Rechtspraak Raad van State 2026-04-22
ECLI:NL:RVS:2026:2278
202206879/1/A3. Datum uitspraak: 22 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. [appellant], wonend in [woonplaats], 2. het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, appellanten, tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 11 maart 2022 en van 24 oktober 2022 in zaak nr. 20/4177 in het geding tussen: [appellant] en het college. Procesverloop Bij besluit van 3 januari 2020 heeft het college het verzoek van [appellant] om inzage in zijn persoonsgegevens in de periode van 1 januari 2012 tot en met 1 oktober 2019 gedeeltelijk ingewilligd. Bij besluit van 30 juni 2020 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en aanvullende inzage gegeven. Bij tussenuitspraak van 11 maart 2022 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het college in de gelegenheid gesteld een in die uitspraak geconstateerd gebrek aan dat besluit te herstellen. Bij besluit van 19 april 2022 heeft het college de onderbouwing van het besluit van 30 juni 2020 aangevuld. Bij uitspraak van 24 oktober 2022 (de einduitspraak) heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 juni 2020 vernietigd maar de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten. Tegen de tussenuitspraak en de einduitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Het college heeft ook voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. [appellant] heeft een zienswijze gegeven op het incidenteel hoger beroep. [appellant] heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak behandeld op de zitting van 13 februari 2026, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. D.J.J. Straver, P.S. Niessen, mr. R.J.M. Codrington en mr. E.A. Malokhvei, advocaat in Amsterdam, zijn verschenen. Het college heeft een nader stuk ingediend. [appellant] heeft een reactie daarop gegeven. De Afdeling heeft vervolgens het onderzoek gesloten. Overwegingen Inleiding 1. De artikelen uit de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) die in deze zaak van belang zijn, staan in de bijlage die hoort bij deze uitspraak. 2. [appellant] heeft tot 1 juli 2011 gewerkt bij de gemeente Rotterdam. Hij is ontslagen nadat er verdenkingen waren dat [appellant] fraudeerde. Daarover zijn meerdere procedures gevoerd bij de strafrechter en de burgerlijke rechter. [appellant] wil weten welke persoonsgegevens van hem door de gemeente zijn verwerkt in de periode van deze procedures. Het college heeft [appellant] in totaal vier overzichten van zijn persoonsgegevens gegeven. [appellant] zegt dat hij met die overzichten niet kan controleren of zijn persoonsgegevens correct worden verwerkt en dat er meer persoonsgegevens moeten zijn. Bovendien zijn er volgens [appellant] meer verwerkingen van zijn persoonsgegevens geweest dan op de overzichten staan onder meer door uitwisseling van de verslagen van de regio-overleggen. Oordeel van de Afdeling 3. De Afdeling geeft [appellant] gelijk voor zover het gaat om de verslagen van de regio-overleggen. Voor het overige oordeelt de Afdeling dat [appellant] heeft gekregen waarom hij heeft verzocht. Omdat het hoger beroep slaagt, komt de Afdeling ook toe aan het incidenteel hoger beroep van het college. Daarin heeft het college betoogd dat [appellant] misbruik van recht maakt met deze procedure. Dat gaat over de ontvankelijkheid van het hoger beroep van [appellant]. Daarom zal de Afdeling eerst beoordelen of sprake is van misbruik van recht. Beoordeling van het incidenteel hoger beroep van het college Maakt [appellant] misbruik van recht? 4. De Afdeling oordeelt dat [appellant] in deze procedure geen misbruik van recht maakt. De reden daarvoor is dat het in deze zaak gaat om het eerste verzoek bij het college om inzage in zijn persoonsgegevens. Voor de Afdeling staat niet vast dat [appellant] dat eerste verzoek uitsluitend heeft Tot slot voert [appellant] tegen de einduitspraak aan dat de rechtbank daarin ten onrechte overweegt dat zij niet ingaat op wat hij na de tussenuitspraak heeft aangevoerd omdat in de tussenuitspraak staat dat hij mag reageren op het nadere besluit. Beoordeling van het hoger beroep van [appellant] 8. De stukken uit het dossier en dat wat op de zitting is gezegd door partijen vormen de basis van het oordeel van de Afdeling over het hoger beroep, ook al komt niet ieder betoog terug in de overwegingen van deze uitspraak. De Afdeling verduidelijkt ook dat zij in deze uitspraak alleen beoordeelt wat [appellant] aanvoert over zijn inzageverzoek. Wat [appellant] heeft aangevoerd over ander soort verzoeken op grond van de AVG en in hoeverre het college de AVG juist toepast, is in dit kader niet relevant en laat de Afdeling buiten beschouwing. Tussenuitspraak Vallen de verslagen van de regio-overleggen binnen het verzoek? 9. Anders dan de rechtbank oordeelt de Afdeling dat de verslagen van de regio-overleggen vallen binnen de omvang van het inzageverzoek. Niet in geschil is dat in de verslagen van de regio-overleggen uit 2010 persoonsgegevens van [appellant] voorkomen. Het jaar waarin die verslagen van regio-overleggen zijn opgesteld, valt weliswaar buiten de periode waarop het verzoek ziet, maar de persoonsgegevens in die verslagen zijn binnen die periode verwerkt. De verslagen zijn immers verstrekt in de periode waarop het inzageverzoek ziet. Deze verslagen zaten in de dataverzameling die op 27 november 2021 door het college aan KPMG is verstrekt en op 17 september 2018 door KPMG aan de gemeente zijn overhandigd. Het verstrekken en ontvangen van de verslagen van de regio-overleggen is een nieuwe verwerking van de in die verslagen voorkomende persoonsgegevens. Het betoog van het college dat [appellant] deze procedure gebruikt om nogmaals een debat te kunnen voeren over de inhoud en authenticiteit van de verslagen is in dit kader niet van belang. Het betoog van [appellant] dat de herkomst van de verslagen die zijn opgenomen onder de nummers 2, 8, 29, 30, 34, 35, 36 en 37 van de zogenoemde bijlage B moet worden gecorrigeerd, past ook niet in deze procedure over het verzoek om inzage en wordt dus verder niet besproken. Het betoog slaagt. Moet inzage in de rechtsgronden voor verwerking worden gegeven? 10. Uit de tekst van artikel 15 van de AVG volgt dat een verzoeker van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel moet kunnen krijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van onder meer de verwerkingsdoeleinden, de betrokken categorieën van persoonsgegevens en de ontvangers of categorieën van ontvangers. De rechtsgrond van de verwerking staat daar niet bij. Zoals het Hof van Justitie van de Europese Unie echter heeft bevestigd, geeft artikel 15, gezien de bewoordingen, context en doelstelling, het recht op inzage in de verwerkingsdoeleinden van de persoonsgegevens (zie het arrest van 22 juni 2023, ECLI:EU:C:2023:501, punten 56-58). Met het geven van de doeleinden is in sommige gevallen niet duidelijk op welke rechtsgrondslag de verwerking van de persoonsgegevens is geweest en zal ook de informatie daarover op een toegankelijke manier beschikbaar moeten worden gesteld aan de betrokkene (zie ook de "Richtsnoeren 01/2022 over de rechten van betrokkenen — Recht van inzage" van de European Data Protection Board, onder punt 114). In de verstrekte overzichten staat overwegend per document aangegeven met welk doel de persoonsgegevens zijn verwerkt en staat niet meer dan één doel per document. De Afdeling oordeelt dat zo voldoende duidelijk is dat de genoemde doeleinden die per document staan vermeld, gelden voor alle daarin voorkomende persoonsgegevens. In de verstrekte overzichten staan niet de rechtsgronden vermeld. [appellant] heeft voor de verwerking van de persoonsgegevens door KPMG aannemelijk gemaakt dat hij aan de KPMG-rapporten 13.1. Volgens [appellant] moeten er meer versies van de KPMG-rapporten zijn. Zoals volgt uit eerdere uitspraken van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 7 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1519), moet degene die stelt dat er meer persoonsgegevens zijn nadat het bestuursorgaan onderzoek naar die persoonsgegevens heeft gedaan en niet ongeloofwaardig heeft medegedeeld dat er niet meer persoonsgegevens zijn, aannemelijk maken dat er wel meer persoonsgegevens moeten zijn. De Afdeling volgt de rechtbank in haar oordeel dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er geen andere tussentijdse (concept-)rapporten van KPMG zijn dan genoemd in het overzicht. [appellant] heeft geen argumenten aangevoerd waarom het oordeel van de rechtbank onjuist is. Is het overzicht compleet? 13.2. Volgens [appellant] ontbreken op de overzichten verwerkingen. Het college stelt dat het alle persoonsgegevens heeft verstrekt waarover het nog beschikt. Het heeft eerst onderzoek gedaan in zijn eigen administratieve systemen en in zijn bestuurlijke systemen en daarvan een overzicht gemaakt (Bijlage A). Vervolgens heeft het college aan de hand van een lijst van [appellant] opnieuw gezocht in het systeem en de gevonden persoonsgegevens verstrekt (Bijlage B). Tijdens de beroepsprocedure heeft het college de eerdere overzichten aangevuld (Bijlage C). Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het college tot slot een verduidelijking en aanvulling verstrekt over de verwerkte persoonsgegevens in het juridisch dossier. Gezien deze zoektocht vindt de Afdeling het geloofwaardig dat het college niet over meer persoonsgegevens beschikt. [appellant] heeft gewezen op twee brieven en op persoonsgegevens die met Divosa zijn gedeeld. De Afdeling oordeelt dat [appellant] hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat het college nog beschikt over deze documenten of over de verwerkingen van persoonsgegevens daarvan. De Afdeling ziet in wat [appellant] heeft aangevoerd dus geen grond voor het oordeel dat de persoonsgegevens daarvan op het overzicht hadden moeten worden vermeld en dat dat overzicht dus onvolledig is. Conclusie einduitspraak 13.3. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college het gebrek dat zij in de tussenuitspraak heeft geconstateerd, heeft hersteld met het overzicht over het juridisch dossier en de gegeven nadere toelichting. De rechtbank heeft bij haar oordeel ook betrokken wat [appellant] heeft aangevoerd tegen het aanvullende besluit van het college van 19 april 2022 en het daarbij verstrekte overzicht van het juridisch dossier. In overweging 9 van de einduitspraak heeft zij slechts overwogen dat zij niet zal ingaan op wat [appellant] na de tussenuitspraak heeft aangevoerd over de beroepsgronden die daarin niet slagen en de onderdelen waarover het college niet opnieuw hoeft te beslissen. Conclusie en proceskosten 14. Het hoger beroep is gegrond. Het college moet met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling en de tussenuitspraak van de rechtbank, voor zover deze niet is aangevochten, een nieuw besluit nemen over de verslagen van de regio-overleggen. Verder zal de Afdeling bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar van 30 juni 2020 in stand blijven voor zover dat gaat over het vermelden van de rechtsgrondslag voor de verwerking van de persoonsgegevens door KPMG. [appellant] heeft gevraagd om een dwangsom op te leggen aan het college. De Afdeling ziet daarvoor geen aanleiding. 15. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep van [appellant] gegrond; II. draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam op opnieuw te beslissen op het bezwaar van [appellant] voor zover het gaat om de verslagen van de regio-overleggen; III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit op bezwaar van 30 juni 2020 in stand blijven voor zover dat gaat over het vermelden De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan: a) de betrokkene heeft toestemming gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens voor een of meer specifieke doeleinden; b) de verwerking is noodzakelijk voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of om op verzoek van de betrokkene vóór de sluiting van een overeenkomst maatregelen te nemen; c) de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust; d) de verwerking is noodzakelijk om de vitale belangen van de betrokkene of van een andere natuurlijke persoon te beschermen; e) de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen; f) de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is. De eerste alinea, punt f), geldt niet voor de verwerking door overheidsinstanties in het kader van de uitoefening van hun taken. 2. […]. Artikel 12Transparante informatie, communicatie en nadere regels voor de uitoefening van de rechten van de betrokkene 1. […] 5. Het verstrekken van de in de artikelen 13 en 14 bedoelde informatie, en het verstrekken van de communicatie en het treffen van de maatregelen bedoeld in de artikelen 15 tot en met 22 en artikel 34 geschieden kosteloos. Wanneer verzoeken van een betrokkene kennelijk ongegrond of buitensporig zijn, met name vanwege hun repetitieve karakter, mag de verwerkingsverantwoordelijke ofwel: a) een redelijke vergoeding aanrekenen in het licht van de administratieve kosten waarmee het verstrekken van de gevraagde informatie of communicatie en het treffen van de gevraagde maatregelen gepaard gaan; ofwel b) weigeren gevolg te geven aan het verzoek. Het is aan de verwerkingsverantwoordelijke om de kennelijk ongegronde of buitensporige aard van het verzoek aan te tonen. 6. […]. Artikel 15 Recht van inzage van betrokkene 1. De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie: a) de verwerkingsdoeleinden; b) de betrokken categorieën van persoonsgegevens; c) de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties; d) indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen; e) dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht tegen die verwerking bezwaar te maken; f) dat de betrokkene het recht heeft klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit; g) wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene worden verzameld, alle beschikbare informatie over de bron van die gegevens; h) het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene. 2. Wanneer persoonsgegevens worden doorgegeven aan een derde land of een internationale organisatie, heeft de betrokkene het recht in kennis te worden gesteld va