Rechtspraak Raad van State 2026-04-15
ECLI:NL:RVS:2026:2058
202501993/1/A2. Datum uitspraak: 15 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 februari 2025 in zaak nr. 23/5441 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen. Procesverloop Bij besluit van 19 april 2023 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een vergunning voor het in gebruik geven van de woning aan de [locatie] in Amstelveen voor toeristische verhuur, afgewezen. Bij besluit van 24 juli 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant] heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 februari 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.H.J. van Riessen, advocaat in Amsterdam, vergezeld door [persoon A] en [persoon B], en het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen, vertegenwoordigd door M. van Lent, zijn verschenen. De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst. [appellant] en het college hebben een nader stuk ingediend. Met toestemming van partijen heeft de Afdeling een nadere zitting achterwege gelaten en het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak. 2. [appellant] heeft een aanvraag ingediend om een vergunning voor het in gebruik geven van de destijds door hem gehuurde woning aan de [locatie] in Amstelveen voor toeristische verhuur. Het college heeft deze aanvraag bij het besluit van 19 april 2023, zoals gehandhaafd bij het besluit van 24 juli 2023, afgewezen. Het college heeft zich in het besluit van 24 juli 2023, onder verwijzing naar het advies van de commissie voor de bezwaarschriften, op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 3.8.1, tweede lid, aanhef en onder d, van de Huisvestingsverordening gemeente Amstelveen 2022 een vergunning kan worden geweigerd als niet is voldaan aan de voorwaarde dat op eigen gelegen terrein wordt voorzien in minimaal één parkeerplaats per gastenkamer. Het college voert bij de uitvoering van dit artikel beleid, dat is neergelegd in artikel 5.1 van de Uitvoeringsregels Wonen Amstelveen 2023 (Uitvoeringsregels). Op grond van dat beleid moet het college de vergunning weigeren als niet aan de voorwaarde van voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein is voldaan. Niet ter discussie staat dat in dit geval niet aan deze voorwaarde is voldaan. Er bestaat in dit geval geen aanleiding om van het in de Uitvoeringsregels neergelegde beleid af te wijken, omdat de situatie van [appellant] niet in doorslaggevende mate verschilt van anderen die binnen de gemeente Amstelveen een bed & breakfast willen exploiteren. Bovendien kan [appellant] de woning nog op een andere manier verhuren en zo inkomsten verwerven, aldus het college. De rechtbank heeft bij de uitspraak van 20 februari 2025 het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. 3. [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 20 februari 2025. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 9 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1563) is de bestuursrechter slechts gehouden tot inhoudelijke beoordeling van een bij hem ingediend (hoger) beroep tegen een besluit van een bestuursorgaan indien de indiener daarbij een actueel en reëel belang heeft. Indien dat belang is vervallen, is de bestuursrechter niet geroepen uitspraak te doen uitsluitend wegens de principiële betekenis daarvan. De Afdeling moet dus bepalen of [appellant] procesbelang heeft bij een beoordeling van de uitspraak van de rechtbank en daarbij beoordelen of hij het doel dat hem voor ogen s