Rechtspraak
Raad van State
2026-04-23
ECLI:NL:RVS:2026:2223
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
1,255 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2223 text/xml public 2026-04-29T10:32:12 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-23 BRS.26.000123 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2223 text/html public 2026-04-21T14:33:54 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2223 Raad van State , 23-04-2026 / BRS.26.000123 Bij besluit van 24 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten. BRS.26.000123 ECLI:NL:RVS:2026:2223 Datum uitspraak: 23 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 15 december 2025 in zaak nr. NL24.7518 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 24 juli 2025 heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten. Bij uitspraak van 15 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R.W.J.L. Loonen, advocaat in Sittard, hoger beroep ingesteld. Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft appellant zich nader uitgelaten. Overwegingen 1. De termijn voor het instellen van het hoger beroep eindigde op 12 januari 2026. Op die dag heeft appellant aan de Afdeling alleen de aangevallen uitspraak toegestuurd. Appellant is daar telefonisch op gewezen. Het hogerberoepschrift is pas op 13 januari 2026 bij de Raad van State binnengekomen. Appellant heeft het hoger beroepschrift daarom niet op tijd ingediend. In wat appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen reden om het hoger beroep toch in behandeling te nemen. Er doen zich in dit geval geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664. 2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van S. van Dijk LLM, griffier. w.g. Sevenster lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Dijk griffier Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026 967
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2223 text/xml public 2026-04-29T10:32:12 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-23 BRS.26.000123 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2223 text/html public 2026-04-21T14:33:54 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2223 Raad van State , 23-04-2026 / BRS.26.000123 Bij besluit van 24 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten. BRS.26.000123 ECLI:NL:RVS:2026:2223 Datum uitspraak: 23 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 15 december 2025 in zaak nr. NL24.7518 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 24 juli 2025 heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten. Bij uitspraak van 15 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R.W.J.L. Loonen, advocaat in Sittard, hoger beroep ingesteld. Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft appellant zich nader uitgelaten. Overwegingen 1. De termijn voor het instellen van het hoger beroep eindigde op 12 januari 2026. Op die dag heeft appellant aan de Afdeling alleen de aangevallen uitspraak toegestuurd. Appellant is daar telefonisch op gewezen. Het hogerberoepschrift is pas op 13 januari 2026 bij de Raad van State binnengekomen. Appellant heeft het hoger beroepschrift daarom niet op tijd ingediend. In wat appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen reden om het hoger beroep toch in behandeling te nemen. Er doen zich in dit geval geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664. 2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van S. van Dijk LLM, griffier. w.g. Sevenster lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Dijk griffier Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026 967