Rechtspraak Raad van State 2026-04-22
ECLI:NL:RVS:2026:2037
202106657/1/A3. Datum uitspraak: 22 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], gevestigd in [plaats], en anderen, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 september 2021 in zaken nrs. 19/3809, 19/3811, 19/3813, 19/3843, 19/4048, 19/4051, 19/4053, 19/4055, 19/4056, 19/4057, 19/4058, 19/4059, 19/4703, 19/4704, 19/4705, 19/4706, 19/4707, 19/4708 en 19/4709 in de gedingen tussen: [appellante] en anderen en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Procesverloop Bij besluiten van 28 maart 2019 (de primaire besluiten I) heeft de minister de aan [appellante], [visserijbedrijf A], [visserijbedrijf B], [visserijbedrijf C], Visserijbedrijf Adriaantje UK 2 B.V., Zeevisserijbedrijf UK 19 B.V., Zeevisserijbedrijf Sursum Corda B.V., [visserijbedrijf D], Zeevisserij Noorderlicht B.V., [visserijbedrijf E], Rederij Delta B.V., [visserijbedrijf F], [visserijbedrijf G], [visserijbedrijf H], [visserijbedrijf J], V.O.F. Zeevisserijbedrijf Cornelia en [visserijbedrijf K] verleende toestemming voor pulskorvissen verlengd tot 1 juni 2019. Bij besluiten van 3 mei 2019 (de primaire besluiten II) heeft de minister de verzoeken van [appellante] en anderen tot verlenging van de pulstoestemming na 1 juni 2019 afgewezen. Bij besluiten van 24, 25 en 26 juni 2019 en 26 juli 2019 heeft de minister de bezwaren van [appellante] en anderen tegen de primaire besluiten I en II ongegrond dan wel niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 3 september 2021 heeft de rechtbank de door de [appellante] en anderen daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben de [appellante] en anderen hoger beroep ingesteld. [appellante] en anderen hebben een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak gevoegd met zaaknummers 202101773/1/A3, 202101777/1/A3 en 202106660/1/A3 behandeld op de zitting van 20 juni 2025, waar de visserijbedrijven, vertegenwoordigd mr. K. Boele, advocaat in Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. Wammes, mr. G.J.L. Veth en mr. R. van IJperen, zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst. Overwegingen 1. Deze zaak gaat, evenals de zaken met zaaknummers 202101773/1/A3, 202101777/1/A3 en 202106660/1/A3, over vissers die een vergunning hadden voor pulsvisserij. Pulsvisserij is het vissen met een boomkor, een sleepnet, waarbij door elektroden die de vis opschrikken met stroomstootjes -pulsen- wordt gevist. Nederland is altijd een voorstander van pulsvisserij geweest. Andere landen binnen de Europese Unie hebben zich daartegen verzet. 2. Appellanten in de zaken die de Afdeling gevoegd heeft behandeld op zitting hadden allen een vergunning voor pulsvisserij. Zij kunnen in drie groepen worden verdeeld. Groep 1 bestaat uit bedrijven met een vergunning voor het vissen met pulsen voor onbepaalde tijd. Groep 2 had een vergunning voor bepaalde tijd, die werd verleend met het oog op meerjarig onderzoek naar de effecten van pulsvisserij. Groep 3 had een vergunning voor vijf jaar ten behoeve van een onderzoek naar de zogenoemde aanlandplicht. 3. Na lang debat binnen de Europese Unie is Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen vastgesteld (Verordening 2019/1241). In deze verordening staat dat pulsvisserij verboden is. Door Nederland is de rechtmatigheid van deze verordening aangevochten bij het Hof van Justitie van de Europese Unie. Bij arrest van 15 april 2021, ECLI:EU:C:2021:272, heeft het Hof van Justitie het door Nederland ingestelde beroep verworpen. Daardoor staat vast dat er sprake is van een Unierechtelijk verbod op het vissen door middel van pulsen. 4. De minister heeft wegens het Unierechtelijke verbod de aan appellanten in groep 1 verleende vergunningen met ingang van 1 juli 2021 ingetrokken. De vergunningen van appellante Het oordeel van de Afdeling 8. De gronden die [appellante] en anderen in hoger beroep hebben aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is uitvoerig gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 4.1 tot en met 6.3 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daaraan nog het volgende toe. 9. In haar uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:2035, heeft de Afdeling geoordeeld dat artikel 6d, tweede lid, van het Reglement zee- en kustvisserij de grondslag vormt voor het nemen van besluiten tot intrekking van de aan vissers in groepen 1 en 2 verleende vergunning. Datzelfde geldt voor het niet verlengen van de vergunningen voor vissers uit groep 3 en dus ook voor [appellante] en anderen. 10. De kern van het betoog van [appellante] en anderen is dat zij, als vissers in groep 3, anders worden behandeld dan vissers in groep 1 en 2. Zij betogen dat de in Verordening 2019/1241 opgenomen overgangsregeling ook op hen had kunnen en moeten worden toegepast. De Afdeling volgt dit niet. Los van de vraag of de wettelijke grondslag waarop de vergunningen zijn verleend dezelfde is, waren de aan [appellante] en anderen verleende vergunningen anders dan bij de vergunningen voor de vissers in groep 1 en 2 voor bepaalde tijd verleend. Het specifieke doel van de vergunningen voor vissers uit groep 3 (onderzoek naar de aanlandplicht) was een andere dan dat bij de vissers in groep 2 (meerjarig onderzoek naar de effecten van pulsvisserij). De minister mocht bij gebruikmaking van de onder meer door de 5%-regeling beperkte ruimte van de overgangsregeling na ingang van het Unierechtelijke verbod op pulsvisserij betekenis toekennen aan de verschillen tussen vergunninghouders in groep 1, 2 en 3. Verder is van belang dat in de vergunningen voor vissers uit groep 3 stond dat als de uitkomsten van het proefproject onvoldoende zouden zijn en deze niet tot een generieke toelating van het vissen met puls zouden leiden, het verbod om met puls te vissen onverkort gold en daarop geen uitzondering meer zou worden toegestaan. Vast staat dat (verdere) verlenging van de vergunningen van [appellante] en anderen in strijd zou zijn met het verbod op pulsvissen in Verordening 2019/1241. Onder die omstandigheden mocht de minister er voor kiezen om de - beperkte - ruimte die deze verordening nog bood voor een overgangsregeling te gebruiken voor de vergunninghouders uit groep 1 die in het bezit waren van een vergunning voor onbepaalde tijd en zonder specifiek doel. Daarmee heeft de minister niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel of het beginsel van verdeling van schaarse vergunningen gehandeld. 11. Voor alle pulsvissers moest duidelijk zijn dat de komst van een verbod op pulsvissen mogelijk en op enig moment ook (zeer) waarschijnlijk was, zodat zij met een verbod op pulsvissen rekening moesten en konden houden. Voor [appellante] en anderen kwam daar nog bij dat zij in tijd beperkte vergunningen hadden zodat voor hen voorzienbaar was dat wanneer het tot een pulsverbod zou komen, verlenging van de vergunningen vanwege dat pulsverbod niet mogelijk zou zijn. 12. In de uitspraak van de Afdeling van heden, ECLI:NL:RVS:2026:2035, is verder overwogen dat de minister na deze uitspraak nog moet beslissen op verzoeken tot nadeelcompensatie. Het ligt in de rede dat de minister, voordat hij dat doet, daarvoor een beleidsregel vaststelt en dat hij de beslissing op de verzoeken wegens de reeds verstreken tijd voortvarend in behandeling neemt. Dat geldt evenwel niet voor vissers uit groep 3 en dus evenmin voor [appellante] en anderen, omdat de Afdeling met de rechtbank van oordeel is dat de vissers uit groep 3 konden en moesten weten dat hun vergunning niet zou worden verlengd als het vissen met een puls op het niveau van de Europese Unie zou worden verboden. 13. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspra