Rechtspraak Raad van State 2026-04-22
ECLI:NL:RVS:2026:2038
202106660/1/A3. Datum uitspraak: 22 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A], gevestigd in Den Helder, en anderen (de visserijbedrijven) appellanten, tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 3 september 2021 in zaken nrs. 20/177, 20/178, 20/179, 20/180, 20/181, 20/182, 20/401, 20/403, 19/5364, 19/5646, 19/5850, 19/5852, 19/5853, 19/5894, 19/5895, 19/5896, 19/5897, 19/5898, 19/6314, 19/6315, 19/6316 en 19/6317 in de gedingen tussen: de visserijbedrijven en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Procesverloop Bij besluiten van 3 mei 2019 heeft de minister de aan [appellant B], [appellant C], [appellant D], [appellant E], [appellant F], [appellant G], [appellant H], [appellant I], [appellant J], [appellant K], [appellant L], [appellant M], [appellant N], [appellant O], [appellant P] en [appellant Q] (appellanten groep 2) verleende toestemming voor pulskorvissen ingetrokken per 1 januari 2020. Bij besluiten van 3 mei 2019 heeft de minister de aan [appellant A], [appellant R], [appellant S], [appellant T], [appellant U], [appellant V] en [appellant W] (appellanten groep 1) verleende toestemming voor pulskorvissen ingetrokken per 1 juli 2021. Bij besluiten van 9, 11 en 16 september 2019 heeft de minister de door de visserijbedrijven gemaakte bezwaren tegen de besluiten van 3 mei 2019 ongegrond verklaard. Bij uitspraken van 3 september 2021 heeft de rechtbank de door de visserijbedrijven daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben de visserijbedrijven hoger beroep ingesteld. De visserijbedrijven hebben een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak gevoegd met zaaknummers 202101773/1/A3, 202101777/1/A3 en 202106657/1/A3 behandeld op de zitting van 20 juni 2025, waar de visserijbedrijven, vertegenwoordigd [gemachtigde] en bijgestaan door mr. K. Boele, advocaat in Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. Wammes, mr. G.J.L. Veth en mr. R. van IJperen, zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst. Overwegingen Waar gaat deze zaak over? 1. Deze zaak gaat, evenals de zaken met zaaknummers 202101773/1/A3, 202101777/1/A3 en 202106657/1/A3, over vissers die een vergunning hadden voor pulsvisserij. Pulsvisserij is het vissen met een boomkor, een sleepnet, waarbij door elektroden die de vis opschrikken met stroomstootjes -pulsen- wordt gevist. Nederland is altijd een voorstander van pulsvisserij geweest. Andere landen binnen de Europese Unie hebben zich daartegen verzet. 2. Appellanten in de zaken die de Afdeling gevoegd heeft behandeld op zitting hadden allen een vergunning voor pulsvisserij. Zij kunnen in drie groepen worden verdeeld. Groep 1 bestaat uit bedrijven met een vergunning voor het vissen met pulsen voor onbepaalde tijd. Groep 2 had een vergunning voor bepaalde tijd, die werd verleend met het oog op meerjarig onderzoek naar de effecten van pulsvisserij. Groep 3 had een vergunning voor vijf jaar ten behoeve van een onderzoek naar de zogenoemde aanlandplicht. 3. Na lang debat binnen de Europese Unie is Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen vastgesteld (Verordening 2019/1241). In deze verordening staat dat pulsvisserij verboden is. Door Nederland is de rechtmatigheid van deze verordening aangevochten bij het Hof van Justitie van de Europese Unie. Bij arrest van 15 april 2021, ECLI:EU:C:2021:272, heeft het Hof van Justitie het door Nederland ingestelde beroep verworpen. Daardoor staat vast dat er sprake is van een Unierechtelijk verbod op het vissen door middel van pulsen. 4. De minister heeft wegens het Unierechtelijke verbod de aan appellanten in groep 1 verleende vergunningen met ingang van 1 juli 2021 ingetrokken. De vergunningen van appellanten in groep 2 zijn bij besluiten van 3 mei 2019 verlen 8. In haar uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:2035, heeft de Afdeling geoordeeld dat artikel 6d, tweede lid, van het Reglement zee- en kustvisserij de grondslag vormt voor het nemen van besluiten tot intrekking van de aan vissers in groepen 1 en 2 verleende vergunningen. 9. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de vergunningen voor groepen 1, 2 en 3 op een verschillende grondslag zijn verleend. [appellant A] en anderen betogen in de kern dat de minister geen onderscheid had mogen maken tussen vissers in groep 1 en groep 2. Anders dan bij de vissers uit groep 1 waren de vergunningen voor groep 2 niet zonder meer verleend, maar lag aan die vergunningen ten grondslag dat de toestemming voor pulsvissen was verleend voor wetenschappelijk onderzoek. Daarmee hadden de verleende vergunningen voor de vissers uit groep 2 een ander doel dan die van de vissers in groep 1. Met het verbod op pulsvissen in Verordening 2019/1241 kwam het belang van wetenschappelijk onderzoek naar de gevolgen van pulsvissen te vervallen. Als de in bijlage V, deel D, van deze verordening opgenomen overgangsregeling zou worden gebruikt om aan vissers uit groep 2 een vergunning te verlenen, zou dat betekenen dat aan de bestaande vergunningen een andere grondslag zou worden gegeven. Dat zou in strijd zijn met het in bijlage V, deel D, punt 3 opgenomen verbod op nieuwe vergunningen. Overigens mocht de minister bij gebruikmaking van de, onder meer door de 5%-regeling in bijlage V, deel D, punt 2(a), beperkte ruimte van de overgangsregeling na ingang van het Unierechtelijke verbod op pulsvisserij betekenis toekennen aan de verschillen tussen vergunninghouders in groep 1, 2 en 3 en dus ook, zoals in het geval van [appellant A] en anderen, tussen groep 1 en 2. Onder die omstandigheden mocht de minister er voor kiezen om de - beperkte - ruimte die deze verordening nog bood voor een overgangsregeling te gebruiken voor de vergunninghouders uit groep 1 die in het bezit waren van een vergunning voor onbepaalde tijd en mocht de minister, gelet op het rechtstreeks uit Verordening 2019/1241 voortvloeiende verbod op pulsvissen, de aan de vissers in groep 2 verleende vergunningen intrekken. Dat de minister er voor heeft gekozen om in weerwil van het verbod de vergunningen van de vissers in groep 2 pas in te trekken per 1 januari 2020 is niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. Voor alle pulsvissers moest duidelijk zijn dat de komst van een verbod op pulsvissen mogelijk en op enig moment ook (zeer) waarschijnlijk was, zodat zij met een verbod op pulsvissen rekening moesten en konden houden. Door de vissers in groep 2 anders te behandelen dan die in groep 1 en door niet te kiezen voor een andere verdeelmethode heeft de minister niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel of het beginsel van verdeling van schaarse vergunningen gehandeld. 10. In de uitspraak van de Afdeling van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:2035, heeft de Afdeling verder geoordeeld dat de minister niet heeft gehandeld in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb door bij de besluiten over intrekkingen van vergunningen voor pulsvissen, waartegen nog beroep en hoger beroep liep, al een beslissing te nemen op de verzoeken tot nadeelcompensatie. Namens de minister is uitdrukkelijk toegezegd dat de minister bereid is om na de uitspraak van de Afdeling in deze zaken inhoudelijk op de verzoeken om nadeelcompensatie te beslissen. Dat geldt ook voor de vissers in groep 2. Het ligt in de rede dat de minister, voordat hij dat doet, daarvoor een beleidsregel vaststelt en dat hij de beslissing op de verzoeken wegens de reeds verstreken tijd voortvarend in behandeling neemt. 11. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Overschrijding redelijke termijn 12. [appellant A] en anderen hebben verzocht om vergoeding van schade door de lange duur van de procedure. 13. De redelijke termijn is overschreden als de duur va