Rechtspraak Raad van State 2026-04-15
ECLI:NL:RVS:2026:2094
202302457/1/A3. Datum uitspraak: 15 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: [appellante], wonend in [woonplaats], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 28 februari 2023 in zaak nr. 22/1515 in het geding tussen: [appellante] en het College van Bestuur van de Universiteit Leiden en de Commissie voor de Beroep- en Bezwaarschriften van de Universiteit Leiden (hierna: gezamenlijk en in enkelvoud: het college). Procesverloop Bij besluit van 6 april 2022 heeft het college beslist op een verzoek van [appellante] om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob). Bij besluit van 23 december 2022 heeft het college aanvullend beslist op dat verzoek. Bij uitspraak van 28 februari 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] ingestelde beroep tegen het niet-tijdig beslissen op het verzoek niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit van 6 april 2022 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven met uitzondering van de beoordeling van document 61. Verder heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 december 2022 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. Bij e-mailbericht van 2 mei 2023 heeft het college document 61 aan [appellante] verstrekt, waarbij de passages die inzicht geven in de werkwijze van de universiteit met het oog op het verkrijgen van middelen onleesbaar zijn gemaakt. Het college heeft een nader stuk ingediend. [appellante] heeft een zienswijze ingediend. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 november 2025, waar het college, vertegenwoordigd door mr. D.H. Mandel, bijgestaan door mr. N.N. Bontje, advocaat in Den Haag, is verschenen. Overwegingen Waar gaat deze zaak over? 1. [appellante] heeft het college verzocht om openbaarmaking van de volgende op de website van de Universiteit Leiden vermelde documenten: ‘publiek-private activiteiten’, ‘projectbeheer’ en ‘facturering’. Het gaat om de versies van de documenten die op 23 september 2021 op de website waren geplaatst. Ook heeft [appellante] het college verzocht om openbaarmaking van alle documenten met betrekking tot de afhandeling van haar bezwaarschrift door het college in een eerdere Wob-procedure. Het gaat daarbij om interne correspondentie van het college, de correspondentie van het college met de commissie, met zijn advocaat, met Janssen Vaccines & Prevention B.V. en met eventuele andere derden. 2. Het college heeft naar aanleiding van het verzoek de volgende documenten gevonden: correspondentie van het college met de commissie, interne correspondentie van de commissie, correspondentie tussen het college en zijn advocaat, de Regeling Werken voor Derden en een tarieflijst met een begeleidende brief. Bij besluit van 6 april 2022 heeft het college de gevraagde documenten openbaar gemaakt, met uitzondering van: a. persoonsgegevens en tot personen te herleiden gegevens van derden en medewerkers die vanuit hun functie niet naar buiten treden (artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob); b. de correspondentie tussen het college en de advocaat omdat die ziet op persoonlijke beleidsopvattingen die bestemd zijn voor intern beraad en leidt tot onevenredige benadeling van de universiteit en een onevenredige bevoordeling van [appellante] (artikel 11, eerste lid, van de Wob en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob). c. de correspondentie tussen de voorzitter, leden en de secretaris van de commissie, voor zover deze persoonlijke beleidsopvattingen bevat die bestemd zijn voor intern beraad (artikel 11, eerste lid, van de Wob); d. de tarieflijst omdat openbaarmaking ervan nadelig is voor de economische en financiële belangen van de universiteit en leidt tot onevenredige benadeling van de universiteit of bevoordeling van derden (artikel 10, tweede lid, a Verder had de rechtbank moeten oordelen dat de salarisschalen openbaar gemaakt moeten worden zodat zij kan controleren of die overeenstemmen met die van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU). 6.1. Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen. 6.2. Het college heeft in de schriftelijke uiteenzetting toegelicht dat het juist is dat de universiteit niet zonder meer mag concurreren met het bedrijfsleven omdat zij grotendeels door het Rijk wordt bekostigd. Daarom moet bij het uitvoeren van opdrachtonderzoek voor derden een vergoeding in rekening worden gebracht die ten minste gelijk is aan de integrale kostprijs. Het college stelt daarvoor jaarlijks tarieven vast, die als ondergrens gelden bij de onderhandeling met derden. Het college heeft in die zin zijn bevoegdheid tot vrij onderhandelen met commerciële partijen ‘ingeperkt’. Dit laat onverlet dat de universiteit onderhandelingsruimte heeft, omdat zij met opdrachtgevers een hogere vergoeding kan overeenkomen dan het minimumtarief. Gelet op de huidige bekostigingssystematiek, waarbij universiteiten voor hun financiering gedeeltelijk afhankelijk zijn van derden, zal een hogere vergoeding dan kostendekkend vaak ook noodzakelijk zijn om inkomsten te genereren. Bij openbaarmaking van de bedragen van de tarieflijst, met uitzondering van de eerste kolom, kunnen derden die met de universiteiten onderhandelen hun voordeel hiermee doen, met als gevolg dat de onderhandelingspositie van de universiteit verslechtert. De Afdeling is van oordeel dat, gelet op deze toelichting, de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat bij openbaarmaking van de bedragen uit de tarieflijst de financiële belangen van de universiteit in het geding zijn. [appellante] kan daarom niet worden gevolgd in haar betoog dat artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wob niet van toepassing kan zijn op de bedragen uit de tarieflijst. Voor de vraag of deze uitzonderingsgrond kan worden toegepast is verder niet relevant of het college al dan niet een marktpartij is, omdat deze grond betrekking heeft op de in artikel 1a, eerste lid, onder c en d bedoelde bestuursorganen. Deze uitzonderingsgrond heeft dus ook betrekking op het college. 6.3. Dat wat [appellante] heeft aangevoerd over de Regeling, behoeft geen bespreking. [appellante] heeft inmiddels de beschikking gekregen over de gehele inhoud van de Regeling en heeft te kennen gegeven dat zij geen belang meer heeft bij de beoordeling van haar betoog over de Regeling. 6.4. Voor zover [appellante] aanvoert dat de in de eerste kolom van de tarieflijst vermelde salarisschalen openbaar gemaakt moeten worden, overweegt de Afdeling het volgende. De rechtbank heeft overwogen dat ter zitting aan de orde is geweest dat de bedragen in de eerste kolom feitelijk al openbaar zijn, omdat daarin de salarisschalen en bedragen conform het overzicht van de VSNU staan. Dat betekent dat deze salarisschalen dus al openbaar zijn en dat het college dus niet gehouden was om die informatie openbaar te maken. 6.5. Het betoog slaagt niet. De correspondentie van het college met zijn advocaat 7. [appellante] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de correspondentie met zijn advocaat niet openbaar heeft hoeven maken in verband met artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, Wob en artikel 11, eerste lid, van de Wob. De communicatie met advocaten mag volgens [appellante] niet anders behandeld worden dan de communicatie met anderen. Er moet alleen gekeken worden of er sprake is van intern beraad en van persoonlijke beleidsopvattingen. [appellante] bestrijdt dat het goed functioneren van de universiteit door openbaarmaking van de correspondent Omdat het college op 6 april 2022 en 23 december 2022 op het verzoek heeft beslist, is dat doel inmiddels bereikt. Vergelijk: uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5388, onder 5.1. Dit betekent dat het door [appellante] ingestelde beroep wegens het niet-tijdig beslissen dus niet slaagt en de rechtbank daarom geen aanleiding heeft hoeven zien om voor het instellen van dat beroep een proceskostenvergoeding toe te kennen. Dat wat [appellante] heeft aangevoerd over de bevoegdheid van de medewerker die haar over de verdaging van de beslistermijn heeft bericht, kan dat niet anders maken. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, had [appellante] naar aanleiding van dit bericht moeten begrijpen dat zij uiterlijk op 11 april 2022 een besluit op het verzoek kon verwachten. Dat zij desondanks op 31 maart 2022 en beroep wegens het niet-tijdig beslissen op haar verzoek heeft ingediend, moet daarom voor haar rekening blijven. Het betoog slaagt niet. 11. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd. Mailbericht van 2 mei 2023 12. Bij e-mailbericht van 2 mei 2023 heeft het college de Regeling aan [appellante] verstrekt, waarbij de passages die inzicht geven in de werkwijze van de universiteit met het oog op het verkrijgen van middelen onleesbaar zijn gemaakt. 13. [appellante] heeft aangevoerd dat het e-mailbericht geen besluit is. Als er van moet worden uitgegaan dat het wel een besluit is, dan voert [appellante] aan dat zij het er niet mee eens. Daartoe verwijst zij naar de hogerberoepsgronden. 13.1. Bij de beantwoording van de vraag of het e-mailbericht een besluit is, is bepalend of de daarin vermelde mededeling gericht is op een rechtsgevolg. Dat is het geval als het bestuursorgaan een verandering beoogt in een bevoegdheid, recht, verplichting of status van een persoon of zaak. Van een op rechtsgevolg gericht mededeling is verder sprake als een bestuursorgaan beoogt een bevoegdheid, recht, verplichting of status van een persoon of zaak bindend vast te stellen. 13.2. In het e-mailbericht staat het volgende: "De Rechtbank heeft in haar uitspraak van 28 februari jl. (UTR 22/1515) bepaalt dat de universiteit de ‘Regeling Werken voor derden’ niet integraal heeft mogen weigeren, omdat er passages zijn aan te wijzen waarop de weigeringsgronden van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b en g, van de Wob niet van toepassing zijn (overweging 23). Bijgaand treft u het bewuste document aan. De passages die wel inzicht geven in de wijze van de universiteit met het oog op het verkrijgen van middelen, de zogenoemde derde geldstroom, zijn onleesbaar gemaakt. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de uitspraak van de rechtbank. Met vriendelijke groet, mr. D.H. Mandel Hoofd Juridische Zaken Universiteit Leiden" 13.3. De Afdeling overweegt dat in het e-mailbericht is vermeld welk document gedeeltelijk openbaar wordt gemaakt en daarmee is bedoeld om gevolg te geven aan de uitspraak van de rechtbank en dus (gedeeltelijk) opnieuw op het Wob-verzoek te beslissen. Vergelijk: uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:99. Het e-mailbericht is dus gericht op rechtsgevolg. Anders dan [appellante] heeft aangevoerd, heeft het college daarmee een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb genomen. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:19 van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. 13.4. [appellante] heeft aangevoerd dat, indien het e-mailbericht wel een besluit is, zij zich hier niet mee kan verenigen. Daartoe heeft zij verwezen naar de hogerberoepsgronden. De Afdeling overweegt dat uit de voorgaande overwegingen volgt dat die hogerberoepsgronden niet slagen. 13.5. Het beroep is daarom ongegrond. Overschrijding van de redelijke termijn 14. In beginsel is de bestuursrechter niet gehouden te toetsen of de redelijke termijn als bedoeld in artikel