Rechtspraak Raad van State 2026-04-15
ECLI:NL:RVS:2026:2077
202300535/1/R4. Datum uitspraak: 15 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Gaanderen, gemeente Doetinchem, appellanten, en de raad van de gemeente Doetinchem, verweerder. - Procesverloop Bij besluit van 24 november 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Hertelerweg 3 - 2022" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. Op 30 januari 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "Hertelerweg 3 - 2022" opnieuw en gewijzigd vastgesteld. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2026, waar de raad, vertegenwoordigd door M. Steenbeek, is verschenen. Voorts is Hofstad Grondwerken B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], als partij gehoord. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 17 maart 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. Inleiding 2. Op het perceel Hertelerweg 3 in Gaanderen is een loonwerk- en grondverzetbedrijf gevestigd van Hofstad met bijbehorende loods. Met het plan wordt dit bedrijf positief bestemd. Daarnaast maakt het plan een uitbreiding van het bedrijf mogelijk op het buitenterrein rondom de loods. De uitbreiding gaat volgens de toelichting om manoeuvreerruimte, opslag van onder meer grond in verzamelvakken van maximaal 2 m hoog en een wasruimte voor de machines van het bedrijf. Het grootste deel van het perceel behoudt de bestemming "Agrarisch met waarden". 2.1. [appellant A] en [appellant B] wonen op het naastgelegen perceel, [locatie], en houden hobbymatig paarden. [appellant A] en [appellant B] ervaren overlast van het bedrijf en vrezen verdere uitbreiding van de bedrijfsvoering. Daarnaast schrikken hun paarden van de activiteiten van het bedrijf. Ook om deze reden hebben zij beroep ingesteld. Herstelbesluit 3. De raad heeft bij besluit van 30 januari 2025 het plan opnieuw en gewijzigd vastgesteld omdat de aan het bedrijf eerder in het besluit van 24 november 2022 geboden geluidsruimte voor de avond- en nachtperiode niet noodzakelijk is. Het bedrijf van Hofstad is uitsluitend van 07:00 tot 19:00 uur actief. Om die reden hoeft volgens de raad niets geregeld te worden voor de geluidsbelasting in de avond en nacht in het bestemmingsplan. De raad heeft de toelichting in de zienswijzenota op dit punt aangevuld. Daarnaast heeft de raad artikel 4, vierde lid, onder c, van het oorspronkelijke plan geschrapt en het akoestisch onderzoek verwijderd uit de bijlage bij de regels. 3.1. Met het herstelbesluit van 30 januari 2025 is het besluit van 24 november 2022 vervangen als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb). Omdat het herstelbesluit niet geheel aan het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegemoetkomt, heeft het beroep van rechtswege ook betrekking op dit herstelbesluit. De Afdeling zal eerst het beroep tegen het herstelbesluit beoordelen en vervolgens bezien of er nog belang bestaat bij een beoordeling van het beroep tegen het besluit van 24 november 2022. Wettelijk kader 4. De relevante bepalingen staan in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Toetsingskader 5. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruim Volgens die brochure valt een agrarisch loonwerk- en grondverzetbedrijf onder categorie 3.1 en geldt voor geluid een voorkeursafstand van 50 meter tot woningen. De woning van [appellant A] en [appellant B] ligt op een afstand van ruim 20 meter en voldoet daarmee niet aan de voorkeursafstand. Zij hebben bovendien met name last van het toegestane verruimde gebruik van het buitenterrein. De werkzaamheden op dat terrein veroorzaken ook trillinghinder. Voor zover de raad stelt dat het plan in overeenstemming wordt gebracht met het feitelijk gebruik, voeren [appellant A] en [appellant B] aan dat dit komt omdat hun bezwaar tegen de omgevingsvergunning voor de loods destijds ten onrechte niet is behandeld. Volgens hen heeft de raad onvoldoende rekening gehouden met hun belangen en vooral aan het belang van Hofstad een zwaar gewicht toegekend. Dit klemt te meer omdat de raad in het verleden een ernstige fout heeft gemaakt door het bedrijf op het perceel mogelijk te maken. [appellant A] en [appellant B] wijzen in dit verband ook op een in 2005 door het college van gedeputeerde staten van Gelderland ingenomen standpunt dat grondverzetbedrijven in beginsel thuishoren op een industrieterrein en niet in het buitengebied. Verder voeren [appellant A] en [appellant B] aan dat het plan leidt tot verkeersaantrekkende werking omdat ook detailhandel op het perceel is toegestaan. Zij menen dat de raad dit ten onrechte niet heeft beoordeeld. 8.1. De Afdeling stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het bedrijf van Hofstad onder milieucategorie 3.1 valt en dat niet wordt voldaan aan de daarbij behorende voorkeursafstand voor geluid als bedoeld in de VNG-brochure. De aanbevolen richtafstanden in de VNG-brochure gaan over de afstand tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste ligging van een woning die op grond van een bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De in de brochure opgenomen afstanden zijn echter indicatief, zodat daarvan gemotiveerd kan worden afgeweken. Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:288, overweging 14.2. De raad heeft in de zienswijzenota gemotiveerd waarom in dit geval van de richtafstand voor geluid kan worden afgeweken. De werkzaamheden vinden uitsluitend overdag plaats tussen 07:00 en 19:00 uur en omvatten 14 verkeersbewegingen per dag, waarvan 10 door personen- en bestelauto’s en 4 door vrachtwagens en tractoren. De voertuigen worden gereinigd op een op de verbeelding aangewezen locatie gedurende één uur per dag. Ook worden de voertuigen gedurende 5 minuten per dag getankt. Verder gebeurt het laden en lossen van zand en grond met een kraan gedurende 20 minuten per dag. 8.2. De Afdeling begrijpt dat partijen een voorgeschiedenis hebben en dat [appellant A] en [appellant B] vinden dat zij benadeeld zijn doordat de raad in het verleden de loods op het perceel van Hofstad heeft toegestaan. Deze vergunning is echter onherroepelijk en hier kan in deze procedure niet meer tegenop gekomen worden. De loods hoort bij het bedrijf van Hofstad in die zin dat hierin materieel en machines worden opgeslagen. Daarmee is het een gegeven dat er werkzaamheden van Hofstad op het perceel plaatsvinden. De raad heeft met de vaststelling van dit bestemmingsplan geprobeerd om duidelijkheid te scheppen over de aard en inrichting van het bedrijf. Dat de situatie daarmee erger wordt gemaakt volgt de Afdeling niet. De raad heeft de belangen van [appellant A] en [appellant B] zorgvuldig afgewogen door regels te stellen aan de omvang van het bedrijf. Het bouwen van gebouwen is op het perceel uitgesloten zodat voorkomen wordt dat het bedrijf verder kan uitbreiden met nieuwe bebouwing. Voor zover zich in de toekomst een ander (soort) bedrijf op het perceel vestigt, mag dit uitsluitend tot en met milieucategorie 2. Dit is minder belastend dan de huidige situatie. Voor de wasplaats geldt daarnaast nog in het De raad heeft bij zijn afweging tussen de behoefte en het bestaande aanbod dan ook van belang mogen achten dat voor de op het perceel aanwezige loods een omgevingsvergunning is verleend die onherroepelijk is waardoor het ook wenselijk is dat het buitenterrein door Hofstad kan worden gebruikt voor haar bedrijf. Het betoog slaagt niet. Omgevingsverordening 10. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de raad het plan niet had mogen vaststellen omdat artikel 2.12, derde lid, van de Omgevingsverordening Gelderland (de Omgevingsverordening) niet van toepassing is. Volgens [appellant A] en [appellant B] wordt als gevolg van het plan op- en overslag van materialen toegestaan en dit is een geheel andere vorm van bedrijvigheid dan het (voorheen) gevestigde loonwerk- en grondverzetbedrijf. Om die reden is geen sprake van een uitbreiding van het bedrijf, maar van geheel nieuwe bedrijvigheid. 10.1. Naar het oordeel van de Afdeling maakt het plan een uitbreiding van het bestaande bedrijf mogelijk. Vast staat immers dat het bedrijf van Hofstad al langere tijd op het perceel gevestigd is. Weliswaar maakt het plan op- en overslag mogelijk ter plaatse van de ingetekende sleufsilo, maar dit betekent niet dat een nieuw bedrijf wordt gevestigd op het perceel. Het betoog van [appellant A] en [appellant B] dat sprake is van nieuwvestiging en daarmee strijdig is met de Omgevingsverordening slaagt om die reden niet. Landschappelijke inpassing 11. [appellant A] en [appellant B] betogen ten slotte dat het plan geen verplichting bevat om maatregelen ten behoeve van de landschappelijke versterking in stand te houden. Hofstad heeft in dit kader een kikkerpoel, grasland en beplanting rondom het perceel aangelegd. [appellant A] en [appellant B] vrezen dat Hofstad deze maatregelen ongedaan zal maken. 11.1. Artikel 8.1, sub a en onder 10, van de planregels verbiedt het verwijderen of niet in stand houden van de beplanting die is aangebracht in het kader van de landschappelijke inpassing van het perceel, zoals neergelegd in het erfinrichtingsplan opgenomen als bijlage 7 bij de planregels. Naar het oordeel van de Afdeling biedt dit artikel voldoende waarborg voor het behouden van de landschappelijke versterking. Het betoog slaagt niet. Verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn 12. [appellant A] en [appellant B] verzoeken om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. 12.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit één rechterlijke instantie bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste twee jaar redelijk. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de Afdeling. 12.2. De Afdeling heeft het beroepschrift van [appellant A] en [appellant B] ontvangen op 25 januari 2023. De redelijke termijn is in deze procedure dus met 1 jaar en ruim 2 maanden overschreden. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 1.500,00. Daarbij wordt opgemerkt dat [appellant A] samen met [appellant B] procedeert, waarin de Afdeling in dit geval aanleiding ziet om het bedrag te matigen. Dat betekent dat aan hen samen in totaal een bedrag van € 1.500,00 wordt toegekend. Deze matiging acht de Afdeling redelijk vanwege de matigende invloed die het samen deelnemen als partij in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die zij hebben ondervonden door de te lange procedure. Conclusies Beroep tegen herstelplan van 30 januari 2025 13. Het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het herstelplan is, gelet op het voorgaande, ongegrond. Beroep tegen het plan van 24 november 2022 14. Op g