Rechtspraak Raad van State 2026-04-22
ECLI:NL:RVS:2026:2036
202101777/1/A3. Datum uitspraak: 22 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante A], gevestigd in Ouddorp, gemeente Goeree-Overflakkee, en anderen ([appellante A] en anderen), appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 februari 2021 in zaken nrs. 19/6246, 19/6247, 19/6250 en 19/6251 in het geding tussen: [appellante A] en anderen en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Procesverloop Bij besluiten van 4 april 2014 en 3 maart 2015 heeft de minister aan [appellante A], [visserijbedrijf B], Jaczon Visserij Maatschappij Bravo b.v. en [visserijbedrijf C], toestemming verleend voor het uitoefenen van de pulsvisserij voor een periode van vijf jaar. Bij brief van 3 maart 2019 heeft de minister [visserijbedrijf B] meegedeeld dat de toestemming eindigt op 11 september 2019. Bij besluiten van 28 maart 2019 heeft de minister de toestemmingen verlengd tot 1 juni 2019. Bij besluiten van 22 augustus 2019 heeft de minister het door [visserijbedrijf B] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en de bezwaren van [appellante A] en anderen voor het overige ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 1 februari 2021 heeft de rechtbank de door [appellante A] en anderen daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben [appellante A] en anderen hoger beroep ingesteld. De Afdeling heeft de zaak gevoegd met zaaknummers 202101773/1/A3, 202106657/1/A3 en 202106660/1/A3 behandeld op de zitting van 20 juni 2025, waar [appellante A] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. A. van Lohuizen, advocaat in Apeldoorn en mr. M. de Boer, advocaat in Heerenveen, en de minister, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. Wammes, mr. G.J.L. Veth en mr. R. van IJperen, zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst. Overwegingen Waar gaat deze zaak over? 1. Deze zaak gaat, evenals de zaken met zaaknummers 202101773/1/A3, 202106657/1/A3 en 202106660/1/A3 over vissers die een vergunning hadden voor pulsvisserij. Pulsvisserij is het vissen met een boomkor, een sleepnet, waarbij door elektroden die de vis opschrikken met stroomstootjes -pulsen- wordt gevist. Nederland is altijd een voorstander van pulsvisserij geweest. Andere landen binnen de Europese Unie hebben zich daartegen verzet. 2. Appellanten in de zaken die de Afdeling gevoegd heeft behandeld op zitting hadden allen een vergunning voor pulsvisserij. Zij kunnen in drie groepen worden verdeeld. Groep 1 bestaat uit bedrijven met een vergunning voor het vissen met pulsen voor onbepaalde tijd. Groep 2 had een vergunning voor bepaalde tijd, die werd verleend met het oog op meerjarig onderzoek naar de effecten van pulsvisserij. Groep 3 had een vergunning voor vijf jaar ten behoeve van een onderzoek naar de zogenoemde aanlandplicht. 3. Na lang debat binnen de Europese Unie is Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen vastgesteld (Verordening 2019/1241). In deze verordening staat dat pulsvisserij verboden is. Door Nederland is de rechtmatigheid van deze verordening aangevochten bij het Hof van Justitie van de Europese Unie. Bij arrest van 15 april 2021, ECLI:EU:C:2021:272, heeft het Hof van Justitie het door Nederland ingestelde beroep verworpen. Daardoor staat vast dat er sprake is van een Unierechtelijk verbod op het vissen door middel van pulsen. 4. De minister heeft wegens het Unierechtelijke verbod de aan appellanten in groep 1 verleende vergunningen met ingang van 1 juli 2021 ingetrokken. De vergunningen van appellanten in groep 2 zijn bij besluiten van 3 mei 2019 verlengd tot 31 december 2019 en daarna niet meer. De voor vijf jaar verleende vergunningen van de appellanten in groep 3 zijn verlengd tot 1 juni 2019 en zijn daarna niet meer verlengd. 5. Deze zaak gaat alleen over vissers uit