geleverd en zijn de natuurversterkingsmaatregelen voor de GO geborgd. 29.3. Het betoog van de stichting en anderen geeft geen aanleiding tot twijfel aan het standpunt van het college. Zij hebben niet geconcretiseerd met welke kernkwaliteiten, waarden en ontwikkelingsdoelen van de Gelderse Poort noord het college onvoldoende rekening heeft gehouden of waarnaar onvoldoende onderzoek is gedaan. Het betoog slaagt niet. Weidevogel- en ganzenrustgebieden 30. De stichting en anderen betogen dat het volgens het reglement van het Gelders Natuurnetwerk is uitgesloten om windturbines te plaatsen in weidevogelgebieden en rustgebieden voor winterganzen. 30.1. De Afdeling begrijpt het betoog zo dat de stichting en anderen een beroep doen op de artikelen 2.51a en 2.51b van de Omgevingsverordening Gelderland, waarin de instructieregels voor een Weidevogelgebied (een broedgebied voor weidevogels) en een Ganzenrustgebied (een rustgebied voor overwinterende ganzen) zijn opgenomen. Op grond van artikel 2.51a, aanhef en onder a, van de Omgevingsverordening Gelderland wordt een nieuwe windturbine in ieder geval niet toegelaten als het bestemmingsplan betrekking heeft op een Weidevogelgebied. De door de provincie aangewezen Weidevogelgebieden liggen op afstand van de locatie, dus de ontwikkeling is niet in strijd met artikel 2.51a, aanhef en onder a, van de Omgevingsverordening Gelderland. 30.2. Voor zover een bestemmingsplan betrekking heeft op een Ganzenrustgebied, laat het op grond van artikel 2.51b, aanhef en onder a en b, van die verordening een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat een nieuwe ontwikkeling wordt uitgevoerd op een locatie waar de nadelige gevolgen voor de functie als rustgebied voor overwinterende ganzen zoveel mogelijk worden beperkt en er na uitvoering minimaal 500 hectare in het betreffende Ganzenrustgebied overblijft. 30.3. Niet is gebleken dat artikel 2.51b van de Omgevingsverordening Gelderland in de weg staat aan de ontwikkeling. Ten tijde van de verlening van de omgevingsvergunning lag nagenoeg het hele terrein van de steenfabriek buiten de begrenzing van de Ganzenrustgebieden. Volgens het college lag een deel van dit terrein per abuis binnen die begrenzing. Dit is hersteld in het besluit van gedeputeerde staten van Gelderland tot wijziging van de Omgevingsverordening Gelderland van 14 maart 2023, bekendgemaakt op 21 maart 2023. Zoals het college stelt, zullen de windturbines, inclusief overdraai, buiten de Ganzenrustgebieden worden gesitueerd. Uit de rapporten van Econsultancy volgt bovendien dat de ontwikkeling geen significante nadelige invloed heeft op Ganzenrustgebieden. Verder heeft Bosch & Van Rijn in de memo van 14 september 2022, in reactie op vragen van omwonenden, opgemerkt dat het resterende oppervlak voor de Ganzenrustgebieden ruim boven Volgens het gemeentelijk beleid streeft de gemeente Lingewaard naar een ordelijk landschappelijk beeld, waarbij windturbines worden gekoppeld aan bestaande grootschalige infrastructuur en glastuinbouw. Solitaire windturbines worden volgens het gemeentelijk beleid negatief beoordeeld. 33.2. De commissie heeft aan het college van burgemeester en wethouders op 16 december 2019 negatief geadviseerd over windpark Caprice. Gelet op de tiphoogte van 240 meter zijn de twee windturbines volgens de commissie, indien waarneembaar, binnen een straal van 2.400 meter beeldbepalend en binnen een straal van vijf keer de tiphoogte zeer dominant aanwezig. De commissie stelt dat de windturbines de beleving van het uiterwaardenlandschap zullen domineren en de ruimtelijke kwaliteit hiervan significant zullen aantasten. De windturbines passen volgens de commissie ook niet in het kleinschalige dorpse karakter van de omliggende dorpen. Ook ’s nachts zullen de windturbines door de verlichting te zien zijn. Tegelijkertijd realiseert de commissie zich dat windenergie van belang is voor een duurzaam Lingewaard en dat het gemeentebestuur de argumenten van ruimtelijke kwaliteit moet afwegen tegen die van energietransitie en duurzaamheid. De commissie adviseert om bij realisatie het verlies aan ruimtelijke kwaliteit te compenseren door een bijdrage te leveren aan de ruimtelijke kwaliteit of landschapsverbetering op verschillende plekken, en dit te borgen in een groen- of landschapsfonds. 33.3. Volgens de Landschappelijke beoordeling van Bosch & van Rijn van 10 februari 2021 ligt de locatie op een uniek kruispunt. Enerzijds is op de locatie windenergie gewenst vanuit het beleid, vanwege de combinatie met infrastructuur. Anderzijds is dit niet gewenst, vanwege de ligging in de uiterwaarden van het kanaal, in de "Gelderse Poort", deels in Rijntakken, bij het Gelders Natuurnetwerk en de GO. De windturbines hebben volgens Bosch & van Rijn de meeste impact op de uiterwaarden en passen hier vanwege het natuurlijke karakter van het landschap zeer slecht en de impact voor de direct omwonenden binnen een straal van 2,5 kilometer zal groot zijn. Het landschap is echter dynamisch en aan verandering onderhevig en de toekomstige energiecorridor A15 is volgens de Landschappelijke beoordeling één van de weinige voorbeelden waarbij de ontwikkeling een mogelijke aansluiting vindt. Bosch & van Rijn adviseert eventuele mitigerende maatregelen vooral in de uiterwaarden toe te passen, zoals het versterken van de huidige kwaliteiten hiervan, en verder de windturbines minder zichtbaar te maken op significante plekken. 33.4. Het college heeft het advies van de commissie onderschreven voor zover dit betrekking heeft op het sterke ruimtelijke effect en de dominantie van de windturbines in het landschap. Het college heeft bij toetsing van de ontwikkeling aan het gemeentelijk beleidskader echter geconcludeerd dat de ontwikkeling aansluit bij de uitgangspunten van het gemeentelijk beleid, omdat in zekere mate sprake is van een rustig en ordelijk beeld, bestaande uit twee windturbines, dus geen solitaire windturbine, op een locatie binnen het uitbreidingsdeel van het bedrijventerrein van de steenfabriek, op/onder het tracé van de Betuwelijn en de nog door te trekken A15 en aan het kanaal, zodat is voldaan aan de voorwaarde van koppeling aan grootschalige infrastructuur. Daardoor vormen de windturbines volgens het college een onderdeel van de totale beleving van het landschap. Omdat het er niet meer dan twee zijn, nemen deze de beleving van het landschap in algemene zin niet over. Het college wijst verder op het hiervoor vermelde "Inrichtingsplan natuurversterking", waarmee de provincie akkoord is gegaan en waarmee volgens het college in navolging van het advies van de commissie een bijdrage wordt geleverd aan de landschapsverbetering. 33.5. Naar het oordeel van de Afdeling is het college hiermee gemotiveerd van het advies van de commissie afgeweken en kan deze motivering het standpun projectMER" van 13 februari 2021 (het akoestisch rapport) is voor het MER met het rekenprogramma Geomilieu de geluidsimmissie bij woningen in en nabij de ontwikkeling berekend, uitgaande van verschillende opstellingsvarianten van de windturbines. In het rapport is geconcludeerd dat de geluidbelasting bij de woningen van derden maximaal 45 dB Lden en 39 dB Lnight is, zodat geen mitigerende maatregelen nodig zijn. Bosch & Van Rijn heeft ook de gecumuleerde geluidsbelasting beoordeeld van verschillende bronnen, namelijk het scheepvaart- en wegverkeerslawaai in de bestaande situatie en na realisatie van de verlenging van de A15, industrielawaai van de steenfabriek, en het geluid van de toekomstige ontgronding Angerensche en Doornenburgsche Buitenpolder. Met toepassing van de methode Miedema is inzicht gegeven in de verwachte kwaliteitsveranderingen van de akoestische omgeving. In het akoestisch rapport heeft Bosch & Van Rijn de resultaten zonder windenergie en inclusief verschillende MER-alternatieven voor windenergie vergeleken en geconcludeerd, voor zover hier van belang, dat de windturbines niet leiden tot een verandering in woonklimaat ten opzichte van de autonome situatie. Bosch & Van Rijn heeft in het rapport "WP Caprice Onderbouwing milieunormen" van 24 mei 2022 voor het college inzichtelijk gemaakt welke gevolgen verschillende geluidsnormen hebben voor het aantal ernstig gehinderden en het opbrengstverlies en geconcludeerd dat het statistisch verwachte aantal ernstig gehinderden als gevolg van de ontwikkeling beperkt is. 34.4. Pondera heeft in het rapport "Motivering aanvullende voorschriften Windpark Caprice" van 21 april 2022 met een figuur inzichtelijk gemaakt wat de cumulatieve geluidbelasting is in de huidige situatie zonder windturbines. Volgens het rapport verschilt het heersende achtergrondgeluid per locatie met als voornaamste bron het wegverkeersgeluid van de Rijndijk ’s nachts, dat tussen de 41-45 dB Lnight bedraagt. Pondera heeft daarnaast inzichtelijk gemaakt wat de additionele geluidbelasting is als gevolg van de windturbines voor zo’n 3.000 woningen binnen 3 kilometer van de ontwikkeling. Bij 2.939 woningen, 98% van het totaal, is deze geluidbelasting lager dan 40 dB. Bij 26 woningen (0,9%) bedraagt deze 40 dB tot 42 dB, bij 31 woningen (1%) 42 dB tot 45 dB en bij 4 woningen (0,1%) 45 dB tot maximaal 46 dB. Pondera heeft geconcludeerd dat hiermee wordt voldaan aan de normen van artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit. Voor de door het college te kiezen voorschriften heeft Pondera voorgesteld de geluidnorm van 40 dB Lnight toe te passen, 1 dB lager dan de norm van artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit. De windturbines veroorzaken namelijk in de nacht een geluidbelasting van maximaal 40 dB Lnight en daarmee wordt hinder van windturbinegeluid ’s nachts voorkomen. De maximale geluidbelasting van de windturbines op geluidgevoelige objecten bedraagt 46 dB Lden. Pondera heeft voorgesteld om ook dit vast te leggen in de voorschriften, zodat dit voor de omgeving is geborgd. Omdat de initiatiefnemer een windturbine met een maximaal geluidbronvermogen van 106,5 dB(A) (LW, max) wil realiseren, heeft Pondera verder geadviseerd dit op te nemen in de voorschriften. Hiermee wordt volgens Pondera recht gedaan aan de bescherming van de omgeving enerzijds en het belang van opwekking van duurzame elektriciteit met windturbines anderzijds. 34.5. Het college heeft in navolging van dit advies in de omgevingsvergunning opgenomen dat de windturbines moeten voldoen aan de, door hem vastgestelde, normen van ten hoogste 46 dB Lden en 40 dB Lnight op de gevel van geluidgevoelige objecten. Verder mogen de windturbines uitsluitend in gebruik worden genomen en gehouden als het geluidvermogen (LW, max) bij geen enkele windsnelheid meer dan 106,5 dB(A) per turbine bedraagt. Het jaargemiddeld geluidvermogen mag in de dag-, avond- en nachtperiode niet meer bedragen dan 104,7 dB(A), 105,4 dB(A) en 105,9 dB(A). Daarbij betrekt de Afdeling de hiervoor in 35.1 genoemde uitspraak en de daarin beschreven werkwijze voor handhavingsmetingen bij windturbines. Deze worden toegespitst op controle van het geluidvermogen van individuele windturbines. Aan de hand van de productiegegevens van de windturbines kan worden berekend of dit leidt tot een overschrijding van de normen bij de omliggende woningen. Bij overschrijding kan terugregeling van de windturbines plaatsvinden of kunnen in een uiterste situatie een of meer windturbines worden stilgezet. De Afdeling ziet geen aanleiding om hierover in deze zaak anders te oordelen. De Afdeling betrekt daarbij dat het college heeft toegelicht dat de specificaties van de leverancier van de windturbines gecontroleerd zullen worden en dat binnen drie maanden na ingebruikname een geluidsmeting van de bronsterkte van beide windturbines dient plaats te vinden. Daarnaast heeft het college gesteld dat de initiatiefnemer in overleg omwonenden zal betrekken bij de monitoring van geluid. Het betoog slaagt niet. Gezondheid algemeen 36. De stichting en anderen betogen dat er geen gedegen onderzoek beschikbaar is dat inzicht geeft in de gezondheidseffecten van windturbines met een masthoogte van 160 meter en tiphoogte van 240 meter. 36.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 30 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:301, onder 31.1, onder verwijzing naar de uitspraak van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, onder 99 en verder, is er op basis van de huidige wetenschappelijke inzichten geen bewijs voor directe effecten van windturbines op de gezondheid. Het RIVM heeft in 2020 een literatuuronderzoek gedaan naar de gezondheidseffecten van windturbines. In de "Factsheet gezondheidseffecten van windturbinegeluid" van het RIVM is een beknopte uitleg over dit onderzoek gegeven met bronvermelding. Het RIVM heeft op basis van dit onderzoek opgemerkt dat onvoldoende bewijs is gevonden voor een relatie tussen het geluid van windturbines en gezondheidseffecten zoals hart- en vaatziekten, stofwisselingsstoornissen en effecten op de mentale gezondheid. Ook heeft het RIVM hierin naar voren gebracht dat grotere windturbines met meer vermogen niet noodzakelijkerwijs meer geluid maken dan kleinere en dat de geluidproductie vooral samenhangt met het type windturbine. Het betoog slaagt niet. Externe veiligheid 37. De stichting en anderen betogen dat de veiligheid in het geding is, omdat meerdere woningen binnen de afstand van 4x de ashoogte van de windturbines staan. Verder betogen zij dat geen alomvattend onderzoek is verricht naar windturbines met een rotordiameter van 170 meter. In de gevarencirkel vallen volgens hen de daar verblijvende personen, woningen, bedrijven met gevaarlijke apparatuur en leidingen, waaronder gasleidingen met een mogelijk domino-effect bij een calamiteit, een camping, een zalencomplex, een groot deel van het natuur- en recreatiegebied Loowaard, de scheepvaart op het kanaal, vaak ook met gevaarlijke lading, en de dijk. Daarnaast is de werpafstand bij overtoeren volgens hen niet goed berekend omdat het ballistische model zonder luchtkrachten is gebruikt. De stichting en anderen betogen ook dat het onduidelijk is wat het college heeft gedaan met de opmerkingen van de Commissie m.e.r. over inconsistenties in de berekende werpafstand, mogelijk hogere kans op dijkschade en het ontbreken van een aantal risicoberekeningen en haar advies om het MER op deze punten uit te werken en aan te vullen. 37.1. Het college stelt dat deugdelijk onderzoek is verricht dat aantoont dat er geen knelpunten zijn voor de externe veiligheid. De windturbines worden op voldoende afstand tot onder meer infrastructuur en objecten van waterkeringen gerealiseerd. 37.2. De externe veiligheidsrisico’s zijn onderzocht in het rapport van Bosch & Van Rijn van 21 januari 2021 "Windpark Caprice Lingewaard Kwantitatieve Risicoanalyse t.b.v. projectMER en aanvraag omgevingsvergunning". Anders dan de stichting en anderen k heeft gestuurd, met onjuiste afstanden, waardoor de contouren in verschillende figuren niet klopten. Naar het college onweersproken heeft gesteld, is deze fout hersteld en zijn de afstanden en contouren die zijn vermeld in de risicoanalyse die als bijlage bij de omgevingsvergunning is gevoegd, correct. 37.7. Het college heeft verder gesteld dat in reactie op het advies van de Commissie m.e.r. berekeningen van een aanvullend onderzoek over de toekomstige A15 zijn toegevoegd. Daaruit is gebleken dat het gelet op de aard van de weg niet realistisch is dat het individueel passanten risico (IPR) en het maatschappelijk risico (MR) worden overschreden. Van een overschrijding zou namelijk pas sprake zijn als meer dan 3,1 miljard passanten per jaar de windturbines passeren op de A15 (MR) en als één persoon meer dan 1.582.278 keer per jaar de windturbines passeert (IPR). 37.8. Wat de stichting en anderen hebben aangevoerd geeft geen grond voor het oordeel dat het college van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan en zijn besluit niet op de risicoanalyse van Bosch & Van Rijn heeft kunnen baseren. Gelet op die risicoanalyse en de toelichting hierop van het college, ziet de Afdeling in wat de stichting en anderen hebben aangevoerd geen knelpunten voor de externe veiligheid. Het betoog slaagt niet. Grondwater 38. De stichting en anderen betogen dat de bouw van de windturbines op deze locatie tot een zeer ongewenste en riskante situatie leidt, omdat de kwaliteit van het grondwater ernstig in gevaar komt en er risico bestaat voor uitspoeling naar het rivierwater. Volgens hen moet daarom eerst een saneringsplan worden uitgevoerd voordat er gebouwd mag worden. 38.1. In het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning staat dat er is gebleken van een (potentieel) geval van bodemverontreiniging als bedoeld in de Wet bodembescherming. Daarom mag pas worden gebouwd als door het bevoegd gezag is vastgesteld dat geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging of is ingestemd met het saneringsplan of bij het bevoegd gezag een melding is gedaan van een voornemen tot sanering. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college hiermee de door de stichting en anderen gevreesde situatie ondervangen. Het betoog slaagt niet. Archeologie 39. De stichting en anderen betogen dat het college eraan voorbij is gegaan dat de windturbines zijn beoogd binnen de zogenoemde "Limes", de ter plaatse aanwezige voormalige grens- en verdedigingszone van het Romeinse rijk. Dit aspect is volgens hen niet onderzocht en in de ruimtelijke onderbouwing onbesproken gebleven. 39.1. De Afdeling stelt vast dat in de Landschappelijke beoordeling van 10 februari 2021 van Bosch & Van Rijn, waaronder figuur 11, is besproken dat de locatie binnen de "Limes beschermingszone" ligt. In de "Reactienota vooroverleg Conceptaanvraag omgevingsvergunning Windpark Caprice" heeft het college vermeld dat de locatie van de noordelijke windturbine is vrijgegeven voor het aspect archeologie omdat daar al bodemverstoring en ophoging heeft plaatsgevonden. Verder heeft het college opgemerkt dat de zuidelijke windturbine binnen het gebied valt waar al archeologisch onderzoek voor het bestemmingsplan "Steenfabriek Huissenswaard" heeft plaatsgevonden. Gezien de onderzoeksresultaten en de voorgenomen ingrepen in het plangebied heeft het college geconcludeerd dat geen archeologische resten zullen worden verstoord en dat daarom geen aanvullend archeologisch vooronderzoek hoeft te worden verricht. De Afdeling kan dit standpunt van het college volgen. Het betoog slaagt niet. Belangenafweging 40. Het college heeft volgens de stichting en anderen geen zorgvuldige belangenafweging gemaakt, omdat de belangen van omwonenden onvoldoende zijn onderzocht en meegewogen. De gezondheids-, veiligheids- en leefbaarheidsbelangen van omwonenden wegen volgens de stichting en anderen zwaarder dan de economische belangen van de steenfabriek, de exploitant van de windturbines en de gemeente. Volgens de Het hierboven onder 29.2 genoemde rapport gebiedsbescherming van Econsultancy van 25 mei 2021, dat door het college van GS als passende beoordeling is aangemerkt, is hieraan ten grondslag gelegd. 44. Gelet op de ingetrokken beroepsgrond is de in het besluit betrokken stikstofdepositie op het Natura 2000 gebied Rijntakken niet meer in geschil. Partijen zijn nog verdeeld over de vraag of het rapport gebiedsbescherming aan het besluit ten grondslag kon worden gelegd. 45. De stichting en anderen betogen dat het rapport gebiedsbescherming onvolledig en onzorgvuldig is. Zij voeren aan dat ten onrechte geen onderzoek heeft plaatsgevonden aan de Loose zijde van Rijntakken, aangewezen als broedgebied voor meerdere vogelsoorten. Daar zal volgens hen een groot gedeelte van de fauna worden getroffen en vluchtgedrag vertonen als gevolg van het geluid en de slagschaduw van de windturbines. De stichting en anderen betogen verder dat de samenhang in de natuur van Rijntakken ernstig verstoord zal worden door het geluid, de slagschaduw, trillingen, luchtdrukverschillen en visuele afschrikking, wat volgens hen zal leiden tot omvliegroutes en het verlaten van het gebied. Zij stellen dat Econsultancy nauwelijks aandacht hieraan heeft besteed en dat over de gevolgen van slagschaduw voor de fauna ook niets is vermeld. Volgens [appellant sub 1] is het niet uitgesloten dat de windturbines, mede gelet op hun maximale omvang, vanwege de verstoring door geluid en slagschaduw, significante negatieve gevolgen zullen hebben op de fauna van Rijntakken, waaronder de bever en de otter. Hij merkt op dat de bevers hun burcht hebben in de Kandiaplas, op een afstand van nog geen 500 meter van de windturbines. [appellant sub 1] betoogt ook dat Econsultancy over het hoofd heeft gezien dat de zuidelijk gelegen windturbine een obstakel vormt voor watervogels, omdat de windturbine zal worden gesitueerd op hun vliegroute naar foerageergebieden in de Rijn en de Waal. [appellant sub 1] betoogt verder, onder verwijzing naar de "Risicokaart externe werking wind- en zonne-energie voor ganzen rondom Natura 2000-gebieden" en de "Risicokaart externe werking wind- en zonne-energie voor zwanen rondom Natura 2000-gebieden" van het A&W-rapport 21-084, dat Econsultancy ook voorbij is gegaan aan de hoge risico’s voor ganzen en zwanen door de plaatsing van de turbines nabij hun rustgebieden. Verschillende storingsfactoren 45.1. Econsultancy heeft in het rapport gebiedsbescherming de gevolgen van de ontwikkeling voor de vogel- en habitatrichtlijnsoorten waarvoor Rijntakken is aangewezen, onderzocht. Econsultancy heeft op basis van de "effectenindicator" van het Ministerie van Economische Zaken en zogenoemde "expert judgement", de kennis en ervaring van de deskundige, de storingsfactoren oppervlakteverlies, versnippering, verzuring, vermesting, verstoring door licht, trilling, geluid, mechanische effecten, optische verstoring, verandering in populatiedynamiek en slagschaduw in het rapport betrokken. Econsultancy heeft opgemerkt dat bij broedvogels in de regel wordt uitgegaan van 100 tot 200 meter en bij niet-broedvogels van 500 meter waarbinnen verstorende effecten kunnen optreden. De Afdeling begrijpt dit zo dat de hiervoor genoemde storingsafstanden rondom de windturbines liggen. De Afdeling zal hierna nader ingaan op de bevindingen van het rapport gebiedsbescherming voor zover relevant gelet op de betogen van de stichting en anderen en [appellant sub 1]. Verstoring door geluid 45.2. Econsultancy voorziet enige toename aan geluidsverstoring door de windturbines, maar sluit op voorhand uit dat dit een significant negatief effect heeft op de instandhoudingsdoelen van de vogelrichtlijnsoorten. Omdat er in de bestaande situatie al geluidsverstoring is, zowel door de werkzaamheden van de steenfabriek als door het zware vrachtverkeer van en naar de steenfabriek, acht Econsultancy het niet waarschijnlijk dat vogelrichtlijnsoorten binnen 200 meter van het projectgebied een nestlocat Op basis van de wintertellingen en een modelberekening heeft Econsultancy geconcludeerd, uitgaande van een worst-case scenario, dat het voorspelde aantal aanvaringsslachtoffers van alle betrokken soorten niet-broedvogels, zoals de kleine zwaan, wilde zwaan, toendrarietgans, kolgans, grauwe gans en brandgans, waarvoor in Rijntakken een instandhoudingsdoelstelling geldt, onder het 1%-mortaliteitscriterium blijft. Significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van deze soorten zijn daarom op voorhand uit te sluiten. Ook in cumulatie met andere vergunde, maar nog niet gerealiseerde, windparken en andere grote autonome ontwikkelingen, heeft Econsultancy geconcludeerd dat significante effecten op instandhoudingsdoelen van Rijntakken redelijkerwijs zijn uit te sluiten. Slagschaduw 45.9. In het rapport gebiedsbescherming heeft Econsultancy ook de effecten van slagschaduw, dat wil zeggen bewegende schaduw van de draaiende wieken, wat tot vluchtgedrag van vogels kan leiden, beoordeeld. Uit de vogeltellingen is gebleken dat de betreffende gebieden voornamelijk worden gebruikt door de kolgans en grauwe gans en dat andere vogelrichtlijnsoorten niet rustend of foeragerend binnen 500 meter van de beoogde locatie van de windturbines zijn waargenomen. Er is volgens Econsultancy weliswaar enig verlies van leefgebied van vogelrichtlijnsoorten. Maar deze gebieden kunnen in de gebruiksfase van de windturbines nog steeds, zij het in mindere mate, functioneren als foerageergebied en er is in de omgeving veel alternatief rust- en foerageergebied aanwezig. Het gaat ook om de meer algemene vogelrichtlijnsoorten, waarvan veel individuen significant verstoord moeten worden voordat de instandhoudingsdoelen van deze soorten in het geding komen. Econsultancy heeft daarom geconcludeerd dat het op voorhand redelijkerwijs is uit te sluiten dat het verlies van kwaliteit van leefgebied als gevolg van slagschaduw een significant negatief effect heeft op de instandhoudingsdoelen van de betreffende vogelrichtlijnsoorten. Beoordeling betoog natuurvergunning 45.10. Op grond van artikel 2.8, derde lid van de Wnb verlenen gedeputeerde staten voor een project als bedoeld in het eerste lid uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied niet zal aantasten. 45.11. Gelet op de bevindingen van de passende beoordeling (het rapport gebiedsbescherming), heeft Econsultancy, anders dan de stichting en anderen en [appellant sub 1] hebben gesteld, de effecten van de verschillende mogelijke effecten en storingsfactoren op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000 gebied Rijntakken naar het oordeel van de Afdeling voldoende onderzocht. Uit de passende beoordeling volgt dat ook de vliegroutes van de vogels en de risico’s van de ontwikkeling voor ganzen en zwanen in het onderzoek zijn betrokken en dat mogelijk vluchtgedrag en het verlies van de kwaliteit van leefgebied zijn onderkend. Econsultancy heeft op basis van het ecologisch onderzoek geconcludeerd dat valt uit te sluiten dat de ontwikkeling, afzonderlijk of in cumulatie met andere ontwikkelingen, significante gevolgen kan hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken vogelrichtlijnsoorten van Rijntakken. De stichting en anderen en [appellant sub 1] hebben dit niet gemotiveerd weerlegd met een deskundigenrapport of op een andere wijze. Uit de passende beoordeling volgt verder dat negatieve gevolgen voor de bever zijn uitgesloten. Ook dit is niet gemotiveerd bestreden. Het betoog over de otter treft geen doel omdat uit het "Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Rijntakken" volgt dat dit geen habitatrichtlijnsoort is van Rijntakken. Wat de stichting en anderen en [appellant sub 1] verder hebben aangevoerd, geeft ook geen grond voor het oordeel dat het college van GS zich niet op de passende beoordeling heeft kunnen baseren bij de vergunningverlening. Het betoog slaagt niet. ADC-toets 4 Dit betekent dat zo’n ontheffing alleen kan worden verleend, als voldaan wordt aan elk van de volgende drie voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. de ontheffing is nodig vanwege een in artikel 3.3, vierde lid, onder b, van de Wnb respectievelijk artikel 3.8, vijfde lid, onder b, van de Wnb genoemd belang; c. voor vogels geldt dat de maatregelen - waarmee is gedoeld op de activiteit(en) met het oog waarop de ontheffing wordt verleend - niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort(en) leiden. Voor vleermuizen geldt als derde voorwaarde dat er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Andere bevredigende oplossing? 49.2. Uit het MER volgt dat de ontwikkeling het duurzaam opwekken van elektriciteit voor de steenfabriek en binnen de gemeente Lingewaard tot doel heeft. Het college van GS heeft onder verwijzing naar het MER opgemerkt dat verschillende alternatieven met elkaar zijn vergeleken. Volgens het college van GS wijken de onderzochte varianten niet af in slachtofferaantallen, maar wel in overige effecten op de natuur. Het voorkeursalternatief is als het meest gunstige beoordeeld. Het college van GS heeft geconcludeerd dat er geen andere bevredigende oplossing is. De enkele stelling van de stichting en anderen dat er efficiëntere alternatieven zijn, biedt geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan dit standpunt. Ontheffingsgronden 49.3. De ontheffing voor de betrokken vogels is verleend op de grond "de volksgezondheid of openbare veiligheid" als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onder b, onder 1, van de Wnb. De ontheffing voor de betrokken vleermuizen is gebaseerd op de grond "de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijke gunstige effecten" als bedoeld in artikel 3.8, vijfde lid, aanhef en onder b, onder 3, van de Wnb. Het college van GS heeft in de ontheffing vermeld dat de opwekking van duurzame energie met windturbines in het algemeen en de ontwikkeling in het bijzonder een bijdrage levert aan het beperken van klimaatverandering en luchtverontreiniging en het vergroten van de voorzieningszekerheid. Daarmee zijn de belangen gediend van volksgezondheid, openbare veiligheid en dwingende redenen van groot openbaar belang waaronder redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. 49.4. Het betoog geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college van GS deze ontheffingsgronden niet aan het besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1227, onder 7, en 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2621, onder 13), kunnen aan de ontheffing voor windturbines de ontheffingsgronden volksgezondheid en openbare veiligheid ten grondslag gelegd. De klimaatverandering en de elektriciteitsvoorziening zijn hiervoor de belangrijkste redenen. Klimaatverandering heeft effecten op de openbare veiligheid, volksgezondheid en flora en fauna. De realisatie van de windturbines draagt bij aan het behalen van de klimaatdoelstelling. "Rapportage soortbescherming Windpark Caprice te Angeren" van Econsultancy van 17 augustus 2020 (rapport soortbescherming) 49.5. Econsultancy heeft in het aan de ontheffing ten grondslag gelegde rapport soortbescherming onderzocht hoeveel aanvaringsslachtoffers van vleermuizen en vogels per jaar kunnen vallen door realisatie van de windturbines. Verder heeft Econsultancy onderzocht of in het onderzoeksgebied planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wnb een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de ontwikkeling. - Vleermuizen 49.6. Om de potentiële negatieve effecten van de ontwikkel Voor beantwoording van de vraag of de ontwikkeling niet leidt tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betrokken vogelsoorten, heeft Econsultancy volgens het rapport soortbescherming voor vogels drie verschillende aspecten onderzocht, namelijk verstoring van jaarrond beschermde nesten van vogels, verstoring en sterfte van broedvogels rondom het plangebied en verstoring en sterfte van niet-broedvogels die over het plangebied vliegen. Voor de broedvogels heeft Econsultancy overeenkomstig de werkwijze van Stelsel Natuur en Landschap (SNL) 5 veldrondes uitgevoerd in de periode van juni 2018 t/m mei 2019. Daarbij heeft Econsultancy toegelicht dat in deze periode alle broedvogels actief op zoek zijn naar een partner waardoor zij goed kunnen worden gemonitord. Het aantal veldrondes is nodig omdat verschillende soorten op verschillende momenten in het seizoen het actiefst zijn en de aantallen daardoor goed inzichtelijk kunnen worden gemaakt. De omvang van het onderzoeksgebied strekte zich volgens het rapport soortbescherming uit over het plangebied zelf en ongeveer 500 meter rondom dit gebied om een goed beeld te krijgen van de soorten en de aantallen broedvogels. Ook is zo bepaald of er jaarrond beschermde nesten zijn die tijdens de aanlegfase van de windturbines verloren kunnen gaan. De potentiële negatieve effecten van de ontwikkeling op trekvogels en watervogels heeft Econsultancy bepaald aan de hand van 3 wintertellingen in het onderzoeksgebied in de periode oktober tot en met februari, met gegevens uit literatuur, zoals volgt uit de geraadpleegde bronnen die in het rapport soortbescherming zijn opgenomen, en verspreidingsgegevens. Aan de hand van de tellingen heeft Econsultancy in beeld gebracht welke soorten in het onderzoeksgebied voorkomen en welke soorten en hoeveel individuen van een soort vliegbewegingen maken op rotorhoogte van de geplande windturbines. Verder heeft Econsultancy in de wijdere omgeving van de onderzoekslocatie tot 5 kilometer betrokken of er kolonies bekend zijn van koloniebroeders. Aanvaringsslachtoffers vogels 49.12. Econsultancy heeft opgemerkt dat er een groot aantal broedvogelsoorten is rondom de onderzoekslocatie, zowel zangvogels, weidevogels als akkersoorten. Tijdens de aanlegfase van de windturbines is geen sprake van aanvaringsslachtoffers. Voor de gebruiksfase van de windturbines heeft Econsultancy opgemerkt dat zangvogels vanwege hun vlieggedrag weinig risico lopen om in aanvaring te komen met een windturbine. De plaatselijke broedvogels zijn goed bekend met de gevaren in de omgeving, waardoor weinig slachtoffers vallen. Voor met name de kievit is er wel een verhoogd risico op aanvaringen vanwege de hoge baltsvluchten in het voorjaar. Voor elke aanwezige broedvogel heeft Econsultancy een inschatting gemaakt van het aantal aanvaringsslachtoffers per jaar en is met behulp van het 1%-mortaliteitscriterium bekeken of de gunstige staat van instandhouding in het geding komt. Daarnaast heeft Econsultancy voor de soorten trek- en watervogels die zijn waargenomen, een berekening gemaakt om een voorspelling te doen van het aantal aanvaringsslachtoffers per jaar, uitgaande van een worst-case benadering. 49.13. Omdat geen kolonies bekend zijn van koloniebroeders in de wijdere omgeving van de onderzoekslocatie tot 5 kilometer, zullen deze soorten volgens Econsultancy dus ook niet incidenteel in grote getalen voorkomen op de onderzoekslocatie. 49.14. Op basis van het aantal waarnemingen in het veld, de locatie van de waarnemingen en het gedrag van de vogels, heeft Econsultancy bepaald dat voor 32 vogelsoorten er potentieel meer dan incidentele sterfte (meer dan één slachtoffer per jaar) plaats kan vinden. Econsultancy heeft daarom geadviseerd een ontheffing op basis van de Wnb aan te vragen. Volgens Econsultancy overschrijdt de voorspelling van het maximaal aantal aanvaringsslachtoffers echter bij geen van de broedvogelsoorten en trek- en watervogels, ook als rekening wordt gehouden met cumu De enkele verwijzing door de stichting en anderen naar het rapport van Wageningen University is te weinig concreet om daaruit af te leiden dat het college van GS ten onrechte heeft gesteld dat het onderzoek op de juiste wijze door Econsultancy is uitgevoerd en compleet is. Uit het rapport soortbescherming volgt dat de verwachte sterfte van de betrokken vleermuis- en vogelsoorten minder dan 1% bedraagt van de natuurlijke sterfte van de aanwezige populatie, ook met inachtneming van cumulatie. De Afdeling heeft dan ook geen grond voor twijfel aan de conclusie van het college van GS dat de ontwikkeling niet leidt tot verslechtering van instandhouding van de betrokken vogelsoorten. Het onderzoek geeft ook geen grond voor het oordeel dat realisatie van de ontwikkeling afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken vleermuissoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, ook omdat in de ontheffing een stilstandvoorziening is voorgeschreven met monitoring van de activiteit en migratie van vleermuizen. Daarmee wordt het aantal aanvaringsslachtoffers naar verwachting van het college van GS met minstens 80% verminderd, waarmee het aantal aanvaringsslachtoffers door de ontwikkeling onder de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis wordt teruggebracht tot 1,4 onderscheidenlijk 0,2 per jaar. In wat de stichting en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college van GS de ontheffing niet heeft kunnen verlenen. 49.20. Het betoog slaagt niet. Conclusie 50. Het beroep van de stichting en anderen tegen het besluit van het college van GS tot verlening van ontheffing op grond van de Wnb is ongegrond. Watervergunning 51. Bij het besluit van 20 september 2022 heeft de minister een watervergunning als bedoeld in artikel 6.5 van de Waterwet, gelezen in samenhang met artikel 6.12, eerste lid, van het Waterbesluit, aan de initiatiefnemer verleend voor het plaatsen van één windturbine, de zuidelijk gelegen windturbine, met bijbehorende fundering aan de linkeroever van het kanaal, een rijkswaterstaatwerk. De andere windturbine wordt op een watervrije ophoging geplaatst. Voor het plaatsen van bouwwerken op de watervrije ophoging was in 2008 al een watervergunning verleend. 52. De stichting en anderen betogen dat de ontwikkeling in strijd is met de Beleidsregels grote rivieren (de Beleidsregels), omdat de windturbines niet in de uiterwaarden mogen worden gebouwd, zoals hier, vanwege hoogwaterveiligheid. Zij stellen dat de windturbines ook buiten het rivierbed kunnen worden gerealiseerd, zoals in het komgebied langs de Betuweroute. Verder betogen zij dat de watervergunning ten onrechte is verleend op de duurzaamheidsgrond van artikel 6, onder c, van de Beleidsregels, nu de ontwikkeling maar in zeer beperkte mate, maximaal 20%, bijdraagt aan die verduurzaming. Zij stellen dat voor het stroomverbruik ter plaatse maar zo’n 5% van de jaarlijkse opbrengst van de windturbines nodig is, de overige 95% wordt geleverd aan het openbare net en de verbinding tussen de steenfabriek en de windturbines is dus vooral administratief; er wordt een overeenkomst, een zogenoemde "PPA" (Power Purchase Agreement), gesloten voor de afname van de opgewekte energie. Volgens de stichting en anderen kan dit ook met een leverancier die de windturbines elders heeft staan. 52.1. De Beleidsregels maken niet riviergebonden functies alleen in beperkte mate mogelijk, onder meer om voldoende ruimte te houden voor de afvoer en het bergen van hoogwater. Een van die mogelijkheden betreft de verduurzaming van de energievoorziening als bedoeld in artikel 6, onder c, van de Beleidsregels. Volgens die bepaling wordt geen vergunning verleend voor niet-riviergebonden activiteiten in het gedeelte van het rivierbed waarop het stroomvoerend regime van toepassing is, tenzij sprake is van verduurzaming van de energievoorziening van bestaande activiteiten in het rivierbed. Z Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. Artikel 8:1 Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2.1 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: a. het bouwen van een bouwwerk, (…) c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet, (…) e. 1°. het oprichten, 2°. het veranderen of veranderen van de werking of 3°. het in werking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk, (…) Artikel 2.10 1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien: a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet; b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet; c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12; d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend; e. (…) 2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is. Artikel 2.12 1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en: a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening: (…) 3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat; (…) Artikel 2.14 1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e: a. betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. (…) Artikel 3.8 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.5 en 3.6, tweede lid, ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. (…) 5. Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: (…) 3°. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; (…) c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Wet milieubeheer Artikel 1.1a 1. Een ieder neemt voldoende zorg voor het milieu in acht. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Artikel 8.42 (…) 3. Het bestuursorgaan, bedoeld in het eerste lid, kan voorschriften stellen die afwijken van de regels, gesteld bij of krachtens de maatregel, bedoeld in dat lid, indien dat bij of krachtens die maatregel is bepaald. Bij of krachtens de maatregel kan worden bepaald in welke mate de voorschriften kunnen afwijken en kan worden bepaald dat slechts kan worden afgeweken in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. (…) Activiteitenbesluit milieubeheer Artikel 1.1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: (…) Lden: de geluidsbelastingsindicator zoals opgenomen in artikel 3, onder f, van richtlijn nr. 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2002, inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai; Lnight: de geluidsbelastingsindicator zoals opgenomen in artikel 3, onder i, van richtlijn nr. 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2002, inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai; (…) windturbine: een apparaat voor het opwekken van elektrisch of thermisch vermogen uit wind; windturbinepark: inrichting, bestaande uit ten minste drie windturbines; (…) Artikel 3.14 (…) 4. Bij het inwerking hebben van een windturbine worden ten behoeve van het voorkomen of beperken van slagschaduw en lichtschittering de bij ministeriële regeling te stellen maatregelen toegepast. Artikel 3.14a 1. Een windturbine of een combinatie van windturbines voldoet ten behoeve van het voorkomen of beperken van geluidhinder aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en aan de norm van ten hoogste 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen, tenzij deze zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein, en bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein. 2. Onverminderd het eerste lid kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift teneinde rekening te houden met cumulatie van geluid als gevolg van een andere windturbine of een andere combinatie van windturbines, normen met een lagere waarde vaststellen ten aanzie Het compensatieplan geeft in ieder geval inzicht in: a. hoe verzekerd is dat de fysieke natuurcompensatie wordt uitgevoerd; b. hoe monitoring van en rapportage over de uitvoering van de fysieke natuurcompensatie plaatsvinden; c. hoe de natuur wordt ingericht en beheerd gedurende de ontwikkeltijd; d. de locatie waar de nadelige gevolgen voor de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het Gelders natuurnetwerk plaatsvinden; en e. de locatie waar gecompenseerd wordt. § 2.6.3 Instructieregel Weidevogelgebied Artikel 2.51a (bescherming Weidevogelgebied) Voor zover een bestemmingsplan betrekking heeft op een Weidevogelgebied laat het: a. in ieder geval een nieuwe windturbine of nieuw zonneveld niet toe; en b. een andere nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als deze geen nadelige gevolgen kunnen hebben voor de functie als broedgebied voor weidevogels. § 2.6.4 Instructieregel Ganzenrustgebied Artikel 2.51b (bescherming Ganzenrustgebied) Voor zover een bestemmingsplan betrekking heeft op een Ganzenrustgebied laat het een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als: a. uit onderzoek blijkt dat deze activiteit of ontwikkeling wordt uitgevoerd op een locatie waar de nadelige gevolgen voor de functie als rustgebied voor overwinterende ganzen zoveel mogelijk worden beperkt; en b. na uitvoering minimaal 500 hectare in het betreffende Ganzenrustgebied overblijft. § 2.6.5 Instructieregels bestemmingsplan Groene ontwikkelingszone Artikel 2.52 (beschermen Groene ontwikkelingszone) 1. Voor zover een bestemmingsplan van toepassing is op locaties binnen de Groene ontwikkelingszone, laat het een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat: a. de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt; en b. de samenhang niet verloren gaat. § 2.7.1 Instructieregels windturbines Artikel 2.63 (uitsluiting locaties voor windturbines) Een bestemmingsplan maakt het niet mogelijk een windturbine of windturbinepark op te richten voor gronden gelegen binnen het verbodsgebied windenergie. Artikel 3.56 (aanwijzing stiltegebieden) 1. Provinciale Staten wijzen stiltegebieden aan waar regels gelden om geluidhinder te voorkomen of te beperken. 2. Gedeputeerde Staten kunnen de grens van een Stiltegebied nader bepalen. 3. Gedeputeerde Staten markeren de toegang of de grens van stiltegebieden door borden te plaatsen, waarvan zij het model hebben vastgesteld. Artikel 3.57 (toepassingsbereik) 1. In een Stiltegebied gelden de artikelen 3.58 en 3.59. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de agrarische bedrijfsvoering in gebieden als bedoeld in artikel 1.2, vijfde lid, van de Wet milieubeheer; b. handelingen als het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting of op het veranderen van de werking daarvan. Artikel 3.58 (toestellen) Het is verboden een toestel te gebruiken dat het ervaren van de natuurlijke geluiden kan verstoren. Artikel 3.59 (terreinrijden) Het is verboden zich met een motorvoertuig of bromfiets te bevinden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen. Hoofdstuk 8 Overgangs- en slotbepalingen Afdeling 8.1 Overgangsrecht hoofdstuk 2 Ruimte Artikel 8.1 (doorwerking instructieregel in bestemmingsplan) Een instructieregel in hoofdstuk 2 is van toepassing op een bestemmingsplan dat na de datum van inwerkingtreding van die regel wordt vastgesteld, tenzij het ontwerpbestemmingsplan voor de datum van inwerkingtreding van die regel ter inzage is gelegd en op dat ontwerp door Gedeputeerde Staten geen zienswijze is ingediend. In afwijking van het eerste lid is een instructieregel gesteld in de artikelen 2.15, 2.16, 2.17 en 2.34 van toepassing op een op de datum van inwerkingtreding van die instructieregel vigerend bestemmingsplan, voor zover dat bestemming