Rechtspraak Raad van State 2026-04-22
ECLI:NL:RVS:2026:2262
202401070/1/R3. Datum uitspraak: 22 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A] en [appellant B], wonend in Leutingewolde, gemeente Noordenveld, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank NoordNederland van 5 januari 2024 in zaken nrs. 22/3871 en 22/4468 in het geding tussen onder meer: [appellant A] en het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld. Procesverloop Bij besluit van 7 juli 2022 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een woning met carport, het oprichten van een berging, het kappen van twee bomen en het aanleggen van een uitrit op het perceel [locatie 1] in Leutingewolde (het perceel). Bij besluit van 12 december 2022 heeft het college het door [appellant A] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij besluit van 16 januari 2023 heeft het college de bij besluit van 7 juli 2022 verleende omgevingsvergunning gewijzigd. Bij uitspraak van 5 januari 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:789, heeft de rechtbank onder meer het door [appellant A] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 12 december 2022 vernietigd en het college opgedragen om met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit te nemen. Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Bij besluit van 13 februari 2023 (lees: 2024) heeft het college het bezwaar van [appellant A] opnieuw ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning in stand gelaten, voor zover die was verleend voor het oprichten van een woning en een berging, het kappen van twee bomen en het aanleggen van een uitrit (het besluit van 13 februari 2024). Het college heeft het door [appellanten] gemaakte bezwaar tegen dit besluit doorgezonden aan de Afdeling. Bij besluit van 17 juli 2025 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het gewijzigd uitvoeren van het bij besluit van 7 juli 2022 vergunde bouwplan. Het college heeft het door [appellanten] gemaakte bezwaar tegen dit besluit doorgezonden aan de Afdeling. [appellanten] en de raad hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 december 2025, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.J.F. Nuijens, advocaat in Groningen, en E. Oosterloo, is verschenen. Verder is op de zitting [partij] als partij gehoord. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingsvet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 13 mei 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 2. Op 7 juli 2022 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor onder meer het in strijd met het bestemmingsplan "[locatie 1] en [locatie 2] in Leutingewolde" oprichten van een woning op het perceel. Op 16 januari 2023 heeft het college die omgevingsvergunning op verzoek van [partij] gewijzigd, waarmee is beoogd het bouwplan in overeenstemming te brengen met het bestemmingsplan. Daartoe worden de arkenelen vervangen door dakkappelen, zodat de maximale goothoogte niet langer wordt overschreden. 3. [appellanten] wonen naast het perceel op [locatie 3] en kunnen zich niet met de verleende omgevingsvergunning verenigen. De rechtbank heeft het beroep van [appellant A] tegen het besluit over de omgevingsvergunning gegrond verklaard. [appellanten] kunnen zich in een deel van de uitspraak nie Voor bouwwerken die niet of niet aan alle zijden door wanden omsloten worden, wordt de loodrechte projectie van de dakrand op het maaiveld als buitenwerkse gevelvlak aangemerkt;" Artikel 2.9 luidt: "[...] Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 0,5 m bedraagt." 6.3. Tussen partijen is niet in geschil dat als de oppervlakte van de inham wordt betrokken bij het bepalen van de oppervlakte van de woning, die oppervlakte groter is dan 150 m2 en dus in strijd met artikel 4.2.2, aanhef en onder c, van de planregels. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat in dit geval de inham moet worden betrokken bij het bepalen van de oppervlakte van de woning. Daarover overweegt de Afdeling als volgt. Weliswaar is de inham gelet op de tekeningen bij de omgevingsvergunning niet voorzien van een dak, maar de houten balken van de dakconstructie lopen boven de inham wel door. Omdat deze doorlopende balken onderdeel zijn van de constructie van de woning, kwalificeren deze balken naar het oordeel van de Afdeling als een niet-ondergeschikt bouwonderdeel in de zin van artikel 2.5 van de planregels, zodat die boven de inham doorlopende constructie betrokken moet worden bij het bepalen van de oppervlakte van de woning. Omdat verder de afstand tussen de gevel van de woning en de houten constructie boven de inham meer dan 0,5 m bedraagt, mag die doorlopende constructie gelet op artikel 2.9 van de planregels niet buiten beschouwing worden gelaten. Gelet op het voorgaande moet de oppervlakte van de inham op grond van artikel 2.5 van de planregels worden betrokken bij het bepalen van de totale oppervlakte van de woning, zodat die oppervlakte groter is dan de toegestane 150 m2 en dus in strijd met artikel 4.2.2, aanhef en onder c, van de planregels. Het betoog slaagt. Stikstof/relativiteit 7. [appellant A] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen beroep kan doen op het ontbreken van stikstofberekeningen, omdat het relativiteitsvereiste daaraan in de weg staat. 7.1. Artikel 8:69a van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept." Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt. 7.2. De Afdeling overweegt dat de bepalingen in de Wet natuurbescherming (Wnb) over de beoordeling van plannen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Uit de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.51, volgt dat een natuurlijk persoon die zich beroept op de bepalingen van de Wnb die strekken tot de bescherming van de natuurwaarden van een Natura 2000-gebied, zich beroept op een algemeen belang waarvoor hij niet in rechte kan opkomen. Verder volgt uit deze uitspraak dat individuele belangen van een natuurlijk persoon bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met de algemene belangen die de Wnb In dat kader brengt hij naar voren dat de wijzigingen die met dat nieuwe besluit zijn toegestaan, hadden moeten worden vastgelegd in een nieuwe omgevingsvergunning. 15.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, in bijvoorbeeld de uitspraak van 27 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2530, is geen nieuwe aanvraag nodig als de wijziging van het bouwplan van ondergeschikte aard is en dient de vraag of de wijziging van ondergeschikte aard is, per concreet geval te worden beantwoord. Indien de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag zo ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken, moet daarvoor een nieuwe aanvraag worden ingediend. 15.2. Uit de gewijzigde omgevingsvergunning volgt dat de oppervlakte van de woning is teruggebracht, door de lengte van 20,15 m te verkorten naar 19,7 m. De uiterlijke verschijningsvorm van de woning, en daarmee de ruimtelijke uitstraling, wordt door die wijziging nauwelijks gewijzigd, zodat in zoverre sprake is van hetzelfde bouwplan. Verder is met het gewijzigde bouwplan de carport vervallen. Daardoor wijzigt de ruimtelijke uitstraling weliswaar, maar die wijziging is naar het oordeel van de Afdeling niet zo ingrijpend dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken. Daarbij betrekt de Afdeling dat het bouwwerk slechts een klein onderdeel is van het aangevraagde bouwplan. Daarnaast is niet gebleken dat die wijziging, voor zover de ruimtelijke uitstraling daardoor wordt gewijzigd, leidt tot een aantasting van de belangen van derden, in dit geval [appellant A]. Bovendien verdwijnt er met het vervallen van de carport, ten opzichte van de aanvraag, een bouwwerk in een open landschap. Naar het oordeel van de Afdeling kunnen de wijzigingen worden beschouwd als wijzigingen van ondergeschikte aard, waarvoor geen nieuwe aanvraag om een omgevingsvergunning hoefde te worden ingediend. Het betoog slaagt niet. Strijd met het bestemmingsplan - Plaats van de schuur 16. [appellant A] betoogt dat de plaats waar de schuur op de situatietekening staat ingetekend in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "[locatie 1] en [locatie 2] in Leutingewolde". Daarover voert hij aan dat uit een uitspraak van de Afdeling blijkt dat de schuur niet op de ingetekende plaats mag worden gebouwd. Volgens [appellant A] moet de omgevingsvergunning op dat punt dan ook worden aangepast. 16.1. Artikel 4.2.3 van de planregels luidt: "Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende regels: a. aan-, uitbouwen en bijgebouwen dienen binnen het bouwvlak, dan wel ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen’ te worden gebouwd; b. de afstand tot de voorgevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan bedraagt ten minste 3 m, dan wel niet minder dan de bestaande afstand indien deze minder bedraagt; […]." 16.2. [appellant A] heeft zijn stelling dat uit een uitspraak van de Afdeling volgt dat de schuur op grond van het bestemmingsplan niet op deze plaats mag worden gebouwd, niet geconcretiseerd, en de Afdeling ziet daarvoor ook geen grond. Daarover overweegt de Afdeling als volgt. De Afdeling stelt vast dat de schuur is ingetekend op gronden die op de verbeelding van het plan de aanduiding 'bijgebouwen' hebben. Dat betekent dat het plan op grond van artikel 4.2.3, aanhef en onder a, van de planregels bijgebouwen ter plaatse van de ingetekende schuur toestaat. Verder is de afstand van de schuur tot het verlengde van de voorgevel van de woning meer dan de op grond van artikel 4.2.3, aanhef en onder b, van de planregels vereiste minimale afstand van 3 m. De Afdeling ziet in wat [appellant A] heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de plaats van de vergunde schuur in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Het betoog slaagt niet. - Oppervlakte van de woning 17. [appellant A] betoogt dat het onduidelijk is hoe de oppervlakte van de woning met het gewijzigde besluit is teruggebracht naar de op grond van h