Rechtspraak Raad van State 2026-04-22
ECLI:NL:RVS:2026:2039
202305241/1/A3. Datum uitspraak: 22 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A], gevestigd in [plaats], en [appellant B], wonend in [woonplaats], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 juli 2023 in zaken nrs. 22/4391 22/1756 in de gedingen tussen: [appellanten] en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Procesverloop Bij besluit van 14 juni 2021 (besluit 1) heeft de minister aan [appellanten] een last onder dwangsom opgelegd. Bij afzonderlijke besluiten van 3 september 2021 (besluit 2) heeft de minister aan [appellanten] punten toegekend. Bij besluit van 4 februari 2022 (besluit op bezwaar 1) heeft de minister het door [appellanten] tegen de last onder dwangsom gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Bij besluit van 7 februari 2022 (besluit op bezwaar 2) heeft de minister het bezwaar van [appellanten] tegen de toegekende punten ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 13 juli 2023 heeft de rechtbank de door [appellanten] tegen de besluiten op bezwaar 1 en 2 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellanten] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak gevoegd met zaaknummer 202204665/1/A3 ter zitting behandeld op 20 juni 2025, waar vertegenwoordigd door mr. R.S. Wijling, advocaat in Rotterdam, en [appellant B] en [persoon], en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. de Vries en mr. J.S. Geurtjens, zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst. Overwegingen Waar gaat deze zaak over? 1. Voor de achtergrond van deze zaak verwijst de Afdeling naar de uitspraak van vandaag tussen [appellanten] en de minister, ECLI:NL:RVS:2026:2040. In die zaak gaat het om het besluit van de minister van 16 juli 2020. Daarin heeft de minister aan de vergunning van [appellanten] om tot en met 30 juni 2021 te pulsvissen een nader voorschrift verbonden. Dit nadere voorschrift legt de perioden vast waarin [appellanten] met het oog op de uitvoering van de zogenoemde 5%-regeling, zoals neergelegd in bijlage V, Deel D, punt 2, aanhef en onder a, van Verordening 2019/1241, niet mocht pulsvissen. In de uitspraak van vandaag heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister bevoegd was het nadere voorschrift aan de vergunning te verbinden en dat het besluit van 16 juli 2020 rechtmatig is. Besluit 1 2. In besluit 1 heeft de minister aan [appellanten] een last onder dwangsom opgelegd wegens het vissen met gebruikmaking van een pulskor in de periode van 7 tot 14 juni 2021. In het nadere voorschrift was bepaald dat [appellanten] in die periode niet mocht pulsvissen. [appellanten] heeft ter zitting zijn hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank voor zover die ziet op de last onder dwangsom ingetrokken. Besluit 2 Is het besluit een punitieve sanctie? 3. In besluit 2 heeft de minister aan [appellant A] 8 (straf)punten toegekend en aan [appellant B], de schipper van het schip in die periode, 4 (straf)punten. [appellanten] voert in de eerste plaats aan dat het toekennen van punten moet worden beschouwd als een punitieve sanctie. De rechtbank is, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1226, volgens hem ten onrechte tot het oordeel gekomen dat het toekennen van punten geen punitieve sanctie is. [appellanten] wijst op het feit dat zowel [appellant A] en Zoon als [appellant B] door het Hof Amsterdam bij uitspraken van 28 januari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:222 en ECLI:NL:GHAMS:2025:223, schuldig zijn verklaard voor overtreding van het nadere voorschrift. Het Hof heeft daarbij volstaan met schuldigverklaring zonder straf. Besluit 2 is een punitieve sanctie en de minister heeft het ne bis in idem-beginsel geschonden door dat besluit te nemen, aldus [appellanten]. 4. De Afdeling overweegt als volgt. In de uitspraak van 13 mei 2020 heeft de Afdeling verwogen d