Rechtspraak
Raad van State
2026-04-22
ECLI:NL:RVS:2026:2189
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
1,164 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2189 text/xml public 2026-04-29T10:32:08 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-22 BRS.25.002400 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2189 text/html public 2026-04-20T12:03:00 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2189 Raad van State , 22-04-2026 / BRS.25.002400 Bij besluit van 7 februari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. BRS.25.002400 ECLI:NL:RVS:2026:2189 Datum uitspraak: 22 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 13 november 2025 in zaak nr. NL25.6164 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 7 februari 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 13 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. I.M. Zuidhoek, advocaat in Gieten, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank. Appellant legt namelijk niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hem niet juist is. Daarom kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85 van de Vw 2000). Er doen zich in dit geval geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664. 2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.I. van Kesteren, griffier. w.g. Sevenster lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Kesteren griffier Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026 897-1170
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2189 text/xml public 2026-04-29T10:32:08 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-22 BRS.25.002400 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2189 text/html public 2026-04-20T12:03:00 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2189 Raad van State , 22-04-2026 / BRS.25.002400 Bij besluit van 7 februari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. BRS.25.002400 ECLI:NL:RVS:2026:2189 Datum uitspraak: 22 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 13 november 2025 in zaak nr. NL25.6164 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 7 februari 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 13 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. I.M. Zuidhoek, advocaat in Gieten, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank. Appellant legt namelijk niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hem niet juist is. Daarom kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85 van de Vw 2000). Er doen zich in dit geval geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664. 2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.I. van Kesteren, griffier. w.g. Sevenster lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Kesteren griffier Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026 897-1170