Rechtspraak Raad van State 2026-01-14
ECLI:NL:RVS:2026:221
202400146/1/A3. Datum uitspraak: 14 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant]), wonend in [woonplaats], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 22 december 2023 in zaak nr. 21/1592 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Eijsden-Margraten. Procesverloop Bij besluit van 2 januari 2019 heeft het college [appellant] op 8 november 2018 uitgeschreven uit de basisregistratie personen (hierna: brp). Bij besluit van 9 juni 2021 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 22 december 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant] heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 juli 2025, waar [appellant A], bijgestaan door mr. J.E.A.H. Verstraelen, advocaat in Maastricht, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.R.P. Bastiaans, advocaat in Maastricht, en S. Lucassen en C. Frijns-Warnaar, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellant] stond ingeschreven op het adres [locatie] in Cadier en Keer (hierna: adres). Bij e-mail van 7 oktober 2018 heeft [appellant] aan het college meegedeeld dat hij per 28 september 2018 niet meer op dit adres woont. Met het besluit van 2 januari 2019 heeft het college [appellant] op grond van de Wet basisregistratie personen (hierna: Wet brp) uit de brp uitgeschreven. Met het besluit van 9 juni 2021 is het hier bij gebleven. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft geoordeeld dat vaststaat dat het college [appellant] naar zijn nieuwe woon- of verblijfplaats heeft gevraagd. Omdat [appellant] hier geen gehoor aan heeft gegeven, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellant], desgevraagd, geen verblijfplaats als bedoeld in de Wet brp kenbaar heeft willen maken. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is geweest van aangifte van adreswijziging en/of vertrek. 3. De rechtbank overweegt verder dat in dit geval [appellant] in zijn brief/e-mail aan het college van 7 oktober 2018 slechts heeft vermeld: "thans verblijvend in vakantieparken". Het was voor het college niet mogelijk om na te gaan op welk vakantiepark [appellant] precies verbleef. Ook in Suwinet heeft het college geen ander woon- of verblijfadres van [appellant] kunnen achterhalen. Bovendien heeft een toezichthouder, zonder resultaat, de woning bezocht en navraag gedaan bij de verhuurder/eigenaar van de woning aan de [locatie]. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college een gedegen/degelijk onderzoek heeft verricht naar het verblijf van [appellant] in overeenstemming met het Protocol adresonderzoek brp. Tot slot wordt [appellant] volgens de rechtbank niet onevenredig geraakt door het besluit van 9 juni 2021. Juridisch kader 4. Artikel 2.22, eerste lid, van de Wet brp luidt: "Indien een ingezetene niet kan worden bereikt, van hem geen aangifte van wijziging van zijn adres of van vertrek is ontvangen als bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, of 2.21, eerste lid, en na gedegen onderzoek geen gegevens over hem kunnen worden achterhaald betreffende het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland noch het volgende verblijf buiten Nederland, draagt het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente ambtshalve zorg voor de opneming van het gegeven van het vertrek van de ingezetene uit Nederland." Het tweede lid luidt: "Als datum van vertrek uit Nederland en van opheffing van het adres wordt de dag opgenomen waarop het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens over het vertrek is bekendgemaakt." Artikel 2.39, eerste lid, van de Wet brp luidt: "De