Rechtspraak Raad van State 2026-04-22
ECLI:NL:RVS:2026:2257
202404843/1/R3. Datum uitspraak: 22 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], wonend in Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem, 2. [appellant sub 2] en anderen, wonend in Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem, appellanten, en het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 18 juni 2024 heeft het college het wijzigingsplan "Hof Noordeinde 2022" vastgesteld. Bij besluit van 18 juni 2024 heeft het college aan Heevas B.V. een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van 20 woningen achter Noordeinde 96 te Roelofarendsveen (project Hof Noordeinde). Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Tegen deze besluiten hebben [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] en anderen beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen, Heevas B.V. en het college hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 maart 2026, waar [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door G.T.M. Stoof RT, rechtsbijstandverlener, [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 2], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], en het college, vertegenwoordigd door mr. V. Platteeuw en M. Bosman, zijn verschenen. Voorts is op de zitting Heevas B.V., vertegenwoordigd door mr. A.P. IJkelenstam, advocaat te Amsterdam, en [directeur] als partij gehoord. Overwegingen OVERGANGSRECHT INWERKINGTREDING OMGEVINGSWET 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een wijzigingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het wijzigingsplan onherroepelijk is. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het ontwerpwijzigingsplan is op 8 december 2023 ter inzage gelegd en de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 29 juni 2021. Dat betekent dat in deze procedure het recht, waaronder de Wro, de Crisis- en herstelwet en de Wabo, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. INLEIDING 2. Het wijzigingsplan en de omgevingsvergunning maken de bouw van 20 woningen mogelijk achter het Noordeinde 96 in Roelofarendsveen. Op dit perceel bevindt zich nu leegstaande bebouwing. Hier was tot 2019 detailhandel in gevestigd. Uit de plantoelichting bij het wijzigingsplan volgt dat vanuit de gemeente initiatieven zijn genomen om versnippering van detailhandel te bestrijden en detailhandel meer te centreren. Daardoor is in het plangebied ruimte voor woningbouw ontstaan. [appellanten sub 1] wonen aan het [locatie 1] en zijn de eigenaren van het pand [locatie 2] tot [locatie 3]. Zij vrezen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat in het bijzonder gelet op het aantal voorziene woningen. [appellant sub 2] en anderen wonen in de omgeving van het plangebied en vrezen voor een verdere verslechtering van de verkeersveiligheid op het overbelaste Noordeinde. ZIENSWIJZE 3. [appellanten sub 1] betogen dat zij nooit een reactie hebben ontvangen op hun zienswijze en dat evenmin overleg heeft plaatsgevonden, terwijl zij hier in hun zienswijze wel om hadden verzocht. Verder betogen zij dat de wijze waarop het Artikel 3:6 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing." Artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder c, luidt: "Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 bedoelde overleg." 5.2. De Afdeling overweegt dat daargelaten de vraag of de adviezen van de Omgevingsdienst West-Holland en het Hoogheemraadschap van Rijnland redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het ontwerpplan, de uitkomst van het vooroverleg overeenkomstig artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bro is neergelegd in hoofdstuk 5 en bijlage 3 van de toelichting behorende bij het ontwerpplan. Dit betekent dat alle relevante informatie voor belanghebbenden kenbaar was. Terinzagelegging van deze adviezen was daarom redelijkerwijs niet nodig voor de beoordeling van het ontwerp. De Afdeling concludeert dat geen sprake is van een schending van artikel 3:11 van de Awb (vgl. ook de uitspraak van de Afdeling van 5 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:407, onder 6.2). Het betoog slaagt niet. Omgevingsvisie Kaag en Braassem 2025 6. [appellant sub 2] en anderen betogen dat het plan in strijd is met de Omgevingsvisie Kaag en Braassem 2025. 6.1. Dit betoog slaagt niet omdat deze omgevingsvisie ten tijde van de vaststelling van het wijzigingsplan nog niet was vastgesteld. Het college kon deze omgevingsvisie dan ook niet betrekken bij de vaststelling van het wijzigingsplan. Wijzigingsvoorwaarden in het bestemmingsplan "Braassemerland 2019" 7. [appellanten sub 1] voeren aan dat niet wordt voldaan aan de onderdelen a en d, onder 1, 2 en 6 van artikel 5.4 van de regels van het bestemmingsplan "Braassemerland 2019". 7.1. In het bestemmingsplan "Braassemerland 2019" zijn de gronden achter Noordeinde 96 bestemd als "Detailhandel". Op grond van artikel 5.4 van de regels van dit bestemmingsplan is het college bevoegd de in het plan opgenomen bestemming "Detailhandel" te wijzigen in de bestemmingen "Wonen", "Tuin" en "Groen" onder nader genoemde voorwaarden. - wijzigingsvoorwaarde: aantal te realiseren woningen stedenbouwkundig inpasbaar 8. [appellanten sub 1] voeren aan dat niet wordt voldaan aan de wijzigingsvoorwaarde dat het aantal te realiseren woningen stedenbouwkundig inpasbaar is. Concreet ontbreken volgens hen een locatie-specifiek ontwikkelingskader en een deugdelijke stedenbouwkundige onderbouwing waarin wordt ingegaan op de woningdichtheid, de ruimtelijke draagkracht van de locatie en de relatie van het plan tot omliggende bebouwing, waaronder de lintstructuur van het Noordeinde. In dit kader verwijzen [appellanten sub 1] naar het in hun opdracht door Buro Waalbrug opgestelde "Stedenbouwkundig advies Hof Noordeinde, Roelofarendsveen, Gemeente Kaag en Braassem" van 23 februari 2026 en naar de "Nota Inbreidingslocaties, gemeente Kaag en Braassem" van 7 februari 2011. In deze nota staat dat in het plangebied 6 tot 8 twee-onder-één-kap-woningen en/of vrijstaande woningen stedenbouwkundig inpasbaar zijn. Dit aantal sluit volgens [appellanten sub 1] aan bij de 11 tot 30 woningen per ha die het bestemmingsplan "Braassemerland 2019" aanvaardbaar acht in de uit te werken gebieden. 8.1. Met het wijzigingsplan zijn de gronden in het plangebied bestemd als "Groen" en "Wonen". Op de gronden met de bestemming "Wonen" zijn 3 aanduidingen "bouwvlak", 2 aanduidingen "maximum aantal wooneenheden: 7" en 1 aanduiding "maximum aantal wooneenheden: 6" opgenomen. Op grond van artikel 4.2.1, onder b, van de planregels mag het maximum aantal wooneenheden niet meer bedragen dan is aangegeven op de verbeelding. Het plan staat dus de bouw van 20 woningen toe. Op grond van artikel 4.3.4, onder a, van de planregels bedraagt het percentage sociale huurwoningen dat binnen het plangebied wordt gebouwd minimaal 30. 8.2. Zoals hiervoor onder 4 is overwogen, mag met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan de pl In het kader van de afmetingen wijzen zij erop dat niet wordt voldaan aan de in de Beleidsregel Parkeernormen Kaag en Braassem 2018, de Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom 2012 van het CROW (ASVV 2012) en de Leidraad Inrichting Openbare Ruimte (LIOR 7.0) gestelde minimale afmetingen van 2,1 bij 6 m. In het kader van het berekende aantal parkeerplaatsen wijzen zij erop dat gelet op de omgeving en de mogelijkheid van een aan huis verbonden beroep ten onrechte is uitgegaan van de minimale variant. Indien wordt uitgegaan van de maximale variant of een tussenliggende variant, is sprake van een tekort aan parkeerplaatsen, aldus [appellanten sub 1]. 9.1. De wijzigingsvoorwaarde in artikel 5.4, onder d, sub 1, van de regels van het bestemmingsplan "Braassemerland 2019" luidt dat de uitvoerbaarheid wordt aangetoond waarbij in ieder geval aangetoond moet worden dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen erf. 9.2. In artikel 3.1 van het "Paraplubestemmingsplan parkeren Braassemerland" is bepaald dat alleen als in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien een omgevingsvergunning voor bouwen en/of gebruiken wordt verleend. Dat dit artikel in dit geval van toepassing is volgt uit artikel 3.6, derde lid, van de Wro waarin staat dat een wijzigingsplan deel uitmaakt van het bestemmingsplan. Dit betekent dat algemene regels uit het bestemmingsplan "Braassemerland 2019", die met het "Paraplubestemmingsplan parkeren Braassemerland" zijn herzien, gelden in het wijzigingsplangebied. 9.3. Hoewel de vraag of er voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd gelet op hetgeen onder 9.2 is overwogen in het kader van de procedure van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de in het wijzigingsplan voorziene ontwikkelingen aan de orde komt, dient het college bij de vaststelling van dit plan eveneens te bezien of kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid en of dus wordt voldaan aan de wijzigingsvoorwaarde. Daarbij geldt dat het wijzigingsplan geen bestaand parkeertekort hoeft op te lossen. Het college hoeft alleen rekening te houden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van de nieuwe woningen ten opzichte van de al bestaande parkeerbehoefte in de omgeving. 9.4. In artikel 3, onder a, van de beleidsregel parkeernormen staat dat de parkeerbehoefte wordt berekend op basis van de parkeernormen uit bijlage 2. Op grond van bijlage 2 geldt voor een tussenwoning/hoekwoning in het gebied "rest bebouwde kom" een parkeerbehoefte van 1,6 tot 2,4. Voor een huurwoning (sociale huur) geldt in het gebied "rest bebouwde kom" een parkeerbehoefte van 1,2 tot 2,0. In de toelichting op de beleidsregel parkeernormen staat dat de bandbreedtes uit de CROW publicatie 317 "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" één-op-één zijn overgenomen. In artikel 4, onder a, sub 2, van de beleidsregel parkeernormen staat dat de afmetingen van parkeervakken op terreinen moeten voldoen aan de minimale maten genoemd in de ASVV 2012 en de LIOR 7.0. In de toelichting op de beleidsregel staat dat dit betekent dat langsparkeerplaatsen een afmeting hebben van 2,1 bij 6 m en haaksparkeerplaatsen een afmeting van 2,5 bij 5,2 m. 9.5. In paragraaf 4.2 van de plantoelichting is het aantal benodigde parkeerplaatsen berekend. In deze paragraaf staat dat met het wijzigingsplan 20 woningen zijn toegestaan. Ten minste 30% hiervan bedraagt sociale huurwoningen. Dit betekent dat ten minste 6 sociale huurwoningen moeten worden gerealiseerd. Hiervoor geldt een minimale parkeerbehoefte van 1,2 per woning. Voor de sociale huurwoningen zijn dus in totaal 7,2 parkeerplaatsen nodig. Voor de andere 14 rijwoningen geldt een minimale parkeerbehoefte van 1,6 per woning. Voor deze 14 woningen zijn minimaal 22,4 parkeerplaatsen nodig. In het plangebied moeten dus afgerond 30 parkeerplaatsen worden gerealiseerd, aldus de plantoelichting. 9.6. De Afdeling ziet in hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen grond voor [appellanten sub 1] hebben deze vaststelling in de plantoelichting niet bestreden. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat is voldaan aan de wijzigingsvoorwaarde dat geen onevenredige toename van verkeersbewegingen optreedt. Het betoog slaagt niet. 10.2. De Afdeling zal hierna onder 13 en verder ingaan op de vraag of het wijzigingsplan gelet op de gevolgen voor de verkeerssituatie op het Noordeinde in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. - wijzigingsvoorwaarde: uitvoerbaarheid: geen milieuhygiënische belemmeringen; luchtkwaliteit 11. [appellanten sub 1] betogen dat bij de berekeningen in het kader van de luchtkwaliteit ten onrechte is uitgegaan van een afname van het aantal motorvoertuigen als gevolg van dit plan. In dit kader wijzen zij erop dat de toekomstige situatie moet worden vergeleken met de huidige situatie van leegstaande detailhandelsbebouwing en dus niet met in gebruik zijnde detailhandelsbebouwing. In dit kader wijzen zij erop dat de bebouwing al 5 tot 6 jaar leeg staat. 11.1. De wijzigingsvoorwaarde in artikel 5.4, onder d, sub 6, van de regels van het bestemmingsplan "Braassemerland 2019" luidt dat de uitvoerbaarheid wordt aangetoond waarbij in ieder geval aangetoond moet worden dat er geen milieuhygiënische belemmeringen zijn. 11.2. In paragraaf 5.6 van de plantoelichting is ingegaan op het aspect luchtkwaliteit. Hierin staat dat de realisatie van de 20 woningen ver onder de grenzen blijft van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteit). Daarmee heeft het plan niet of slechts in geringe mate invloed op de luchtkwaliteit. Verder staat in de plantoelichting dat ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden voor de achtergrondconcentraties die gelden voor fijnstof en stikstofdioxide. [appellanten sub 1] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de plantoelichting wat dit betreft onjuist is en dat het wijzigingsplan wel in betekenende mate leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Of in de plantoelichting al dan niet terecht staat dat het aantal motorvoertuigen per etmaal als gevolg van het plan afneemt, is gelet hierop niet relevant. Het betoog slaagt niet. - wijzigingsvoorwaarde: uitvoerbaarheid: geen milieuhygiënische belemmeringen; geur en geluid 12. [appellanten sub 1] betogen verder dat de afstand tussen de woningen en bedrijven in hun pand [locatie 2] – [locatie 3] gelet op de aspecten geluid en geur onvoldoende is. In het bijzonder wijzen zij op de in de buitenlucht aanwezige afzuiginstallatie van het restaurant en het laden en lossen, waarnaar onderzoek had moeten worden gedaan. 12.1. Ter plaatse van de bebouwing [locatie 2] – [locatie 3] zijn bedrijven gevestigd die vallen in milieucategorie 1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten van de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 2009 (VNG-Brochure 2009). Aan de richtafstand van 10 m tot aan woningen in het gebied "rustige woonwijk", wordt in dit geval voldaan. Ter plaatse is tevens een restaurant toegestaan. Deze activiteit valt onder categorie A van de Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging. Activiteiten die vallen onder categorie A zijn zodanig weinig milieubelastend dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd, aldus de VNG-Brochure 2009. In hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat ondanks dat wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-Brochure 2009 ter plaatse van de voorziene woningen de geluid- en geurbelasting onaanvaardbaar zal zijn. De verwijzing naar de omstandigheden dat ter plaatse laden en lossen plaatsvindt en het restaurant beschikt over een afzuiginstallatie zijn in dit kader onvoldoende, omdat dit voor een restaurant nu juist behoort tot een normale bedrijfssituatie. Het betoog slaagt niet. Verkeer 13. [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat eerst de noodzakelijke infrastructuurverbeteringen moeten worden doorgevoerd voordat uitv Die uitspraak zag op de situatie dat de infrastructuur rondom het plangebied was ingericht op de verkeersintensiteit behorende bij de maximale planologische mogelijkheden van het voorheen geldende bestemmingsplan met een verkeersgeneratie die veel hoger was dan de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling. Daarom zag de voorzieningenrechter geen reden voor gerede twijfel of het bestemmingsplan op dit punt in de bodemprocedure in stand kan blijven. In de nu aan de orde zijnde situatie is daarentegen niet onderzocht of, gelet op de inrichting van de infrastructuur, een aanvaardbare verkeerssituatie kan worden bereikt na realisering van de 20 woningen en blijkt uit het verkeersrapport 2019 juist dat de infrastructuur rondom het plangebied de bestaande verkeersstromen al niet afdoende kan afwikkelen. Het betoog van [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 1] slaagt. 13.4. Gelet op het vorenstaande is het wijzigingsplan op dit punt vastgesteld in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Het besluit tot vaststelling van het wijzigingsplan moet wegens strijd met artikel 3.1 van de Wro worden vernietigd. 13.5. De Afdeling ziet aanleiding om te beoordelen of de rechtsgevolgen van het besluit van 18 juni 2024 tot vaststelling van het wijzigingsplan "Hof Noordeinde Roelofarendsveen" met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand kunnen worden gelaten. Hierop gaat zij in onder 19 en verder. Daaraan voorafgaand beoordeelt zij eerst de overige beroepsgronden die [appellanten sub 1] tegen het besluit van 18 juni 2024 tot vaststelling van het wijzigingsplan "Hof Noordeinde Roelofarendsveen" hebben ingebracht. Ontsluitingsweg 14. [appellanten sub 1] voeren aan dat verkeersonveilige situaties zullen ontstaan doordat de ontsluitingsweg in het plangebied te smal is voor het verkeer dat hiervan gebruik zal maken. In dit kader wijzen zij erop dat de ontsluitingsweg een breedte heeft van slechts 4,3 tot 4,7 m. Deze ontsluitingsweg zal niet alleen worden gebruikt door bewoners van de voorziene woningen, maar ook door de bewoners en bezoekers van de woningen en bedrijven, waaronder een restaurant, aan het [locatie 1], [locatie 4], [locatie 5] en [locatie 2] tot [locatie 3] alsmede door langzaam verkeer van en naar de Meiraap en de achtergelegen wijken. Verder wijzen [appellanten sub 1] erop dat in paragraaf 4.2 van de plantoelichting staat dat de verkeersontsluiting wordt geregeld middels een nieuwe uitritconstructie als volwaardige zijstraat, maar hier is volgens hen geen ruimte voor. 14.1. Het wijzigingsplangebied vormt een hofje dat wordt ontsloten op het Noordeinde. De ontsluitingsweg is gesitueerd tussen de bebouwing en privéparkeerplaatsen van het [locatie 2] tot [locatie 3] en de erfafscheidingen en woningen aan het [locatie 1] en [locatie 4]. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat de ontsluiting van het wijzigingsplan kan voldoen aan de hiervoor geldende maatvoering. Het wijzigingsplan kan immers als erf worden ingericht in de zin van paragraaf 11.1.1 van de ASVV 2021. Hiervoor geldt een vrije ruimte voor het rijdende gemotoriseerd verkeer van ongeveer 3 m en een loopstrook voor voetgangers van bij voorkeur 1,5 m breed en ter plaatse van een puntvernauwing minimaal 1,2 m breed. Vast staat dat aan deze maatvoering wordt voldaan. De huidige privéparkeerplaatsen behorende bij [locatie 2] tot [locatie 3] kunnen dan ook in gebruik blijven. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de ontsluitingsweg te smal is en dat verkeersonveilige situaties zullen ontstaan. Daarbij acht de Afdeling ook van belang dat op grond van het bestemmingsplan "Braassemerland 2019" ter plaatse 1.311 m2 aan detailhandel is toegestaan en dat de bijbehorende verkeersgeneratie een stuk hoger ligt dan bij de voorziene woningen. Het betoog slaagt niet. Financiële uitvoerbaarheid 15. [appellanten su Woon- en leefklimaat [appellanten sub 1] 18. [appellanten sub 1] vrezen ten slotte voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat nu op korte afstand van hun woning 20 rijwoningen mogelijk worden gemaakt. 18.1. [appellanten sub 1] wonen aan het [locatie 1]St op een afstand van ongeveer 50 m van het eerste bouwvlak waar 7 woningen met een maximale bouwhoogte van 7 m zijn voorzien. Op deze locatie is op grond van het bestemmingsplan "Braassemerland 2019" eveneens een bouwhoogte van 7 m toegestaan. Ter plaatse staat nu een leegstand pand dat in gebruik was voor detailhandel. Gelet op deze afstand, de toegestane bouwhoogte en de omstandigheid dat ter plaatse reeds bebouwing staat, hebben [appellanten sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat hun uitzicht wordt aangetast. Verder hebben [appellanten sub 1] enkel gesteld maar niet nader onderbouwd dat zij geluidsoverlast zullen ondervinden van de 20 voorziene woningen. Gelet hierop alsmede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de stedenbouwkundige inpasbaarheid van de 20 voorziene woningen, de luchtkwaliteit, de ontsluitingsweg en het groen, ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd, geen grond voor het oordeel dat het college aan het belang gediend met de bouw van 20 woningen geen groter gewicht had mogen toekennen dan aan het belang van [appellanten sub 1] bij de realisering van minder woningen in het wijzigingsplangebied. Hierbij betrekt de Afdeling dat de behoefte aan woningen groot is. In paragraaf 3.3.2 van de plantoelichting staat in dit kader dat de provincie Zuid-Holland in 2021 een woningbehoefteraming heeft gemaakt. Voor de regio Holland Rijnland, waar Kaag en Braassem deel van uitmaakt, geldt volgens het provinciebestuur een gewenste woningvoorraadgroei van 27.400 woningen. Het betoog slaagt niet. Beoordelen in stand laten rechtsgevolgen 19. Zoals de Afdeling onder 13.5 heeft overwogen, ziet zij aanleiding om te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het besluit van 18 juni 2024 tot vaststelling van het wijzigingsplan in stand kunnen blijven. In dit kader is van belang dat naar aanleiding van de schorsing van het wijzigingsplan door de voorzieningenrechter van de Afdeling (uitspraak van 9 oktober 2024; ECLI:NL:RVS:2024:4052) alsnog onderzoek is gedaan naar de verkeerssituatie op het Noordeinde na realisering van het wijzigingsplan. Goudappel Coffeng heeft immers het rapport "Verkeersstudie Hof Noordeinde" van 4 april 2025 (verkeersstudie 2025) opgesteld. 19.1. Op de zitting hebben [appellant sub 2] en anderen benadrukt dat zij niet zozeer de doorstroming van motorvoertuigen relevant achten, maar de veiligheid van fietsers en andere langzaam verkeersdeelnemers die gebruik maken van het Noordeinde. In dit verband overweegt de Afdeling dat het wijzigingsplan niet had mogen worden vastgesteld indien de verkeerssituatie na realisering van het plan dusdanig onveilig is dat niet kan worden geoordeeld dat de vaststelling van het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Dit kan aan de orde zijn indien de verkeerssituatie op het Noordeinde al zo onveilig is dat geen enkele toename van verkeer aanvaardbaar is. Ook kan dit aan de orde zijn indien de toename van het verkeer als gevolg van het wijzigingsplan ertoe leidt dat de verkeerssituatie op het Noordeinde onaanvaardbaar wordt. Dit betekent dat de omstandigheid dat het uit het oogpunt van verkeersveiligheid wenselijk is om de verkeerssituatie op het Noordeinde te verbeteren, op zichzelf niet in de weg staat aan de vaststelling van een plan dat leidt tot een toename van het aantal verkeersbewegingen. 19.2. In de verkeersstudie 2025 staat dat de capaciteit van het Noordeinde 5.000 motorvoertuigen per etmaal is en dat de verkeersveilige wegvakcapaciteit op het Noordeinde 4.250 is. Dit komt overeen met een IC-waarde van 85%. In paragraaf 3.1 en in tabel 3.3 van de verkeersstudie 2025 staat dat in 2024 verkeerstellingen hebben plaatsgevonden en dat per etmaal 3.225 In de door [appellant sub 2] en anderen verstrekte meldingen die in de afgelopen drie jaar bij het gemeentebestuur zijn gedaan betreffende de verkeersveiligheid, ziet de Afdeling evenmin aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Hiervoor onder 19.1 is immers uiteengezet dat het enkele feit dat het uit het oogpunt van verkeersveiligheid wenselijk is om de verkeerssituatie op het Noordeinde te verbeteren, op zichzelf niet in de weg staat aan de vaststelling van een plan dat leidt tot een toename van het aantal verkeersbewegingen. Verder betrekt de Afdeling bij haar oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat na realisering van het plan de verkeerssituatie uit het oogpunt van verkeersveiligheid onaanvaardbaar zal zijn, het volgende. Het college heeft op de zitting toegelicht dat er een alternatieve veiligere route voor fietsers is die nu via het tijdelijke fietspad loopt en in de toekomst door de nieuwe woonwijk, de zogenoemde fase 11 van Braassemerland. Het standpunt van [appellant sub 2] en anderen dat de alternatieve route verkeersonveilig is omdat het tijdelijke fietspad langs de 30 parkeerplaatsen in het wijzigingsplangebied loopt, volgt de Afdeling niet. Dat fietsers door woonerven met parkeerplekken fietsen komt immers zeer veel voor en [appellant sub 2] en anderen hebben geen bijzondere omstandigheden genoemd waarom juist in deze specifieke situatie sprake zou zijn van een zodanig onveilige situatie dat het college had moeten afzien van vaststelling van het wijzigingsplan. Het betoog slaagt niet. 19.4. In de verkeersstudie 2025 wordt geconcludeerd dat na realisering van het wijzigingsplan de verkeersdruk op het Noordeinde acceptabel is. Gelet hierop mocht het college bij de keuze voor ontsluiting van het plangebied via het Noordeinde doorslaggevend gewicht toekennen aan het feit dat Heevas B.V. deze gronden in eigendom heeft. Het college kon dan ook afzien van de door [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 1] gewenste alternatieve ontsluiting via fase 11 van Braassemerland, op de gronden ten zuiden van het plangebied. 19.5. De Afdeling is van oordeel dat met de verkeersstudie 2025 en de door het college op de zitting gegeven toelichting het gebrek dat kleeft aan het besluit tot vaststelling van het wijzigingsplan, is hersteld. De Afdeling ziet hierin dan ook aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit van 18 juni 2024 tot vaststelling van het wijzigingsplan in stand te laten. Dat betekent dat plan blijft gelden. DE OMGEVINGSVERGUNNING 20. [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 1] hebben op de zitting verklaard dat hun beroepsgronden gericht tegen het wijzigingsplan eveneens zijn gericht tegen de omgevingsvergunning. 20.1. Artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo is het toetsingskader voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen van een bouwwerk’. Dat is een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Toetsen aan artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo houdt in dat het college uitsluitend moet beoordelen of zich één van de in dat artikel opgenomen weigeringsgronden voordoet. Als dat niet het geval is, dan moet het de gevraagde vergunning verlenen. Als dat wel zo is, dan moet het de gevraagde vergunning weigeren. Het college heeft daarbij dus geen ruimte om een belangenafweging te maken. Daarbij is van belang dat uit artikel 3.30, derde lid, jo. artikel 3.6, derde lid, van de Wro volgt dat bij de beoordeling op grond van artikel 2.10, eerste lid, onder c, van de Wabo of de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, wordt getoetst aan het wijzigingsplan dat gecoördineerd is voorbereid met de omgevingsvergunning. Dat is dus het hiervoor besproken wijzigingsplan "Hof Noordeinde 2022". 20.2. De door [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 1] aangevoerde beroepsgronden hebben, met uitzondering van de beroepsgrond over parkeren, geen betrekking op de in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo opgenomen weigeringsgronden.