Rechtspraak Raad van State 2026-04-15
ECLI:NL:RVS:2026:2069
202301528/1/R3. Datum uitspraak: 15 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A] en [appellant B], [appellant C] en [appellant D], [appellant E] en [appellant F] en [appellant G], allen wonend in Delft, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 januari 2023 in zaken nrs. 21/1529 en 21/1530 in het geding tussen voor zover van belang: [appellant A] en anderen en het college van burgemeester en wethouders van Delft. Procesverloop Bij besluit van 29 juli 2020 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het dichtmaken van een opening in het dak en het plaatsen van ramen in de bestaande kozijnen van een bijgebouw in de tuin van zijn woning op het perceel [locatie 1] in Delft. Bij besluit van 14 januari 2021 heeft het college het door [appellant A] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 januari 2023 heeft de rechtbank het door [appellant A] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en anderen hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Het college, [appellant A] en anderen en [partij] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 maart 2026, waar [appellant A] en anderen, in de persoon van [appellant B] en [appellant E], vertegenwoordigd door mr. K.L. Markerink, advocaat in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door P.C.R.R. Debipersad en mr. M. de Lange, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], vergezeld door [persoon], bijgestaan door mr. C.J. Visser, advocaat in Rotterdam, als partij gehoord. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 25 juni 2020 Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 2. Tot in de jaren '90 van de vorige eeuw stond er een schoolgebouw achter de percelen [locatie 2] en [locatie 1]. In 1998 is een groot deel van het schoolgebouw gesloopt. Van het deel dat is blijven staan, is het dak deels verwijderd. Dat deel van het schoolgebouw is gaan behoren tot het perceel [locatie 1]. Dit overgebleven deel wordt hierna aangeduid als het bijgebouw. Bij besluit van 19 oktober 1999 is bouwvergunning verleend voor het verkleinen en intern verbouwen van het bijgebouw. [partij] is sinds april 2018 eigenaar van het perceel. Hij is halverwege 2019 begonnen met het verbouwen van het bijgebouw. Na een handhavingsverzoek van omwonenden, omdat volgens hen zonder de benodigde omgevingsvergunning werkzaamheden werden verricht, heeft [partij] een omgevingsvergunning aangevraagd. Het college heeft vervolgens bij het in het procesverloop genoemde besluit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo verleend. Omwonenden zijn het niet eens met de verlening van de vergunning. Zij vrezen voor een aantasting van hun woongenot. Relevante regelgeving 3. Ingevolge het bestemmingsplan "Binnenstad 2012" rust op het perceel de bestemming "Gemengd - Creatief grachtengebied". De relevante planregels zijn opgenomen in de bijlage die onderdeel is van deze uitspraak. Beoordeling van het hoger beroep 4. Op de zitting is gebleken dat [appellant C] en [appellant D] hun perceel hebben verkocht en geleverd, deels aan [partij] en deel Daarmee wordt die ruimte geschikt gemaakt om als onderdeel van het gebouw te worden gebruikt, wat in de bestaande situatie niet het geval was met de opening in het dak. Dat betekent naar het oordeel van de Afdeling dat in de nieuwe situatie de inhoud van het bijgebouw is vergroot. Dat in de eerdere leden van artikel 11.2.2 alleen de dimensies hoogte en diepte worden genoemd, betekent niet dat de term vergroten in lid h ook zo moet worden opgevat. Het gebruik van een andere term in dat lid suggereert ook een andere betekenis. De Afdeling wijst er overigens nog op dat in 1999 een vergunning is aangevraagd voor een verbouwing van het bijgebouw, waarbij onder meer het deel van het dak, dat nu wordt dichtgemaakt, werd verwijderd. Er werd toen een vergunning verleend voor het verkleinen van het bijgebouw. Aangezien er dus sprake is van een vergroting van het bijgebouw, bestaat er strijd met artikel 11.2.2, aanhef en onder h, van de planregels. Dit heeft de rechtbank niet onderkend. Het betoog slaagt. Dat wat [appellant A] en anderen voor het overige over artikel 11.2.2, aanhef en onder h, van de planregels hebben aangevoerd, hoeft geen bespreking. 5.4. Het vorenstaande betekent dat het college de aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen gelet op artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo daarom ook moeten aanmerken als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Dat betekent dat het besluit van 14 januari 2021 in strijd met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, en tweede lid, van de Wabo is genomen. Dit besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking. 6. [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het aannemelijk is dat wordt voldaan aan de brandveiligheidseisen uit het Bouwbesluit 2012. 6.1. [appellant A] en anderen vrezen voor de gevolgen van de overslag van brand vanuit het bijgebouw. De rechtbank heeft bezien of artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht in de weg staat aan een vernietiging van het besluit vanwege het door [appellant A] en anderen gedane beroep op de brandveiligheidseisen uit het Bouwbesluit 2012, meer in het bijzonder de eisen ter bescherming van brandoverslag. Zij heeft overwogen dat een bijgebouw bij de woning van [appellant C] en [appellant D] op 1 m afstand van het bijgebouw van [partij] staat. De andere eisers in beroep wonen minstens 15 m van dat bijgebouw. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen alleen [appellant C] en [appellant D] zich beroepen op de brandveiligheidseisen uit het Bouwbesluit 2012. De rechtbank heeft verder inhoudelijk over het beroep op de brandveiligheidseisen overwogen dat het niet slaagt. 6.2. [appellant A] en anderen hebben het oordeel van de rechtbank over het relativiteitsvereiste niet bestreden, zodat in hoger beroep vast staat dat de brandveiligheidseisen uit het Bouwbesluit 2012 hun belangen niet beschermen en dit dus voor hen in de weg staat aan vernietiging van het bestreden besluit. Het inhoudelijk oordeel van de rechtbank had alleen betrekking op [appellant C] en [appellant D]. Aan een bespreking van dat betoog over het inhoudelijk oordeel van de rechtbank over het Bouwbesluit 2012 komt de Afdeling in hoger beroep niet meer niet toe, nu uit overweging 4 volgt dat het hoger beroep van [appellant C] en [appellant D] niet-ontvankelijk is. Conclusie 7. Het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant C] en [appellant D], is niet-ontvankelijk. Het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant A] en anderen is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover aangevallen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Afdeling het beroep van [appellant A] en anderen tegen het besluit van 14 januari 2021 gegrond en vernietigt dat besluit. Het college zal met inachtneming van deze uitspraak een nieuw beslui