Rechtspraak Raad van State 2026-01-14
ECLI:NL:RVS:2026:226
202304792/1/A3. Datum uitspraak: 14 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. de minister van Financiën, 2. [appellant sub 2], wonend in [woonplaats], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank NoordHolland van 6 juli 2023 in zaak nr. 21/6573 in het geding tussen: [appellant sub 2] en de minister van Financiën. Procesverloop Bij besluit van 22 juli 2021 heeft de minister het verzoek van [appellant sub 2] op grond van artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) om inzage van zijn persoonsgegevens in de Fraudesignaleringsvoorziening (hierna: FSV) ingewilligd en de verzoeken op grond van de artikelen 16 en 17 van de AVG om rectificatie en wissing van die gegevens afgewezen. Bij besluit van 28 oktober 2021 heeft de minister het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 6 juli 2023 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 oktober 2021 vernietigd, het besluit van 22 juli 2021 herroepen voor zover daarbij het verzoek om wissing is afgewezen, bepaald dat de minister binnen een maand na verzending van de uitspraak de persoonsgegevens van [appellant sub 2] in de FSV wist en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 2] en de minister hoger beroep ingesteld. De minister heeft op verzoek van de Afdeling nadere inlichtingen gegeven. [appellant sub 2] heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aangemerkt als partij in deze procedure. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 22 mei 2025, waar [appellant sub 2] en de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. I.A. Huppertz en mr. M. Baarslag, zijn verschenen. Overwegingen 1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. 2. Bij brief van 20 mei 2021 heeft de minister [appellant sub 2] ervan op de hoogte gesteld dat zijn gegevens waren opgenomen in de FSV. Bij brief van 25 juni 2021 heeft [appellant sub 2], voor zover in hoger beroep aan de orde, de minister verzocht om inzage in alle persoonsgegevens in zijn FSV-dossier en om rectificatie en wissing daarvan. Bij besluit van 22 juli 2021 heeft de minister inzage gegeven in de in de FSV aanwezige persoonsgegevens van [appellant sub 2], en de verzoeken om rectificatie en wissing afgewezen omdat de gegevens, die zich bevinden in een reservebestand dat in een beveiligde omgeving staat, nog nodig zijn om de gevolgen van de FSV in kaart te brengen en daarover verantwoording te kunnen afleggen aan de Tweede Kamer. Aan de Tweede Kamer is toegezegd dat tot nader order geen gegevensverwerkingen in de FSV worden gewist. De minister is in het besluit op het daartegen door [appellant sub 2] gemaakte bezwaar bij de afwijzing van de verzoeken om rectificatie en wissing gebleven. 3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister bij het besluit van 28 oktober 2021 ten onrechte niet de informatie over de bron van de gegevens in de FSV heeft verstrekt, maar dat de minister die gegevens in de beroepsfase alsnog heeft verstrekt. Voor de overige niet verstrekte gegevens geldt volgens de rechtbank dat [appellant sub 2] geen recht op inzage daarin heeft, omdat het geen persoonsgegevens van hem zijn. Over de vraag of de minister een kopie van de volledige FSV-registratie moest verstrekken heeft de rechtbank geen oordeel gegeven. [appellant sub 2] had namelijk geen belang meer bij dat oordeel omdat de minister lopende de procedure die kopie, met weggelakte persoonsgegevens van derden, heeft verstrekt. Over het verzoek om wissing heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister dat verzoek niet heeft mogen afwijzen. Volgens de rechtbank mag een verzoek om wissing slechts worden afgewezen om de redenen genoemd in artik 7. [appellant sub 2] heeft in beroep verzocht om vergoeding van verletkosten als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Hij heeft het door hem gestelde uurtarief van € 241,08 niet met gegevens onderbouwd. De rechtbank heeft daarom terecht de verletkosten vastgesteld tegen het minimumtarief van € 8,00 per uur. Het betoog slaagt niet. 8. De Afdeling ziet geen aanleiding om medewerkers van de Belastingdienst op te roepen om te getuigen over onrechtmatig optreden en de gevolgen van de registratie van [appellant sub 2] in de FSV. In dit hoger beroep van [appellant sub 2] is namelijk alleen aan de orde of de minister op grond van de AVG voldoende inzage heeft gegeven in de persoonsgegevens van [appellant sub 2] en of de minister die persoonsgegevens heeft moeten rectificeren. De onrechtmatigheid en de gevolgen van de FSV-registratie zijn geen onderdeel van dit geding. Hoger beroep van de minister 9. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij het verzoek om wissing van de gegevens niet heeft mogen afwijzen. De minister stelt dat uit artikel 17, eerste lid, onder a, van de AVG volgt dat wissing van de persoonsgegevens achterwege dient te blijven indien de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld of anderszins verwerkt, niet beëindigd zijn. Dat is hier het geval. De minister voert aan dat wat nu de FSV wordt genoemd feitelijk een reservebestand is dat naar aanleiding van het afsluiten van die applicatie is gemaakt. Voor dat reservebestand geldt volgens de minister dat de gegevens daarin zijn verwerkt met het doel om de gevolgen van het onrechtmatige gebruik van de FSV te kunnen herstellen, een compensatieregeling te kunnen uitvoeren en verzoeken op grond van de AVG, klachten, en schadeverzoeken te behandelen. Dat is een taak van algemeen belang als bedoeld in artikel 17, derde lid, aanhef en onder b, van de AVG. In dat verband heeft de minister aan de Tweede Kamer de toezegging gedaan om geen gegevens in relatie tot de FSV te verwijderen of te vernietigen. Verder voert de minister aan dat artikel 17, derde lid, aanhef en onder e, van de AVG, de mogelijkheid biedt om van wissen af te zien als de gegevens nog nodig zijn voor het voeren van procedures. Dat is in dit geval aan de orde. De minister voert aan dat de rechtbank de gevolgen van het wissen van de persoonsgegevens onvoldoende heeft meegewogen. Zo zou het volgens de minister niet meer mogelijk zijn om schadeverzoeken te behandelen, en zou het niet meer mogelijk zijn om een bezwaar te behandelen tegen de afsluitende brief waarin de minister betrokkenen informeert over of zij in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming in het kader van de FSV, omdat de FSV-gegevens dan niet meer aanwezig zijn bij de minister. Over de afhandeling van de schadeclaim die [appellant sub 2] heeft ingediend voert de minister aan dat daarvoor noodzakelijk is dat hij kan blijven beschikken over de originele bron, en dat de gegevens relevant zijn voor zowel de minister als voor [appellant sub 2] met het oog op het instellen, uitoefenen of onderbouwen van een rechtsvordering. Beoordeling van het hoger beroep van de minister 10. Artikel 17, eerste lid, aanhef en onder d, van de AVG geeft de betrokkene het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onredelijke vertraging wissing van hem betreffende persoonsgegevens te verkrijgen en de verwerkingsverantwoordelijke is verplicht persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging te wissen wanneer de persoonsgegevens onrechtmatig zijn verwerkt. Tussen partijen is niet in geschil dat de persoonsgegevens van [appellant sub 2] onrechtmatig zijn verwerkt. 11. Ingevolge artikel 17, derde lid, aanhef en onder b, van de AVG, zijn de leden 1 en 2 van dat artikel niet van toepassing voor zover verwerking nodig is voor het nakomen van een in een het Unierecht of het lidstatelijke recht neergelegde wettelijke verwerkingsverplichting die op de verwerkingsverant Bij de zoekslagen die worden uitgevoerd om die doelen te bewerkstelligen is noodzakelijk om de persoonsgegevens van betrokkenen te verwerken. De doelen van de verwerking zijn welbepaald en uitdrukkelijk omschreven in de brief aan de Tweede Kamer van 4 november 2022, en daarmee passen die doelen in de hiervoor genoemde taak van algemeen belang. 12.2. Ten tweede is in dit geval de noodzakelijke verantwoording in algemene zin een taak van algemeen belang. Deze taak vindt zijn grondslag in het stelsel van staatsrechtelijke verhoudingen, dat bijvoorbeeld tot uitdrukking komt in artikel 68 van de Grondwet en dat er in bestaat dat de regering zich voor haar handelen in het algemeen verantwoordt tegenover de Staten-Generaal. Het kabinet heeft bij brief van 2 maart 2020 (Kamerstukken II, 2019/20, 31 066, nr. 604) toegezegd om de vragen van de Tweede Kamer over de FSV te beantwoorden en de Tweede Kamer nader te informeren. De vervulling van deze taak heeft in de praktijk verder vorm gekregen in de onafhankelijke onderzoeken van de Autoriteit Persoonsgegevens en KPMG Nederland, waarbij die instanties weliswaar geen toegang hebben gekregen tot individuele FSV-registraties, maar waarvoor wel noodzakelijk was dat de FSV back-up en de daarin verwerkte gegevens beschikbaar waren. Het kan niet worden uitgesloten dat verder onderzoek in het kader van de verantwoording zal moeten plaatsvinden. Ook heeft de minister intern onderzoek gedaan naar de FSV. Naar het oordeel van de Afdeling zijn deze doelen daarmee welbepaald en uitdrukkelijk omschreven. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is voor de politieke verantwoording niet voldoende dat uit een AVG-procedure blijkt dat persoonsgegevens van een individuele betrokkene in de FSV geregistreerd zijn geweest. Indien verzoeken tot wissen van de persoonsgegevens van betrokkenen die in de FSV zijn opgenomen nu zouden moeten worden ingewilligd, zou het algehele overzicht over de wijze waarop persoonsgegevens in de FSV werden geregistreerd en de impact en reikwijdte daarvan verloren gaan. Dit zou afbreuk doen aan de mogelijkheid van de minister om verantwoording af te leggen over de FSV en de gevolgen ervan. Daarmee past het doel van de verwerking in de hiervoor genoemde taak van algemeen belang. 12.3. In het kader van de evenredigheid heeft [appellant sub 2] aangevoerd dat hij schade heeft geleden door zijn registratie in de FSV en dat hij al sinds 2014 tegen de Belastingdienst procedeert. Door zijn registratie heeft hij te maken gehad met boekcontroles en heeft hij bijvoorbeeld geen Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid gekregen voor de onkosten van zijn advocatenkantoor tijdens de coronacrisis. Daardoor zijn de medewerkers vertrokken. Ook moest hij zijn woning verkopen. [appellant sub 2] stelt dat hij door de aanwezigheid van zijn persoonsgegevens in de back-up van de FSV nog steeds ten onrechte te boek staat als fraudeur. Volgens [appellant sub 2] bestaat verder een groot risico dat zijn gegevens nogmaals onrechtmatig zullen worden verwerkt en dat hij daar nadeel van zal ondervinden. 12.4. Voor de beoordeling van de evenredigheid van het weigeren van de wissing is van belang hoe de persoonsgegevens van [appellant sub 2] worden verwerkt. Omdat het nog nodig is om de persoonsgegevens te verwerken voor de hiervoor genoemde doeleinden, is het weigeren van de wissing van die gegevens ook in het individuele geval van [appellant sub 2] een geschikte maatregel ten behoeve van het bereiken van die doeleinden. Verder is niet gebleken dat na het uitzetten van de FSV als applicatie de over [appellant sub 2] daarin opgenomen gegevens nog worden gebruikt, dus ook niet voor het opsporen van fraude, of voor enig ander doel waarvan hij nadeel kan ondervinden. Deze gegevens zijn in de vorm van een kopiebestand in een datakluis geplaatst waar een beperkt aantal medewerkers toegang toe heeft, uitsluitend voor de hiervoor genoemde doeleinden. Daarnaast heeft de minister in het besluit van 22 juli 2021 toegezeg Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 2] ongegrond; II. verklaart het hoger beroep van de minister van Financiën gegrond; III. vernietigt die uitspraak, voor zover de rechtbank daarin het besluit van 22 juli 2021 heeft herroepen, heeft bepaald dat de minister van Financiën binnen een maand na verzending van de uitspraak de persoonsgegevens van [appellant sub 2] in de FSV wist en heeft bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 28 oktober 2021; IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit van 28 oktober 2021 in stand blijven; V. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan [appellant sub 2] van een schadevergoeding van € 166,67; VI. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot betaling aan [appellant sub 2] van een schadevergoeding van € 333,33. Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. W. den Ouden en mr. J.M. Willems, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier. w.g. Daalder voorzitter w.g. Hartsuiker griffier Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026 452-1062 BIJLAGE WETTELIJK KADER Algemene verordening gegevensbescherming Artikel 15, eerste lid De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie: a) de verwerkingsdoeleinden; b) de betrokken categorieën van persoonsgegevens; c) de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties; d) indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen; e) dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht tegen die verwerking bezwaar te maken; f) dat de betrokkene het recht heeft klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit; g) wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene worden verzameld, alle beschikbare informatie over de bron van die gegevens; h) het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene. Artikel 16 De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke onverwijld rectificatie van hem betreffende onjuiste persoonsgegevens te verkrijgen. Met inachtneming van de doeleinden van de verwerking heeft de betrokkene het recht vervollediging van onvolledige persoonsgegevens te verkrijgen, onder meer door een aanvullende verklaring te verstrekken. Artikel 17, eerste en derde lid 1. De betrokkene heeft het recht van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onredelijke vertraging wissing van hem betreffende persoonsgegevens te verkrijgen en de verwerkingsverantwoordelijke is verplicht persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging te wissen wanneer een van de volgende gevallen van toepassing is: a) de persoonsgegevens zijn niet langer nodig voor de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld of anderszins verwerkt; […] d) de persoonsgegevens zijn onrechtmatig verwerkt; […] 3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing voor zover verwerking nodig is: […] b) voor het nakomen van een in een het Unierecht of het lidstatelijke recht neergelegd