Rechtspraak Raad van State 2026-04-22
ECLI:NL:RVS:2026:2270
202506154/1/R1. Datum uitspraak: 22 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen: 1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend in Utrecht, 2. [appellant sub 2], wonend in Utrecht, appellanten, en het college van burgemeester en wethouders van Utrecht, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 14 november 2025 heeft het college onder meer de locatie Van Speijkstraat ter hoogte van nummer 6 in Utrecht aangewezen voor het plaatsen van een bovengrondse container voor groente, fruit en etensresten (gfe-container). Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 maart 2026, waar [appellant sub 1A], bijgestaan door mr. R. Lie-A-Lien, rechtsbijstandverlener in Amsterdam, [appellant sub 2], en het college, vertegenwoordigd door mr. D. Rietberg en drs. R.P. Klaasen, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. Met het besluit van 14 november 2025 heeft het college 22 locaties aangewezen voor het plaatsen van gfe-containers in de Zeeheldenbuurt in Utrecht. Onder meer is de locatie Van Speijkstraat tegenover nummer 6, op de hoek met de M.H. Trompstraat aangewezen (locatie 4.09). De gfe-containers zijn volgens de bij het besluit behorende Beantwoording zienswijzen bedoeld voor bewoners van hoogbouw, appartementen, bovenwoningen en woningen op de begane grond zonder tuin. De betreffende huishoudens hebben nu geen kliko (140 liter), maar maken voor het apart inleveren van het gfe-afval meestal gebruik van een zogenoemde citybin (40 liter). Vanaf de plaatsing van de gfe-containers zullen de citybins niet meer worden geleegd. De gfe-container vervangt dus de citybin. Tuinafval mag en past niet in de gfe-container. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] wonen in de directe nabijheid van locatie 4.09. Zij zijn het niet eens met de plaatsing van een gfe-container op deze locatie. Beoordelingskader 2. Bij de keuze van een locatie voor afvalcontainers moet het college een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het locatieplan. Daarbij heeft het college beleidsruimte. De Afdeling beoordeelt, aan de hand van de beroepsgronden, of de nadelige gevolgen van de aanwijzing van de locatie niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de aanwijzing te dienen doelen. Daarbij beoordeelt zij of het college de locatie geschikt heeft mogen achten voor de plaatsing van de afvalcontainer. Als dat zo is, beoordeelt de Afdeling vervolgens of het college toch had moeten afzien van aanwijzing van de locatie vanwege een geschiktere alternatieve locatie. Een alternatieve locatie moet zodanig geschikter zijn dan de aangewezen locatie, dat geoordeeld moet worden dat het college niet heeft mogen vasthouden aan zijn keuze voor de aangewezen locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie. 3. Bij het aanwijzen van een locatie hanteert het college de plaatsingsrichtlijnen zoals die zijn neergelegd in de "Beleidsregel Afwegingskader voor het bepalen van een locatie voor inzamelvoorzieningen en aanbiedplaatsen voor minicontainers gemeente Utrecht" van 4 maart 2025 (beleidsregel). In artikel 2 staan de algemene uitgangspunten opgenomen en in artikel 4 staat het kader specifiek voor locaties voor gfe-containers. Deze artikelen zijn opgenomen in de bijlage, die onderdeel is van deze uitspraak. Beoordeling van de beroepsgronden 4. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] betogen dat het aanwijzingsbesluit niet met de benodigde zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Zij hebben hierover aangevoerd dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan en onvoldoende inzichtelijk heef Het aantal te plaatsen gfe-containers in de wijk is daarop afgestemd. In de Beantwoording zienswijzen heeft het college toegelicht dat de locaties voor gfe-containers zijn bepaald aan de hand van de daarvoor in artikel 4 van de beleidsregel voorgeschreven voorkeursvolgorde en dat gfe-containers zo dicht mogelijk bij de ingang van hoogbouw, appartementen of bovenwoningen worden geplaatst. Naar het oordeel van de Afdeling volgt hieruit dat het aantal huishoudens dat gebruik gaat maken van de gfe-container mede bepalend is geweest voor de keuze van een locatie. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] hebben de stelling van het college dat er rondom locatie 4.09 meerdere woningen zijn waarvoor de gfe-container volgens het aanwijzingsbesluit is bedoeld, gemotiveerd betwist. Zij hebben op de zitting een nadere toelichting gegeven over het type woningen in de op de kaart ingetekende groene woonvlakken. Daarmee hebben zij twijfel gezaaid over de deugdelijkheid en juistheid van het aan het besluit ten grondslag liggende onderzoek en de daarop gebaseerde conclusie dat er dichtbij bij de locatie meerdere woningen zijn waarvoor de gfe-container op de aangewezen locatie volgens het aanwijzingsbesluit is bedoeld. Omdat het college die twijfel op de zitting niet weg heeft kunnen nemen, is onduidelijk gebleven of het college bij de toetsing van de locatie aan de plaatsingsrichtlijnen van de juiste gegevens is uitgegaan. Aangezien het college in de zienswijzefase andere locaties heeft laten vervallen omdat er bij die locaties niet voldoende hoogbouw of bovenwoningen zijn en gfe-containers op die locaties uit een oogpunt van een evenwichtige spreiding van gfe-containers in de wijk volgens het college niet nodig zijn, heeft het college niet deugdelijk gemotiveerd waarom locatie 4.09 in overeenstemming is met de plaatsingsrichtlijnen. 4.4. Het college heeft zich na het nemen van het aanwijzingsbesluit op het standpunt gesteld dat de voorziene gfe-container niet alleen is bedoeld voor de in het besluit vermelde type woningen, maar ook voor woningen met een tuin zonder achterom en voor studentenhuizen. De studenten worden daarbij ieder als een afzonderlijk huishouden aangemerkt. Daarvan uitgaande, heeft nader onderzoek in de omgeving van de locatie uitgewezen dat er in de buurt van de locatie voldoende woningen zijn waarvoor de gfe-container is bedoeld, aldus het college. Nog daargelaten dat het college dit niet aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd, heeft het college het motiveringsgebrek met deze aanvulling niet hersteld. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] hebben gemotiveerd betwist dat de huishoudens van de betreffende extra genoemde woningen en studentenhuizen gebruik gaan maken van de voorziene gfe-container. Zij hebben onweersproken toegelicht dat in de Zeeheldenbuurt de meeste woningen met een tuin geen achterom hebben en dat de bewoners daarvan gebruik maken van een kliko. Ook de bewoners van de op de kaart geel omcirkelde studentenhuizen maken gebruik van een kliko. In het licht van het aan het aanwijzingsbesluit ten grondslag liggende uitgangspunt dat de gfe-container de citybin vervangt en er voor woningen met een kliko niets verandert, heeft het college niet duidelijk kunnen maken waarom ook woningen met tuin zonder achterom en studentenhuizen gebruik zullen maken van de voorziene gfe-container. Het betoog slaagt. 5. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] betogen verder dat het college bij de aanwijzing van de locatie onvoldoende rekening heeft gehouden met de locatie-specifieke omstandigheden. Zij wijzen er op dat een gfe-container op deze plek, dichtbij het gemeentelijk monument aan de M.H. Trompstraat 7 en een meer dan 100 jaar oude magnolia, zowel het straatbeeld en het beschermd stadsgezicht als de monumentale waarden van het pand aan M.H. Trompstraat 7 zal aantasten. Ook zal een gfe-container op deze locatie afbreuk doen aan de recreatieve funct [appellant sub 2] stelt ook dat bestaande ORAC-locaties geschikter zijn, net als de niet onderzochte locatie aan de Admiraal van Gentsraat tegenover nummer 2. 6.1. Het college heeft over de bestaande ORAC-locaties waaronder die aan de Poortstraat toegelicht dat deze te ver verwijderd zijn van de woningen waarvoor de gfe-container is bedoeld. Omdat de aangedragen alternatieve locatie aan de Admiraal van Gentstraat 2 aan de rand van het tussenliggende gebied en dus niet centraal van de woningen ligt, is ook deze volgens het college minder geschikt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich met deze motivering op het standpunt mogen stellen dat deze alternatieve locaties niet geschikter zijn voor plaatsing van de gfe-container dan locatie 4.09 en dus niet in de weg staan aan de aanwijzing van de locatie. Het betoog slaagt niet. Conclusie 7. De conclusie is dat het besluit van 14 november 2025, voor zover dat betrekking heeft op de aanwijzing van locatie 4.09, in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb niet deugdelijk is gemotiveerd en niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling het college opdragen om het onder 4.3 geconstateerde motiveringsgebrek te herstellen binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak. Het college kan dit doen door, met inachtneming van wat onder 4.3 is overwogen, na te gaan hoeveel woningen er in de buurt van de locatie 4.09 zijn waarvoor de gfe-container volgens het aanwijzingsbesluit is bedoeld. Het college moet vervolgens toereikend motiveren dat deze locatie, in het licht van de in artikel 2 en 4 van de beleidsregel opgenomen richtlijnen over een goede spreiding en de te hanteren voorkeursvolgorde, aanvaardbaar is en het besluit daarom in stand kan blijven, dan wel een gewijzigd of nieuw besluit nemen. In die motivering moet het college ook de vervallen locatie op de hoek Van Brakelstraat/M.H. Trompstraat betrekken, aangezien het vervallen van die locatie samenhangt met de aanwijzing van locatie 4.09. Het college moet de Afdeling, [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] de uitkomst schriftelijk meedelen en een eventueel gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendmaken en meedelen. Bij de voorbereiding van een eventueel gewijzigd of nieuw besluit hoeft afdeling 3.4 van de Awb niet opnieuw te worden toegepast. 8. In de einduitspraak wordt beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: draagt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin onder 4.3 is overwogen: a. het onder 4.3 omschreven gebrek in het besluit van 14 november 2025 te herstellen; b. de Afdeling en partijen de uitkomst mee te delen en een eventueel nieuw of gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen. Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier. w.g. Van Ravels lid van de enkelvoudige kamer w.g. Deen griffier Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026 604 BIJLAGE Beleidsregel Afwegingskader voor het bepalen van een locatie voor inzamelvoorzieningen en aanbiedplaatsen voor minicontainers gemeente Utrecht Artikel 2 Algemene uitgangspunten 1. Er wordt gestreefd naar een voldoende dekkend netwerk van inzamelvoorzieningen. 2. Er wordt gestreefd naar een goede spreiding van de inzamelvoorzieningen. 3. De locatie moet zoveel mogelijk voldoen aan de richtlijnen van verschillende beleidsvelden, genoemd in het Handboek Openbare Ruimte (HOR). a. Afwijkingen op het HOR kunnen aan de commissie BInG voorgelegd worden en, wanneer goed gemotiveerd, goedkeuring krijgen. 4. Er wordt gestreefd de richtlijn "Voetpaden voor iedereen" van Stichting Bouw Advies Toegankelijkheid