Rechtspraak
Raad van State
2026-04-15
ECLI:NL:RVS:2026:2060
Bestuursrecht
Hoger beroep
4,074 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2060 text/xml public 2026-04-15T10:32:45 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-15 202501338/1/A2 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2060 text/html public 2026-04-15T10:16:23 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2060 Raad van State , 15-04-2026 / 202501338/1/A2 Bij besluit van 11 december 2023 heeft het samenwerkingsverband een toelaatbaarheidsverklaring voor het voortgezet speciaal onderwijs afgegeven voor [kind], de zoon van [appellant]. In geschil is of het samenwerkingsverband voor [kind] een toelaatbaarheidsverklaring voor het voortgezet speciaal onderwijs voor de periode 11 december 2023 tot en met 31 juli 2026 mocht afgeven. [kind] is geboren op [geboortedatum] 2008. In de periode 2012-2020 heeft hij regulier onderwijs gevolgd op basisschool de Koningin Julianaschool in Nieuwegein. In het schooljaar 2020-2021 heeft [kind] regulier voortgezet onderwijs gevolgd op het Oosterlicht College in Nieuwegein. Hij zat in een structuurklas met tien leerlingen. In dat schooljaar kreeg [kind] een verwijzing naar Rebound Zuid Utrecht. Het traject bij Rebound was gericht op terugkeer naar het Oosterlicht College, maar dit traject is vroegtijdig beëindigd vanwege veel schoolverzuim. Het samenwerkingsverband heeft, na een aanvraag van het Oosterlicht College, een toelaatbaarheidsverklaring voor het voortgezet speciaal onderwijs afgegeven voor de periode 15 november 2021 tot en met 31 juli 2023. In het schooljaar 2022-2023 is [kind] gestart op De Baanbreker in IJsselstein. Dat is een school voor regulier praktijkonderwijs. Op 14 november 2023 heeft De Baanbreker een aanvraag voor een toelaatbaarheidsverklaring voor het voortgezet speciaal onderwijs voor [kind] ingediend. 202501338/1/A2. Datum uitspraak: 15 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A] en [appellant B], wonend in [woonplaats], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 januari 2025 in zaak nr. 24/4247 in het geding tussen: [appellant A] en [appellant B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant]) en het bestuur van het Samenwerkingsverband Voortgezet Onderwijs Zuid-Utrecht. Procesverloop Bij besluit van 11 december 2023 heeft het samenwerkingsverband een toelaatbaarheidsverklaring voor het voortgezet speciaal onderwijs afgegeven voor [kind], de zoon van [appellant]. Bij besluit van 10 april 2024 heeft het samenwerkingsverband het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 januari 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het samenwerkingsverband heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 maart 2026, waar [appellant B], bijgestaan door mr. C.W. Simonis, advocaat in Amsterdam, en het samenwerkingsverband, vertegenwoordigd door mr. J. Streefkerk, advocaat in Utrecht, en F.E. van de Haar, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. In geschil is of het samenwerkingsverband voor [kind] een toelaatbaarheidsverklaring voor het voortgezet speciaal onderwijs voor de periode 11 december 2023 tot en met 31 juli 2026 mocht afgeven. Achtergrond van het geschil 2. [kind] is geboren op [geboortedatum] 2008. In de periode 2012-2020 heeft hij regulier onderwijs gevolgd op basisschool de Koningin Julianaschool in Nieuwegein. In het schooljaar 2020-2021 heeft [kind] regulier voortgezet onderwijs gevolgd op het Oosterlicht College in Nieuwegein. Hij zat in een structuurklas met tien leerlingen. In dat schooljaar kreeg [kind] een verwijzing naar Rebound Zuid Utrecht. Het traject bij Rebound was gericht op terugkeer naar het Oosterlicht College, maar dit traject is vroegtijdig beëindigd vanwege veel schoolverzuim. Het samenwerkingsverband heeft, na een aanvraag van het Oosterlicht College, een toelaatbaarheidsverklaring voor het voortgezet speciaal onderwijs afgegeven voor de periode 15 november 2021 tot en met 31 juli 2023. 3. In het schooljaar 2022-2023 is [kind] gestart op De Baanbreker in IJsselstein. Dat is een school voor regulier praktijkonderwijs. Op 14 november 2023 heeft De Baanbreker een aanvraag voor een toelaatbaarheidsverklaring voor het voortgezet speciaal onderwijs voor [kind] ingediend. 4. De Baanbreker heeft op 2 april 2024 besloten tot verwijdering van [kind] van de school per 15 april 2024. 5. Met ingang van 1 februari 2025 is [kind] gestart met een MBO niveau 1 entreeopleiding tot kok. Op de zitting van de Afdeling heeft [appellant] toegelicht dat [kind] met deze opleiding is gestopt. Besluitvorming 6. Het samenwerkingsverband heeft de door De Baanbreker aangevraagde toelaatbaarheidsverklaring bij besluit van 11 december 2023 verstrekt. 7. Het samenwerkingsverband heeft dit besluit in bezwaar gehandhaafd. Het samenwerkingsverband heeft naar aanleiding van het bezwaar advies gevraagd aan de Landelijke Bezwaarcommissie Toelaatbaarheidsverklaringen (LBT). In het advies van de LBT staat dat de toelaatbaarheidsverklaring in stand kan blijven als deze wordt voorzien van een daadkrachtige motivering en twee nieuwe deskundigenverklaringen. Het samenwerkingsverband heeft naar aanleiding van het advies van het LBT twee orthopedagogen geraadpleegd. Beiden hebben een deskundigenadvies opgesteld. Deze adviezen heeft het samenwerkingsverband aan het besluit ten grondslag gelegd. Verder heeft het samenwerkingsverband toegelicht dat de ondersteuningsbehoefte van [kind] groter is dan het regulier onderwijs kan bieden. De Baanbreker heeft maatwerk geboden. [kind] heeft moeite met gezag, hij laat zelfbepalend gedrag en een beperkte leermotivatie zien, heeft negatieve sociale interacties met medeleerlingen en toont impulsief gedrag in combinatie met beperkt zelfinzicht. De belastbaarheid van [kind] is beperkt. Daardoor is hij gebaat bij voldoende één-op-één begeleiding. Hij zal profijt hebben van de ondersteuningsmogelijkheden die binnen het voortgezet speciaal onderwijs beschikbaar zijn, aldus het samenwerkingsverband. Uitspraak van de rechtbank 8. De rechtbank is van oordeel dat het samenwerkingsverband de toelaatbaarheidsverklaring mocht afgeven. Uit de gegevens die het samenwerkingsverband en de deskundigen hebben gebruikt, blijkt dat het gedrag van [kind] een intensievere ondersteuning en begeleiding nodig heeft dan het regulier onderwijs kan bieden. Het ontwikkelingsperspectief, de logboeken en de gespreksverslagen bevatten voorbeelden van dreigend en uitdagend oppositioneel gedrag en de moeite van [kind] om gezag te accepteren. Hij gedraagt zich impulsief en provocerend als er onvoldoende strikt toezicht aanwezig is. Hij heeft moeite met uitgestelde aandacht en met het inschatten van het effect van zijn gedrag op medeleerlingen. De Baanbreker heeft voldoende gedaan om de extra ondersteuning en begeleiding, die onmiskenbaar nodig was, te bieden. De school heeft extra surveillance en toezicht ingezet als [kind] op school was, heeft diverse maatwerktrajecten ingezet en heeft gezocht naar een passende en haalbare uitstroom voor [kind]. De Baanbreker heeft meer dan voldoende alternatieven geboden om [kind] op het regulier onderwijs te houden. Het is zonder twijfel dat het belang van [kind] ook deze toelaatbaarheidsverklaring nodig maakt. Hij moet de kans krijgen om zich door juiste, intensieve en structureel sterke begeleiding alsnog te gaan ontwikkelen. Het reguliere onderwijs kan deze begeleiding niet bieden, aldus de rechtbank. Hoger beroep en de beoordeling daarvan 9. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het samenwerkingsverband de toelaatbaarheidsverklaring mocht afgeven. De rechtbank heeft niet alle relevante feiten en omstandigheden in haar oordeel meegenomen. Bij De Baanbreker zijn verschillende opties besproken voor het vervolg van de schoolcarrière van [kind]. Het was de bedoeling van De Baanbreker om [kind] door te laten stromen naar een entreeopleiding binnen het regulier onderwijs.
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2060 text/xml public 2026-04-15T10:32:45 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-15 202501338/1/A2 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2060 text/html public 2026-04-15T10:16:23 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2060 Raad van State , 15-04-2026 / 202501338/1/A2 Bij besluit van 11 december 2023 heeft het samenwerkingsverband een toelaatbaarheidsverklaring voor het voortgezet speciaal onderwijs afgegeven voor [kind], de zoon van [appellant]. In geschil is of het samenwerkingsverband voor [kind] een toelaatbaarheidsverklaring voor het voortgezet speciaal onderwijs voor de periode 11 december 2023 tot en met 31 juli 2026 mocht afgeven. [kind] is geboren op [geboortedatum] 2008. In de periode 2012-2020 heeft hij regulier onderwijs gevolgd op basisschool de Koningin Julianaschool in Nieuwegein. In het schooljaar 2020-2021 heeft [kind] regulier voortgezet onderwijs gevolgd op het Oosterlicht College in Nieuwegein. Hij zat in een structuurklas met tien leerlingen. In dat schooljaar kreeg [kind] een verwijzing naar Rebound Zuid Utrecht. Het traject bij Rebound was gericht op terugkeer naar het Oosterlicht College, maar dit traject is vroegtijdig beëindigd vanwege veel schoolverzuim. Het samenwerkingsverband heeft, na een aanvraag van het Oosterlicht College, een toelaatbaarheidsverklaring voor het voortgezet speciaal onderwijs afgegeven voor de periode 15 november 2021 tot en met 31 juli 2023. In het schooljaar 2022-2023 is [kind] gestart op De Baanbreker in IJsselstein. Dat is een school voor regulier praktijkonderwijs. Op 14 november 2023 heeft De Baanbreker een aanvraag voor een toelaatbaarheidsverklaring voor het voortgezet speciaal onderwijs voor [kind] ingediend. 202501338/1/A2. Datum uitspraak: 15 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A] en [appellant B], wonend in [woonplaats], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 januari 2025 in zaak nr. 24/4247 in het geding tussen: [appellant A] en [appellant B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant]) en het bestuur van het Samenwerkingsverband Voortgezet Onderwijs Zuid-Utrecht. Procesverloop Bij besluit van 11 december 2023 heeft het samenwerkingsverband een toelaatbaarheidsverklaring voor het voortgezet speciaal onderwijs afgegeven voor [kind], de zoon van [appellant]. Bij besluit van 10 april 2024 heeft het samenwerkingsverband het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 januari 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het samenwerkingsverband heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 maart 2026, waar [appellant B], bijgestaan door mr. C.W. Simonis, advocaat in Amsterdam, en het samenwerkingsverband, vertegenwoordigd door mr. J. Streefkerk, advocaat in Utrecht, en F.E. van de Haar, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. In geschil is of het samenwerkingsverband voor [kind] een toelaatbaarheidsverklaring voor het voortgezet speciaal onderwijs voor de periode 11 december 2023 tot en met 31 juli 2026 mocht afgeven. Achtergrond van het geschil 2. [kind] is geboren op [geboortedatum] 2008. In de periode 2012-2020 heeft hij regulier onderwijs gevolgd op basisschool de Koningin Julianaschool in Nieuwegein. In het schooljaar 2020-2021 heeft [kind] regulier voortgezet onderwijs gevolgd op het Oosterlicht College in Nieuwegein. Hij zat in een structuurklas met tien leerlingen. In dat schooljaar kreeg [kind] een verwijzing naar Rebound Zuid Utrecht. Het traject bij Rebound was gericht op terugkeer naar het Oosterlicht College, maar dit traject is vroegtijdig beëindigd vanwege veel schoolverzuim. Het samenwerkingsverband heeft, na een aanvraag van het Oosterlicht College, een toelaatbaarheidsverklaring voor het voortgezet speciaal onderwijs afgegeven voor de periode 15 november 2021 tot en met 31 juli 2023. 3. In het schooljaar 2022-2023 is [kind] gestart op De Baanbreker in IJsselstein. Dat is een school voor regulier praktijkonderwijs. Op 14 november 2023 heeft De Baanbreker een aanvraag voor een toelaatbaarheidsverklaring voor het voortgezet speciaal onderwijs voor [kind] ingediend. 4. De Baanbreker heeft op 2 april 2024 besloten tot verwijdering van [kind] van de school per 15 april 2024. 5. Met ingang van 1 februari 2025 is [kind] gestart met een MBO niveau 1 entreeopleiding tot kok. Op de zitting van de Afdeling heeft [appellant] toegelicht dat [kind] met deze opleiding is gestopt. Besluitvorming 6. Het samenwerkingsverband heeft de door De Baanbreker aangevraagde toelaatbaarheidsverklaring bij besluit van 11 december 2023 verstrekt. 7. Het samenwerkingsverband heeft dit besluit in bezwaar gehandhaafd. Het samenwerkingsverband heeft naar aanleiding van het bezwaar advies gevraagd aan de Landelijke Bezwaarcommissie Toelaatbaarheidsverklaringen (LBT). In het advies van de LBT staat dat de toelaatbaarheidsverklaring in stand kan blijven als deze wordt voorzien van een daadkrachtige motivering en twee nieuwe deskundigenverklaringen. Het samenwerkingsverband heeft naar aanleiding van het advies van het LBT twee orthopedagogen geraadpleegd. Beiden hebben een deskundigenadvies opgesteld. Deze adviezen heeft het samenwerkingsverband aan het besluit ten grondslag gelegd. Verder heeft het samenwerkingsverband toegelicht dat de ondersteuningsbehoefte van [kind] groter is dan het regulier onderwijs kan bieden. De Baanbreker heeft maatwerk geboden. [kind] heeft moeite met gezag, hij laat zelfbepalend gedrag en een beperkte leermotivatie zien, heeft negatieve sociale interacties met medeleerlingen en toont impulsief gedrag in combinatie met beperkt zelfinzicht. De belastbaarheid van [kind] is beperkt. Daardoor is hij gebaat bij voldoende één-op-één begeleiding. Hij zal profijt hebben van de ondersteuningsmogelijkheden die binnen het voortgezet speciaal onderwijs beschikbaar zijn, aldus het samenwerkingsverband. Uitspraak van de rechtbank 8. De rechtbank is van oordeel dat het samenwerkingsverband de toelaatbaarheidsverklaring mocht afgeven. Uit de gegevens die het samenwerkingsverband en de deskundigen hebben gebruikt, blijkt dat het gedrag van [kind] een intensievere ondersteuning en begeleiding nodig heeft dan het regulier onderwijs kan bieden. Het ontwikkelingsperspectief, de logboeken en de gespreksverslagen bevatten voorbeelden van dreigend en uitdagend oppositioneel gedrag en de moeite van [kind] om gezag te accepteren. Hij gedraagt zich impulsief en provocerend als er onvoldoende strikt toezicht aanwezig is. Hij heeft moeite met uitgestelde aandacht en met het inschatten van het effect van zijn gedrag op medeleerlingen. De Baanbreker heeft voldoende gedaan om de extra ondersteuning en begeleiding, die onmiskenbaar nodig was, te bieden. De school heeft extra surveillance en toezicht ingezet als [kind] op school was, heeft diverse maatwerktrajecten ingezet en heeft gezocht naar een passende en haalbare uitstroom voor [kind]. De Baanbreker heeft meer dan voldoende alternatieven geboden om [kind] op het regulier onderwijs te houden. Het is zonder twijfel dat het belang van [kind] ook deze toelaatbaarheidsverklaring nodig maakt. Hij moet de kans krijgen om zich door juiste, intensieve en structureel sterke begeleiding alsnog te gaan ontwikkelen. Het reguliere onderwijs kan deze begeleiding niet bieden, aldus de rechtbank. Hoger beroep en de beoordeling daarvan 9. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het samenwerkingsverband de toelaatbaarheidsverklaring mocht afgeven. De rechtbank heeft niet alle relevante feiten en omstandigheden in haar oordeel meegenomen. Bij De Baanbreker zijn verschillende opties besproken voor het vervolg van de schoolcarrière van [kind]. Het was de bedoeling van De Baanbreker om [kind] door te laten stromen naar een entreeopleiding binnen het regulier onderwijs.