Rechtspraak Raad van State 2026-04-22
ECLI:NL:RVS:2026:2282
202500369/1/R3 en 202500372/1/R3 Datum uitspraak: 22 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak, deels tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: 1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend in Emmen, 2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend in Emmen, 3. [appellant sub 3], wonend in Emmen, 4. [appellant sub 4], wonend in Emmen, appellanten, en 1. de raad van de gemeente Emmen, 2. het college van burgemeester en wethouders van Emmen, verweerders. Procesverloop Bij besluit van 24 oktober 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Emmen, Delftlanden 3.0" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] beroep ingesteld (zaaknummer 202500369/1/R3). Bij besluit van 24 oktober 2024 heeft het college hogere geluidgrenswaarden vastgesteld voor het bestemmingsplan "Emmen, Delftlanden 3.0". Tegen dit besluit hebben [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellant sub 4] beroep ingesteld (zaaknummer 202500372/1/R3). De raad heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaken op een zitting behandeld op 2 maart 2026, waar [appellant sub 3], [appellant sub 4], bijgestaan door mr. P.R. Botman, advocaat in Tilburg, en de raad en het college, vertegenwoordigd door F. de Jonge, vergezeld door [persoon A], [persoon B] en [persoon C], zijn verschenen. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Op 1 januari 2024 is ook de Aanvullingswet geluid Omgevingswet in werking getreden. Zoals in de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5198, is overwogen, blijft op een besluit tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in zones langs provinciale wegen het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit onherroepelijk is. Maar dan moet die hogere waarde wel zijn vastgesteld ten behoeve van een besluit waarvoor een aanvraag is ingediend of waarvan een ontwerp ter inzage is gelegd vóór het tijdstip waarop de onder artikel 3.5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet bedoelde besluiten tot vaststelling van geluidproductieplafonds als omgevingswaarden in werking zijn getreden. De hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting zijn vastgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan "Emmen, Delftlanden 3.0" waarvan het ontwerp op 28 december 2023 ter inzage is gelegd. Dat betekent dat zowel op de beroepsprocedure tegen het bestemmingsplan als op het besluit tot vaststelling van de hogere waarden het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, de Crisis- en herstelwet en de Wet geluidhinder, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. Inleiding 2. Het bestemmingsplan voorziet in maximaal 328 woningen, waarvan 248 grondgebonden woningen en maximaal 80 appartementen (Delftlanden fase I). Daarnaast voorziet het plan in een actualisatie van het vorige bestemmingsplan "Emmen, Delftlanden", dat is vastgesteld op 30 januari 2020. Het plangebied ligt ten zuidwesten van de kern Emmen. Het plangebied wordt in het noorden begrensd door het Noordbargerbos en de Rondweg, aan de oostzijde door de Nieuw-Amsterdamsestraat en het bedrijvenpark Waanderveld en in het westen door de Sleenerstroom. In het zuiden vormt Delftlanden een overgang naar het open landbouwgebied in het beekdal van de Slee 9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. De beroepen tegen het bestemmingsplan (zaaknr. 202500369/1/R3) Toetsingskader 10. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen. Ingetrokken beroepsgrond 11. [appellant sub 4] heeft op de zitting zijn beroepsgrond over het speelpark "de Delftse tuin", ingetrokken. Alternatieven 12. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellant sub 3] betogen dat het niet noodzakelijk is om de voorziene woningen in het plangebied te realiseren, want de raad heeft intussen een voorkeursrecht gevestigd op gronden in het gebied Delftlanden fase II en III. Die gronden zijn volgens hen om verschillende redenen geschikter voor de beoogde woningbouw. Zo liggen de gebieden verder van bestaande woningen en is er genoeg ruimte, ook voor geluidwerende voorzieningen. Verder kan er een nieuwe ontsluitingsstructuur worden aangelegd en kan de waterhuishouding beter worden ingericht. Door vast te houden aan een suboptimale locatie terwijl er geschikte alternatieve locaties voorhanden zijn, handelt de raad volgens [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] in strijd met het klimaatadaptatiebeleid en met het gemeentelijk beleid in de Woonvisie, die uitgaat van zorgvuldige inpassing. 12.1. De raad moet bij de keuze van een bestemming een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven moeten in die afweging worden meegenomen. De raad stelt zich op het standpunt dat de gemeente Emmen de ambitie heeft om de komende jaren te groeien naar 120.000 inwoners. Daarom wil de gemeente vóór 2030 ten minste 4.000 woningen aan de bestaande woningvoorraad toevoegen, in overeenstemming met de Woonvisie "BuitengeWoon Thuis in Emmen 2022-2030". Voor deze uitbreiding van de woningvoorraad is voor de wijk Delftlanden een aangepast stedenbouwkundig plan gemaakt, dat de basis heeft gevormd voor het bestreden plan. Verder kijkt de gemeente vooruit naar de periode tot 2040, waarin nog eens 6.000 woningen aan de voorraad worden toegevoegd. Deze aantallen kunnen alleen worden gerealiseerd als de gemeente uitbreidingslocaties aanwijst. De gronden van Delftlanden fase II en III zijn daarvoor uitdrukkelijk in beeld en daarom heeft de gemeente op die gronden intussen een voorkeursrecht gevestigd. Zoals de raad op de zitting heeft toegelicht, zijn dit geen geschikte alternatieve locaties voor de woningen waarin het bestreden plan voorziet, want deze gronden zijn de komende jaren nog niet beschikbaar en bovendien ook nodig om aan een deel van de totale woningbouwopgave te voldoen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad hiermee toereikend gemotiveerd waarom hij de woningen niet op de door [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellant sub 3] aangedragen locaties mogelijk heeft gemaakt. Het betoog slaagt niet. Externe veiligheid 13. [appellant sub 3] betoogt dat de gasleiding ten noorden van het plangebied zorgt voor aanzienlijke veiligheidsrisico’s voor de voorziene woningen. 13.1. In paragraaf 4.4.1 van de plantoelichting staat dat het plangebied gedeeltelijk binnen het invloedsgebied ligt van een hogedruk aardgastransportleiding van Gasunie, met kenmerk N-522-60. 13.2. Het belang van [appellant sub 3] is erin gelegen dat hij gevrijwaard blijft van nadelige gevolgen van het plan voor zijn woon- en leefklimaat Waterhuishouding 16. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellant sub 3] betogen dat er in het plangebied al sprake is van wateroverlast. Zij vrezen dat deze overlast nog verder zal toenemen als gevolg van het plan. Volgens hen is in de watertoets onvoldoende rekening gehouden met klimaatrisico’s, de toename van verharding, cumulatieve effecten van de bestaande waterproblematiek en de specifieke aanduiding van het gebied als waterbergingsgebied. [appellant sub 3] voert aan dat de watertoets ten onrechte uitgaat van een gemiddelde verharding van 250 m² per woning, terwijl de werkelijke hoeveelheid verharding in de wijk veel hoger zal zijn door de verharding van tuinen, de aanleg van in- en uitritten, tuinhuizen en bergingen. Ook voert hij aan dat in de watertoets rekening is gehouden met het sluiten van de compartimentskering, maar die kering is niet gesloten waardoor het geborgen water boven +14,55 m NAP alsnog in verbinding komt met de Sleenerstroom. 16.1. Aan het bestemmingsplan ligt het door Aveco de Bondt opgestelde rapport "Watertoets Delftlanden 3.0 Emmen" van 31 maart 2023 ten grondslag. Deze watertoets is als bijlage 14 bij de plantoelichting gevoegd. Onder verwijzing naar de watertoets is in paragraaf 4.6 van de plantoelichting een beschrijving gegeven van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. In tabel 5-1 van de watertoets is een waterbalans opgenomen. De berekende benodigde waterberging bedraagt 22.000 m³, waarbij rekening is gehouden met 250 m² verhardingstoename per woning, inclusief openbare verhardingen. De benodigde waterberging is vervolgens getoetst aan de in het plangebied aanwezige waterberging, die bestaat uit een waterberging in oppervlaktewater, wadi’s en hemelwaterriool. De capaciteit van de bestaande waterberging bedraagt opgeteld 29.095 m³. In paragraaf 6 van de watertoets wordt geconcludeerd dat deze capaciteit voldoende is om de toename aan hemelwater in het plangebied te kunnen bergen. Op basis van de gehanteerde uitgangspunten is een overschot van 7.095 m³ waterberging berekend. Daarnaast zijn er mogelijkheden om de waterbergingscapaciteit nog verder uit te breiden en water vertraagd af te voeren en te infiltreren, bijvoorbeeld door de aanleg van wadi’s of de afronding van overstromingsvlakten. Ook is ervan uitgegaan dat de bebouwing op een voldoende hoog niveau gebouwd wordt om de gewenste ontwateringsdiepte te behalen en (grond)wateroverlast te voorkomen. De vuilwaterafvoer zal worden aangesloten op het bestaande gescheiden rioolstelsel onder de Griendzoom, dat mede is ontworpen op de toename als gevolg van het bestreden plan. In de plantoelichting staat dat het waterschap Vechtstromen is betrokken bij het opstellen van de watertoets en een positief wateradvies heeft gegeven. Geconcludeerd wordt dat de waterhuishouding geen belemmering vormt voor de uitvoering van het plan. 16.2. De niet nader gemotiveerde stelling van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] over klimaatrisico’s geeft geen aanleiding voor de conclusie dat de watertoets op dit punt zulke leemten in kennis bevat dat de raad zich daarop bij de vaststelling van het bestemmingsplan in zoverre niet heeft mogen baseren. Dat geldt ook voor de niet nader gemotiveerde stelling over de specifieke aanduiding van het gebied als waterbergingsgebied. In de zienswijzennota stelt de raad dat aan een deel van de gronden die in het vorige bestemmingsplan de bestemming "Groen - Structuurgroen" hadden, de aanduiding "specifieke vorm van groen - structuurgroen - waterbergingsgebied" was toegekend. Die aanduiding is in het bestreden plan niet aan gronden toegekend, maar een deel van het gebied behoort volgens de raad nog steeds tot het zoekgebied voor mogelijkheden om extra waterberging te realiseren. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] hebben geen redenen aangevoerd waarom deze weerlegging van de zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. De Afdeling merkt daarbij n Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad dat gedaan. De bestaande wegen in het plangebied zullen weliswaar drukker worden als gevolg van het plan, maar de raad heeft toereikend gemotiveerd dat daarmee bij het ontwerp van de wegenstructuur rekening is gehouden. In paragraaf 3.2.4 van de plantoelichting en in het verweerschrift heeft de raad toegelicht dat de infrastructuur van het plangebied, waaronder wegen, al grotendeels is aangelegd. De wegenstructuur is gebaseerd op vorige bestemmingsplannen, waarin werd voorzien in de bouw van substantieel meer woningen dan de 328 woningen die het bestreden plan nu mogelijk maakt. De wegen zijn niet gewijzigd, terwijl er met het bestreden plan minder verkeersbewegingen zullen zijn dan eerder verwacht. [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellant sub 3] hebben dit standpunt van de raad niet bestreden, zodat de Afdeling geen aanleiding ziet om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Over de inrichting van de westzijde van de weg Oude Delft heeft de raad nog toegelicht dat deze weg een ontsluitingsfunctie heeft voor alle woonvelden en is vormgegeven volgens de CROW-richtlijnen. Er mag 50 km per uur worden gereden, met uitzondering van de verkeerspleintjes waar een maximumsnelheid van 30 km uur geldt. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat de totale intensiteit op de weg Oude Delft onder de gewenste maximale intensiteit blijft van 2.000 motorvoertuigen per etmaal waarmee destijds rekening is gehouden bij de inrichting van de weg. Extra maatregelen zijn daarom volgens de raad niet nodig. [appellant sub 3] heeft dit niet bestreden, zodat de Afdeling geen reden ziet om de raad niet te volgen in zijn standpunt dat het verkeer ook daar veilig kan worden afgewikkeld. Over het aanleggen van overige verhardingen stelt de raad dat hij daarin terughoudend is, omdat bij het inrichten van de wegenstructuur rekening heeft gehouden met het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA), dat als doel heeft om wateroverlast, droogte, hittestress en de gevolgen van overstromingen te beperken. Vanwege de structuur van de wijk Delftlanden heeft de raad ervoor gekozen om geen voetpaden aan te leggen. Wel zijn koppelingen gemaakt tussen de woonvelden en het fietspad "Zandzoom", waarvan voetgangers naar alle waarschijnlijkheid ook gebruik zullen maken, ook omdat de Zandzoom uitkomt in het centrumgebied. Voor de fietsaansluitingen vanuit Boswonen en de Landelijke clusters op de Zandzoom zijn aanpassingen gedaan, maar voor het overige zijn in de bestaande verkeersstructuur geen aanpassingen voorzien. De Afdeling ziet in het aangevoerde ook in zoverre geen reden voor het oordeel dat de verkeerstoename als gevolg van het plan tot verkeersonveilige situaties zal leiden. De betogen slagen niet. Verwachtingen, uitzicht, privacy en waardevermindering woningen 18. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de raad ten onrechte het bestemmingsplan heeft vastgesteld, omdat zij hun woningen destijds hebben gekocht in de veronderstelling dat sprake zou zijn van een rustige, stabiele en groene omgeving. Zij voeren aan dat het plan zorgt voor een onaanvaardbare aantasting van hun uitzicht en privacy en vrezen dat hun woningen als gevolg van het plan in waarde zullen dalen. 18.1. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Hieruit volgt dat [appellant sub 1] en anderen geen aanspraak kunnen maken op een blijvend vrij uitzicht vanuit de woning, ook niet als het vorige bestemmingsplan daar geen bebouwing toestond. In hun beroep ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van een aantasting van het woon- en leefklimaat of een waardevermindering van hun woningen die zodanig zal zijn, dat de raad daaraan bij de afweging van de belangen een groter gewicht