Rechtspraak Raad van State 2026-04-22
ECLI:NL:RVS:2026:2254
202506209/1/A2. Datum uitspraak: 22 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, en het college van beroep voor de examens van Fontys Hogeschool (CBE), verweerder. Procesverloop Bij beslissing van 21 augustus 2025 heeft de directeur van Fontys Educatie het resultaat van het 21+ toelatingsonderzoek (het onderzoek) van [appellant] vastgesteld op ‘Niet Behaald’. Bij beslissing van 17 december 2025 heeft het CBE het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld. Het CBE heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 februari 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. B. Salamat, rechtsbijstandsverlener in Enschede, en het CBE via een videoverbinding, vertegenwoordigd door mr. M. Middendorp en mr. drs. M.E.C. Hesseling-Hertsenberg, zijn verschenen. De Afdeling heeft het onderzoek met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heropend. Het CBE heeft desgevraagd nadere stukken ingediend. [appellant] heeft hierop gereageerd. Met toestemming van partijen is afgezien van een nadere zitting. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen Inleiding 1. [appellant] heeft deelgenomen aan een toelatingsonderzoek voor de lerarenopleiding Geschiedenis aan de Fontys Hogeschool (de opleiding). Het toelatingsonderzoek bestaat uit een capaciteitentoets en een taaltoets. Om voor het onderzoek te slagen, moet de kandidaat zowel de capaciteitentoets als de taaltoets met een positief resultaat afronden. De capaciteitentoets is behaald bij een totaalscore van 4 of hoger. 2. [appellant] heeft voor de capaciteitentoets een totaalscore van 3,6 behaald. Dit betekent dat hij het onderzoek niet heeft behaald en dus niet is toegelaten tot de opleiding. Beslissing van het CBE 3. Het CBE heeft zich, voor zover relevant, op het standpunt gesteld dat de beoordeling van het onderzoek niet in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Er heeft in de afname van het onderzoek geen aan de onderwijsinstelling toe te rekenen onregelmatigheid plaatsgevonden. In de uitnodiging voor het onderzoek, de bijbehorende instructie en het bericht van de toetsleverancier op de dag van het onderzoek zelf, staat dat een kandidaat eerst een instructie krijgt en pas daarna, zodra de surveillant dit heeft aangegeven, mag starten. Niet kan worden vastgesteld of de surveillant mondeling andere informatie heeft gegeven. Voor zover [appellant] het afbreken en opnieuw opstarten van het onderzoek heeft ervaren als een onregelmatigheid, is dit niet dermate ingrijpend dat dit begrijpelijkerwijs van invloed is geweest op het eindresultaat. [appellant] heeft het onderzoek onder normale omstandigheden en met gebruikmaking van de vooraf gecommuniceerde tijdsduur kunnen maken. Beoordeling van het beroep Zorgvuldigheidsbeginsel 4. [appellant] betoogt dat het CBE ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat de beoordeling van het onderzoek zorgvuldig tot stand is gekomen. De surveillant heeft voorafgaand aan de afname daarvan een afwijkende instructie gegeven dan vooraf aan de kandidaten is gecommuniceerd. Hij heeft gezegd: "Volg mij het lokaal in, dan mag je gaan zitten en van start gaan dan." [appellant] is hierdoor direct met het onderzoek gestart, terwijl eerst een instructievideo moest worden bekeken. De surveillant heeft vervolgens het onderzoek gereset, wat heeft geleid tot concentratieproblemen. Ten onrechte is in dit verband het risico van de ambiguïteit van de instructie van de surveillant gelegd bij [appellant]. Hij had immers uit "van start gaan" mogen afleiden dat hij mocht aanvangen met het onderzoek. [appellant] wijst er verder op dat hij kenmerken heeft van een autismespectrum stoornis en is gediagnosticeerd met ADHD, waardoor hij kwetsbaar is voor plotseling gewijzigde i