Rechtspraak Raad van State 2026-01-14
ECLI:NL:RVS:2026:215
202401156/1/R2. Datum uitspraak: 14 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend in Someren, appellant, en de raad van de gemeente Someren, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 14 december 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Waterlaat en Opper oneven Someren" (hierna: het plan) vastgesteld. Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. [partij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De raad heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 oktober 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.T.F. van Berkel, advocaat in Someren, en de raad, vertegenwoordigd door ing. J.F.W. van Oosterhout en mr. A.A.M. Kuijken, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij], bijgestaan door mr. E.H.E.J. Wijnen, advocaat in Tilburg, als partij gehoord. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 18 augustus 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. Inleiding 2. Het plan voorziet in de realisatie van maximaal veertien woningen in de vorm van vrijstaande woningen, twee-onder-een-kapwoningen en aaneengebouwde en geschakelde woningen. Het plangebied, in het zuiden van de kern Someren, is op dit moment grotendeels in gebruik als achtertuinen bij verschillende woningen aan de Kommerstraat. 2.1. [appellant] woont aan de [locatie] in Someren, grenzend aan het plangebied. Hij kan zich niet verenigen met het plan, onder andere omdat op korte afstand tegenover zijn woning woningen gebouwd mogen worden. [partij] is eigenaar van een deel van de gronden in het plangebied, kadastraal bekend gemeente Someren, sectie B, nr. 5183, en sectie S, nr. 2166, tegenover het perceel van [appellant]. Wijze van toetsen 3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen. Strijd met uitgangspunten vorig bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplan 4. [appellant] betoogt dat het plan in strijd is met de uitgangspunten van het bestemmingsplan "Groote Hoeven" (hierna: het vorige plan) en het daarbij behorende beeldkwaliteitsplan, in het bijzonder wat betreft de aanleg van een groenstrook langs de woonstraat Opper. Volgens hem volgt uit de plantoelichting dat voor de stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing wordt aangesloten bij het vorige plan en het beeldkwaliteitsplan. Daarmee heeft de raad dit beeldkwaliteitsplan zelf in de onderbouwing van het nu voorliggende plan geïncorporeerd, zodat het in zoverre als toetsingskader heeft te gelden. Nu de mogelijk gemaakte ontwikkeling afwijkt van die eerdere uitgangspunten, is het plan volgens [appellant] niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. 4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voor het plan weliswaa Het bouwen met een geringe mate van afwijking van de plaats en richting van de bouw- en bestemmingsgrenzen indien dit noodzakelijk is in verband met afwijkingen of onnauwkeurigheden ten opzichte van de feitelijke situatie of in die gevallen waar een rationele verkaveling van de gronden dit vergt." 5.2. De Afdeling overweegt dat uit de verbeelding volgt dat de voorziene afstand tussen de voorgevel van de woning van [appellant] en de voorgevelrooilijn van de nieuwe woningen ten minste 13,65 m bedraagt, waar dit in het vorige plan 16,9 m was. De afstand is daarmee met ongeveer 3,25 m verkleind. De raad heeft deugdelijk gemotiveerd toegelicht dat hoewel deze afstand kleiner is, deze niet ongebruikelijk is voor een woonstraat en, ook zonder groenstrook, past binnen de ruimtelijke opzet van de wijk. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling op dat standpunt kunnen stellen. Voor zover [appellant] vreest dat de afwijkingsbevoegdheid van artikel 10, onder b, van de planregels ertoe kan leiden dat de nieuwe woningen nog dichterbij worden gebouwd, overweegt de Afdeling dat deze bevoegdheid beperkt is tot geringe afwijkingen als gevolg van afwijkingen of onnauwkeurigheden ten opzichte van de feitelijke situatie of als een rationele verkaveling dat vergt. Gelet hierop, acht de Afdeling het niet aannemelijk dat toepassing van deze bevoegdheid zal leiden tot een significante verkleining van de afstand tot de woning van [appellant]. Bij toepassing van de bevoegdheid zullen bovendien de belangen van [appellant] moeten worden gewogen. Overigens heeft de raad toegelicht dat toepassing van deze bevoegdheid om daarmee de nieuwe bebouwing dichter op de straat of op bestaande woningen te plaatsen, niet in de rede ligt. Het betoog slaagt in zoverre niet. 5.3. De gevolgen voor de bezonning en schaduwwerking bij de woning van [appellant] zijn bij de planvaststelling niet onderzocht. De raad had dit uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wel moeten doen. Het besluit van 14 december 2023 is daarom in zoverre genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Het betoog slaagt in zoverre. 5.4. Na de vaststelling van het plan heeft de raad aanleiding gezien om Duis architecture and services onderzoek te laten uitvoeren. De resultaten daarvan zijn neergelegd in de "Rapportage bezonningsstudie" (hierna: de bezonningsstudie) van 4 juni 2024. Daarbij is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden wat betreft bouwhoogte, goothoogte en bouwvolume. De bezonningsstudie laat zien wat de invloed is van de beoogde woningbouw op de zonuren van de woning van [appellant] en op welke plekken er schaduwwerking optreedt. De raad heeft voor het aantal zonuren per dag in een woning de zogenoemde strenge TNO-norm als uitgangspunt gehanteerd. Deze norm gaat uit van minimaal drie bezonningsuren per dag in de periode 21 januari tot en met 22 november ter plaatse van het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam. Uit de bezonningsstudie volgt dat de woning van [appellant] ook na de realisering van de nieuwe woningen aan deze norm voldoet. [appellant] heeft dit niet bestreden. De raad mocht zich dan ook op het standpunt stellen dat de voorziene ontwikkeling niet leidt tot een grote vermindering van zonlichttoetreding en tot ernstige schaduwhinder. De Afdeling ziet aanleiding om het onder 5.3 vastgestelde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb in de einduitspraak te passeren. Strijd met Waterhuishoudingsplan Groote Hoeven 6. [appellant] betoogt dat het plan in strijd is met het Waterhuishoudingsplan Groote Hoeven van 16 september 2016, omdat de in het vorige plan voorziene groenstrook tussen de nieuwe woningen en de Opper is komen te vervallen. Volgens hem wijkt het plan daarmee af van de uitgangspunten in het Waterhuishoudingsplan, waarin is geadviseerd om voldoende groenzones aan te leggen op gelijke hoogte of lager dan de rijbaan om waterove Voorwaardelijke verplichting 7. [appellant] betoogt dat de planregels onvoldoende borgen dat op de hoek van de Waterlaat en de Opper daadwerkelijk een groenvlak wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden. Hij wijst erop dat de bestemming "Groen" ingevolge artikel 3.1 van de planregels een breed scala aan functies toelaat, waaronder speelvoorzieningen, parkeervoorzieningen en nutsvoorzieningen. De raad had volgens hem de aanleg en instandhouding van een groenvlak met een voorwaardelijke verplichting in de planregels moeten borgen. 7.1. De raad licht toe dat in het vorige plan ook geen voorwaardelijke verplichting was opgenomen voor de bestemming "Groen". De raad acht het vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet noodzakelijk dat het bestemmingsvlak met de bestemming "Groen" met alleen groen wordt ingericht. Daarom is volgens de raad een voorwaardelijke verplichting niet nodig. 7.2. De Afdeling overweegt dat de bestemming "Groen" ingevolge artikel 3.1 van de planregels inderdaad ook andere functies toelaat, zoals speel-, nuts- of parkeervoorzieningen. De raad heeft toegelicht dat hij het vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet noodzakelijk acht dat het volledige bestemmingsvlak als groenstrook wordt ingericht. De Afdeling ziet geen aanleiding dit standpunt van de raad niet te volgen. De Afdeling betrekt daarbij dat de raad gemotiveerd heeft toegelicht dat de waterbergingscapaciteit van de wijk Groote Hoeven zodanig ruim is gedimensioneerd dat ook zonder het groenvlak van 300 m2 op de hoek van de Waterlaat en de Opper geen problemen worden verwacht. Het betoog slaagt niet. Afwijkingsbevoegdheid 8. [appellant] betoogt dat artikel 10, onder a, van de planregels, waarin een afwijkingsbevoegdheid is opgenomen, onvoldoende rechtszekerheid biedt. Volgens hem is onduidelijk wanneer sprake is van een bouwkundige of architectonische inpassing die toepassing van de 10%-regeling rechtvaardigt. Ook is volgens hem onduidelijk wat onder c wordt bedoeld met de voorwaarde dat de stedenbouwkundige betekenis niet wordt aangetast. Omdat niet kenbaar is waaraan het bevoegd gezag bij de toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid moet toetsen, acht hij de planregel rechtsonzeker. 8.1. Volgens de raad is er geen aanleiding om aan te nemen dat gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsbevoegdheid, omdat de maximale bouwhoogte van 11 m voldoende ruimte biedt om binnen de gestelde maatvoering te bouwen. Voor zover in een concreet geval toch toepassing wordt gegeven aan de afwijkingsbevoegdheid, gaat daaraan volgens de raad een belangenafweging vooraf waarbij ook de belangen van [appellant] worden betrokken. Bovendien staat tegen een besluit tot verlening van een omgevingsvergunning waarbij toepassing wordt gegeven aan artikel 10, rechtsbescherming open. 8.2. Artikel 10, aanhef en onder a en c, van de planregels luidt: "Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in de regels, ten behoeve van: a. Het afwijken van de voorgeschreven minimum- en maximummaten met niet meer dan 10%, mits: 1. daarvoor in deze regels geen bijzondere afwijkingsbevoegdheden zijn opgenomen. 2. dit noodzakelijk is voor de bouwkundige dan wel architectonische inpassing. c. De onder a en b geregelde omgevingsvergunningen kunnen worden verleend indien door deze verlening belangen van derden niet onevenredig worden geschaad en de stedenbouwkundige samenhang niet onevenredig wordt aangetast. Er zal sprake zijn van onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige samenhang als: 1. de karakteristiek van de openbare ruimte wordt aangetast. 2. de historische of stedenbouwkundige betekenis van de bebouwing wordt aangetast." 8.3. De Afdeling overweegt dat het een planregel niet rechtsonzeker maakt als daarin een afwijkingsbevoegdheid is opgenomen die het bevoegd gezag beoordelingsruimte laat. Uit artikel 10, onder a, van de planregels volgt binnen welke bandbreedte de afwijkingsbevoegdhei