Rechtspraak Raad van State 2026-04-22
ECLI:NL:RVS:2026:2264
202502185/1/A2. Datum uitspraak: 22 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend in [woonplaats], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 20 februari 2025 in zaak nr. 24/3164 in het geding tussen: [appellante] en de minister van Financiën. Procesverloop Bij besluit van 9 november 2022 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aanvraag van [appellante] om overname van haar schulden bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (het UWV), [bedrijf] en Intrum Nederland afgewezen. Bij besluit van 6 juli 2023 heeft de minister, als rechtsopvolger van de Belastingdienst/Toeslagen, het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 juli 2023 vernietigd voor zover daarin is beslist over de schuld aan [bedrijf] en bepaald dat de minister die schuld moet overnemen. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 30 december 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door W. van Rheenen, rechtsbijstandverlener te Lisse, en de minister, vertegenwoordigd door drs. S.D. Lerrick en mr. M. Bouhoud, zijn verschenen. De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting, met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, geschorst en [appellante] in de gelegenheid gesteld nadere stukken in te dienen. Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft vervolgens het onderzoek gesloten. Overwegingen Intrekking 1. Op de zitting bij de Afdeling heeft [appellante] het hoger beroep over de overname van de schuld bij het UWV ingetrokken, met de toezegging van de minister dat de overname van die schuld alsnog wordt beoordeeld als de Centrale Raad van Beroep, waar een procedure aanhangig is over die schuld, tot het oordeel komt dat de schuld bij het UWV een private schuld is. Inleiding 2. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht). 3. In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. De voor dit geschil relevante bepalingen van die wet zijn opgenomen in de bijlage. 4. [appellante] is erkend gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft verzocht om overname van drie schulden. De eerste is een schuld bij het UWV van € 131.872,58; de tweede een schuld bij [bedrijf] van € 158.602,60; de derde een schuld bij Intrum Nederland van € 3.519,67. 5. Het geschil in hoger beroep gaat nog alleen over de schuld bij Intrum Nederland. Besluitvorming 6. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de schuld bij Intrum Nederland niet meer bestaat, omdat deze al door [appellante] is afgelost. De schuld voldoet daarom niet aan het vereiste, gesteld in artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wht, en komt dus niet voor overname in aanmerking. Beoordeling van het hoger beroep 7. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de schuld bij Intrum Nederland niet is bewezen, en dus niet voor overname in aanmerking komt. Zij stelt dat die schuld onder dwang is aangegaan om een negatieve BKR-registratie op te heffen, wat noodzakelijk was voor het verkrijgen van een hypotheek. 7.1. Niet in geschil is dat de schuld op het moment van de behandeling van de aanvraag van [appellante] niet meer bestond. De vraag ligt voor of de schuld op grond van artikel 4.1 van de Wht voor overname in aanmerking zou komen als deze niet was voldaan, omdat [appellante] die schuld met de door haar ontvangen compensatie, bedoeld in artikel 2.7 van de Wht, heef