Rechtspraak Raad van State 2026-04-15
ECLI:NL:RVS:2026:2059
202205817/1/A3. Datum uitspraak: 15 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Bocholtz, gemeente Simpelveld, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 augustus 2022 in zaak nr. 20/3081 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Simpelveld. Procesverloop Bij besluit van 11 mei 2020 heeft het college het verzoek van [appellant] om zijn persoonsgegevens in de basrisregistratie persoonsgegevens (brp) te wijzigen afgewezen. Bij besluit van 30 september 2020 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 25 augustus 2022 heeft de rechtbank voor zover van belang het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Partijen hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 maart 2026, waar [appellant], vergezeld van een tolk en bijgestaan door mr. C.M.G.M. Raafs, advocaat in Sittard, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.E.M. Jeukens en M.H. Gorsic, via videoverbinding zijn verschenen. Overwegingen Wettelijk kader 1. De relevante regels zijn opgenomen in de bijlage. Deze maakt deel uit van de uitspraak. Rectificatieverzoek 2. [appellant] is in de brp opgenomen onder de naam [naam appellant], geboren op [geboortedatum] 1985 te [plaats], China. Dit is gebeurd op basis van een door hem op 18 oktober 2001 in de gemeente Ooststellingwerf onder belofte afgelegde verklaring over zijn persoonsgegevens als bedoeld in artikel 36 van de Wet Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens, thans artikel 2.8, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet basisregistratie personen (Wet brp). Op 30 januari 2020 heeft [appellant] het college verzocht deze persoonsgegevens te wijzigen naar [andere naam], geboren op [geboortedatum] 1978 te [plaats], China. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft hij een Chinees paspoort overgelegd, afgegeven door de Chinese ambassade te Den Haag op [datum] 2014 op naam van [naam], geboren op [geboortedatum] 1978, te [plaats]. Verder heeft [appellant] nog andere documenten overgelegd, zoals een notariële verklaring, een kopie van een verklaring uit het register Permanent verblijf, een kopie van een paspoort uit 1999 en een kopie van een notariële verklaring. Besluitvorming college 3. Het college heeft dit verzoek afgewezen, omdat niet onomstotelijk is komen vast te staan dat de in de brp geregistreerde gegevens onjuist zijn. Het college heeft daarbij van belang geacht dat [appellant] zoveel persoonsgegevens wil wijzigen dat dit neerkomt op een identiteitswijziging. Hoger beroep 4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zijn verzoek tot wijziging van zijn persoonsgegevens terecht heeft afgewezen. Hij voert hiertoe aan dat de rechtbank ten onrechte het college is gevolgd in het standpunt dat de in het paspoort van 2014 vermelde persoonsgegevens niet hoeven te worden verwerkt in de brp. Hij wijst erop dat het een authentiek paspoort betreft, dat is afgegeven door de Chinese ambassade in Den Haag. Omdat het paspoort dateert uit 2014, moet worden aangenomen dat het onderzoek door de Chinese autoriteiten behoorlijk en overeenkomstig de plaatselijke voorschriften heeft plaatsgevonden. [appellant] wijst er verder op dat het paspoort een foto van hem bevat en dat het college heeft erkend dat het paspoort alle echtheidskenmerken bevat. Indien het college van oordeel is dat aan het paspoort geen bewijskracht toekomt, had het een deskundigenadvies moeten vragen, hetgeen niet is gebeurd. Verder voert [appellant] aan dat hij behalve het paspoort uit 2014 ook andere, deels gelegaliseerde, documenten heeft overgelegd. Al deze documenten bevestigen de naam en geboortedatum, zoals vermeld in het paspoort van 2014. Deze docu Zoals hiervoor is overwogen, volgt uit de overzichtsuitspraak niet dat dat er nimmer redelijke twijfel kan bestaan. Maar het college zal dan wel aannemelijk moeten maken dat er kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden of de gegevens onjuist zijn. In dit geval heeft het college geen aan de individuele aanvraag te relateren omstandigheden naar voren gebracht die dergelijke redelijke twijfel oproepen. Omdat het college evenmin betwist dat [appellant] kan worden geïdentificeerd als de persoon op wie het paspoort betrekking heeft, is de conclusie dat buiten redelijke twijfel uit het paspoort volgt dat de gegevens juist zijn en betrekking hebben op [appellant]. De conclusie is dat de gegevens uit het paspoort in de brp moeten worden gewijzigd. Omdat daarmee alle door [appellant] gewenste wijzigingen worden doorgevoerd, behoeven de overige aangeleverde documenten geen bespreking. Conclusie 6. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank het beroep ongegrond heeft verklaard. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en het besluit van 30 september 2020 vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. 7. De Afdeling ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 11 mei 2020 te herroepen. De juistheid van de in het paspoort van 27 mei 2014 vermelde persoonsgegevens is buiten redelijke twijfel vast komen te staan. De Afdeling zal het college opdragen om de bestaande inschrijving binnen vier weken na verzending van deze uitspraak in de brp te wijzigen zoals hierna bepaald. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. 8. Het college moet de proceskosten vergoeden. Overschrijding redelijke termijn 9. [appellant] heeft de Afdeling verzocht om een aanvullende schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. 10. De Afdeling beoordeelt de vraag of de redelijke termijn is overschreden naar de stand van de zaak op het moment van haar uitspraak. Daarbij wordt de duur van de totale procedure in ogenschouw genomen. Voor het toekennen van een aanvullende schadevergoeding bestaat aanleiding als het bedrag dat de rechtbank wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft toegekend, lager is dan het door de Afdeling vast te stellen bedrag, waarop degene die verzoekt om schadevergoeding recht heeft. 11. Het college heeft het bezwaar van [appellant] ontvangen op 18 juni 2020. De procedure is geëindigd met de uitspraak van de Afdeling van heden. De procedure heeft dus in totaal vijf jaar en 10 maanden geduurd. De redelijke termijn is daarmee overschreden met een jaar en 10 maanden. Met een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal naar boven wordt afgerond, bedraagt de aan [appellant] toe te kennen schadevergoeding in totaal € 2 000,00. Omdat de rechtbank [appellant] een bedrag van € 500,00 heeft toegekend voor overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep, bestaat aanleiding om [appellant] een aanvullende schadevergoeding van € 1.500,00 toe te kennen. 12. De Staat moet de proceskosten vergoeden in verband met het verzoek om schadevergoeding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep van gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 augustus 2022 in zaak nr. 20/3081 voor zover de rechtbank daarbij het beroep ongegrond heeft verklaard; III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Simpelveld van 30 september 2020, kenmerk 140420; IV. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Simpelveld van 11 mei 2020; V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Simpelveld op om binnen 4 weken na verzending van deze uitspraak de bestaande inschrijving van Lang [ap