Rechtspraak
Raad van State
2026-04-13
ECLI:NL:RVS:2026:2010
Bestuursrecht
Hoger beroep
2,069 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2010 text/xml public 2026-04-15T10:32:50 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-13 202403710/1/V1 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2010 text/html public 2026-04-13T09:58:24 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2010 Raad van State , 13-04-2026 / 202403710/1/V1 Verzoekers hebben het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de minister te veroordelen in de bij hen opgekomen proceskosten. 202403710/1/V1. Datum uitspraak: 13 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het verzoek van: [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5] en [betrokkene 6], verzoekers, om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Procesverloop Verzoekers, vertegenwoordigd door mr. E. Arslan, advocaat in Amsterdam, hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 mei 2024 in zaak nr. NL24.15212. De minister van Asiel en Migratie heeft een nader stuk ingediend. Verzoekers hebben het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de minister te veroordelen in de bij hen opgekomen proceskosten. Overwegingen Het verzoek om een proceskostenveroordeling 1. Verzoekers hebben het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig een verzoek gedaan om de minister krachtens artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten te veroordelen. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de minister aan verzoekers is tegemoetgekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door toedoen van de minister is vervallen (uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1). 2. Het hoger beroep gaat over de rechtmatigheid van het door de minister verlengen van de beslistermijn met WBV 2023/3 in asielzaken. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2829, hierover prejudiciële vragen gesteld. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 5 maart 2026, Safita, ECLI:EU:C:2026:160, antwoord gegeven op die vragen. De Afdeling moet hierover eerst nog einduitspraak doen. Het antwoord op de rechtsvraag of de minister die beslistermijn rechtmatig heeft verlengd, heeft in dit geval geen invloed op de vraag of verzoekers hun proceskosten vergoed moeten krijgen. In dit geval heeft de minister op 18 november 2025 een besluit genomen op de aanvraag van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. De minister heeft, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen. 3. De Afdeling wijst het verzoek toe. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe. Het besluit van 18 november 2025 4. De minister heeft in het besluit van 18 november 2025 de asielaanvraag van verzoekers ingewilligd. Verzoekers hebben, daartoe in de gelegenheid gesteld, laten weten het eens te zijn met dit besluit. Er is geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoekers in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier. w.g. Soffers lid van de enkelvoudige kamer w.g. Hanrath griffier Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2026 392
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2010 text/xml public 2026-04-15T10:32:50 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-13 202403710/1/V1 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2010 text/html public 2026-04-13T09:58:24 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2010 Raad van State , 13-04-2026 / 202403710/1/V1 Verzoekers hebben het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de minister te veroordelen in de bij hen opgekomen proceskosten. 202403710/1/V1. Datum uitspraak: 13 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het verzoek van: [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5] en [betrokkene 6], verzoekers, om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Procesverloop Verzoekers, vertegenwoordigd door mr. E. Arslan, advocaat in Amsterdam, hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 mei 2024 in zaak nr. NL24.15212. De minister van Asiel en Migratie heeft een nader stuk ingediend. Verzoekers hebben het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de minister te veroordelen in de bij hen opgekomen proceskosten. Overwegingen Het verzoek om een proceskostenveroordeling 1. Verzoekers hebben het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig een verzoek gedaan om de minister krachtens artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten te veroordelen. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de minister aan verzoekers is tegemoetgekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door toedoen van de minister is vervallen (uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1). 2. Het hoger beroep gaat over de rechtmatigheid van het door de minister verlengen van de beslistermijn met WBV 2023/3 in asielzaken. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2829, hierover prejudiciële vragen gesteld. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 5 maart 2026, Safita, ECLI:EU:C:2026:160, antwoord gegeven op die vragen. De Afdeling moet hierover eerst nog einduitspraak doen. Het antwoord op de rechtsvraag of de minister die beslistermijn rechtmatig heeft verlengd, heeft in dit geval geen invloed op de vraag of verzoekers hun proceskosten vergoed moeten krijgen. In dit geval heeft de minister op 18 november 2025 een besluit genomen op de aanvraag van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. De minister heeft, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen. 3. De Afdeling wijst het verzoek toe. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe. Het besluit van 18 november 2025 4. De minister heeft in het besluit van 18 november 2025 de asielaanvraag van verzoekers ingewilligd. Verzoekers hebben, daartoe in de gelegenheid gesteld, laten weten het eens te zijn met dit besluit. Er is geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoekers in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier. w.g. Soffers lid van de enkelvoudige kamer w.g. Hanrath griffier Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2026 392