Rechtspraak Raad van State 2026-04-22
ECLI:NL:RVS:2026:2040
202204665/1/A3. Datum uitspraak: 22 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. [appellante sub 1], gevestigd in [plaats], 2. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 juni 2022 in zaak nr. 21/3892 in het geding tussen: [appellante sub 1] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 16 juli 2020 heeft de minister de voorschriften verbonden aan de pulstoestemming van [appellante sub 1] voor [vissersvaartuig] gewijzigd. Bij besluit van 26 april 2021 heeft de minister het door [appellante sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 juni 2022 heeft de rechtbank het door [appellante sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 26 april 2021 vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak hebben [appellante sub 1] en de minister hoger beroep ingesteld. [appellante sub 1] en de minister hebben ieder een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak gevoegd met zaaknummer 202305241/1/A3 ter zitting behandeld op 20 juni 2025, waar [appellante sub 1], bijgestaan door mr. R.S. Wijling en mr. L.S.E. Hinrichs, advocaten in Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. de Vries en mr. J.S. Geurtjens, zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst. Overwegingen Waar gaat deze zaak over? 1. Deze zaak en een aantal andere zaken die op dezelfde dag op zitting zijn behandeld, gaan over vissers die een vergunning hadden voor pulsvisserij. Pulsvisserij is het vissen met een boomkor, een sleepnet, waarbij door elektroden die de vis opschrikken met stroomstootjes - pulsen - wordt gevist. Nederland is altijd een voorstander van pulsvisserij geweest. Andere landen binnen de Europese Unie hebben zich daartegen verzet. 2. De appellanten in de zaken hadden allen een vergunning voor pulsvisserij. Zij kunnen in drie groepen worden verdeeld. Groep 1 bestaat uit bedrijven met een vergunning voor het vissen met pulsen voor onbepaalde tijd. Daarbij gaat het om 22 visserijbedrijven. Groep 2 had een vergunning voor onbepaalde tijd, die werd verleend met het oog op meerjarig onderzoek naar de effecten van pulsvisserij. Groep 3 had een vergunning voor vijf jaar ten behoeve van een onderzoek naar de zogenoemde aanlandplicht. 3. Na lang debat binnen de Europese Unie is Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen vastgesteld (Verordening 2019/1241). Deze verordening is op 14 augustus 2019 in werking getreden. In artikel 7, eerste lid, onderdeel b, van deze verordening staat dat pulsvisserij in principe verboden is. Door Nederland is de rechtmatigheid van deze verordening aangevochten bij het Hof van Justitie van de Europese Unie. Bij arrest van 15 april 2021, ECLI:EU:C:2021:272, heeft het Hof van Justitie het door Nederland ingestelde beroep verworpen. Daardoor staat vast dat er sprake is van een Unierechtelijk verbod op het vissen door middel van pulsen. 4. De minister heeft wegens het Unierechtelijke verbod de aan de vissers uit groep 1 verleende vergunningen met ingang van 1 juli 2021 ingetrokken. De vergunning voor van der Plas, een van de vissers uit groep 1, is door de minister bij besluit van 3 mei 2019 ingetrokken. In dit besluit staat dat de ‘huidige toestemming en de overige daaraan verbonden voorschriften (…) tot en met 30 juni 2021 van kracht’ blijven. [appellante sub 1] heeft tegen het besluit van 3 mei 2019 geen rechtsmiddel aangewend. Met toepassing van artikel 53, zevende lid, van de Uitvoeringsregeling zeevisserij (Uitvoeringsregeling) heeft de minister bij besluit van 16 juli 2020 twee voorschriften aan de vergunning toegevoegd. In deze zaak gaat het om de rech De rechtbank is van oordeel dat de minister zijn toezegging geen gestand kon doen, omdat zwaarder wegende belangen daaraan in de weg stonden. Nakoming van de toezegging zou in strijd zijn met de in Verordening 2019/1241 opgenomen 5%-regeling. Wel had de minister in het kader van het besluit tot wijziging van de pulstoestemming moeten nagaan of [appellante sub 1] dispositieschade heeft geleden, die er zonder het gewekte vertrouwen niet zou zijn geweest, en of die schade voor vergoeding in aanmerking komt. Om die reden heeft de rechtbank het besluit op bezwaar van 26 april 2021 vernietigd. De aangevoerde gronden in hoger beroep 9. [appellante sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat er voor het besluit van 16 juli 2020 een juridische grondslag bestaat. Verder stelt [appellante sub 1] dat de minister in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel heeft gehandeld door de door de sector voorgestelde verdeling over te nemen. 10. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit van 16 juli 2020 in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Het standpunt van de minister is dat de pulsvisserij weliswaar tot 1 juli 2021 kon worden uitgeoefend, maar dat een door de Europese Commissie ingenomen standpunt het noodzakelijk maakte het aantal vissers dat tegelijk met de puls mocht vissen te beperken tot 15. Die beperking van het aantal vissers dat tegelijk kan vissen, is bereikt door aan de toestemming de voorwaarde te verbinden dat er gevist wordt volgens een door de minister opgesteld rooster. Was er voor het nadere voorschrift een wettelijke grondslag? 11. Artikel 6d, tweede lid, van het Reglement bepaalt dat aan vrijstellingen en ontheffingen als bedoeld in het eerste lid voorschriften kunnen worden verbonden. Zij kunnen onder beperkingen worden verleend. Zij kunnen te allen tijde worden ingetrokken. De aan [appellante sub 1] verleende toestemming voor pulsvissen is een dergelijke ontheffing. Uit artikel 53, vierde lid, Uitvoeringsregeling volgt dat het verbod op pulsvissen voor een ondernemer die toestemming heeft voor het vissen met een puls onder meer de voorwaarde geldt dat hij zich houdt aan de 5%-regeling. In artikel 53, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling, zoals die gold ten tijde van belang, staat dat de minister de aan de toestemming verbonden voorschriften kan wijzigen. Volgens artikel 53, zevende lid, van de Uitvoeringsregeling kan de minister de toestemming intrekken of voor een bepaalde periode schorsen als hij dat noodzakelijk acht ter nakoming van verplichtingen van de Europese Unie. 12. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de minister bevoegd was om het nadere voorschrift aan de aan [appellante sub 1] verleende vergunning te verbinden. Gelet op artikel 6d, tweede lid, van het Reglement gelezen in samenhang met artikel 53, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling heeft de minister een algemene bevoegdheid om aan een dergelijke vergunning voorschriften te wijzigen of aan te vullen. Dat geldt, gelet op het bepaalde in artikel 53, zevende lid, van de Uitvoeringsregeling en het feit dat een vergunninghouder, zoals in artikel 53, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling voor gebruikmaking van de toestemming is geregeld, gehouden is zich aan de 5%-regeling te houden, ook voor het nadere voorschrift. Het betoog van [appellante sub 1] slaagt niet. Is het nadere voorschrift in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel? 13. De Afdeling sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat de minister niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel heeft gehandeld door het nadere voorschrift aan de aan [appellante sub 1] verleende vergunning te verbinden. De minister mocht daarbij de keuze van de sector om niet te kiezen voor het terugbrengen van het aantal vergunninghouders van 22 tot 15 en het nagenoeg unaniem vastgestelde verdelingsschema volgen. De Afdeling is verder van oordeel dat h De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. De Afdeling zal het beroep van [appellante sub 1] ongegrond verklaren. Dat betekent dat de minister niet opnieuw op het bezwaar van [appellante sub 1] hoeft te beslissen. 18. In beroep heeft [appellante sub 1] ook een beroep op nadeelcompensatie op grond van het égalitébeginsel gedaan. De rechtbank heeft overwogen dat dit beroep pas aan de orde komt als sprake is van een rechtmatig besluit. Omdat het besluit van 26 april 2021 rechtmatig is, is de minister gehouden op dat beroep te beslissen. De minister heeft op de zitting aangegeven dat hij alsnog op verzoeken tot nadeelcompensatie zal beslissen. De Afdeling is van oordeel dat de minister in dit geval niet heeft gehandeld in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb door bij het besluit op bezwaar van 26 april 2021, waartegen nog beroep en hoger beroep liep, al een beslissing te nemen op de verzoeken tot nadeelcompensatie. In een geval als dat mag een bestuursorgaan over een verzoek om nadeelcompensatie een nader besluit nemen, tenzij de schade zo groot is dat de door het besluit ontstane schade niet adequaat kan worden gecompenseerd door toekenning van compensatie of vergoeding op een later tijdstip. Dat is hier niet het geval. Zie de uitspraak van vandaag in zaaknummer ECLI:NL:RVS:2026:2035. 19. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van vandaag in zaaknummer ECLI:NL:RVS:2026:2035 zal de minister dus nog een besluit over nadeelcompensatie moeten nemen. Voor wat betreft [appellante sub 1] moet de minister daarbij zowel de gevolgen van het besluit van 3 mei 2019 als die van de besluiten van 16 juni 2020 en 26 april 2022 betrekken. Bij die laatste besluiten moet de minister ook onderzoeken of er aanleiding is voor nadeelcompensatie omdat [appellante sub 1] bij het aan zijn vergunning verbinden van het nadere voorschrift ten opzichte van de andere vissers een bijzondere positie inneemt en of de keuze voor het volgen van het voorstel en het verdeelschema van de sector hem onevenredig heeft getroffen. Overschrijding redelijke termijn 20. [appellante sub 1] heeft verzocht om vergoeding van schade door de lange duur van de procedure. 21. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. 22. De minister heeft op 19 augustus 2020 bezwaarschrift van [appellante sub 1] ontvangen. De minister heeft binnen één jaar beslist op de bezwaren en de rechtbank heeft binnen anderhalf jaar uitspraak gedaan over de beroepen van [appellante sub 1]. De Afdeling heeft over de behandeling van het hoger beroep drie jaar en 10 maanden gedaan. De redelijke termijn is in deze procedure met een jaar en meer dan zeven maanden overschreden. Deze overschrijding moet aan de Afdeling worden toegerekend. 23. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn moet worden toegewezen. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 2000,00. Proceskosten 24. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep van [appellante sub 1] ongegrond; II. verklaart het hoger beroep van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gegrond; III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 juni 2022 in zaaknummer SGR 21/3892; IV. verklaart het beroep van [appellante sub 1] ongegrond