Rechtspraak Raad van State 2026-04-08
ECLI:NL:RVS:2026:1917
202503859/1/A2. Datum uitspraak: 8 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 12 mei 2025 in zaak nr. 24/5310 in het geding tussen: [appellant] en de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Procesverloop Bij besluit van 12 januari 2024 heeft de staatssecretaris de aan [appellant] verleende subsidie vastgesteld op nihil. Bij besluit van 27 juni 2024 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 12 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 27 juni 2024 vernietigd en de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 januari 2026, waar [appellant] en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. L.J. Tigelaar, zijn verschenen. Overwegingen 1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. Inleiding 2. [appellant] is eigenaar van [pand] in Loosdrecht, rijksmonumentnummer 506228 (het monument). Hij heeft in het kader van de Subsidieregeling instandhouding monumenten (Sim) een aanvraag ingediend voor een instandhoudingssubsidie. De staatssecretaris heeft de aanvraag bij besluit van 30 augustus 2016 toegewezen tot een bedrag van € 40.614,00. Besluitvorming 3. De staatssecretaris heeft na afloop van de subsidieperiode op grond van artikel 4:46, tweede lid, onder a en b, van de Algemene wet bestuursrecht de subsidie vastgesteld op nihil. [appellant] heeft volgens de staatssecretaris de subsidie niet verantwoord met het overleggen van een prestatieverklaring en inspectierapport van de gesubsidieerde werkzaamheden. Daarbij komt dat de door [appellant] gestelde verbouwingswerkzaamheden zijn uitgevoerd in 2015 en andere werkzaamheden zijn dan die in het instandhoudingsplan zijn opgenomen. Die kosten zijn daarom niet subsidiabel in het kader van de Sim. Uitspraak van de rechtbank 4. De rechtbank heeft geoordeeld dat de staatssecretaris ten onrechte niet de door [appellant] ingebrachte glasfacturen heeft beoordeeld bij de besluitvorming, terwijl die wel in bezwaar zijn aangevoerd. Daarmee heeft de staatssecretaris in strijd gehandeld met het motiveringsbeginsel. 5. De subsidie is volgens de rechtbank evenwel terecht op nihil vastgesteld. De subsidie is verleend voor werkzaamheden in de periode van 2017-2022. De door [appellant] aangevoerde verbouwingswerkzaamheden zijn echter uitgevoerd in 2015 en daarom niet subsidiabel. Daarnaast valt het vervangen van het glas niet onder de werkzaamheden die in het instandhoudingsplan staan vermeld. [appellant] heeft verder geen andere facturen overgelegd waaruit blijkt dat er onderhoudswerkzaamheden zijn verricht in de periode 2017-2022. Beoordeling van het hoger beroep 6. [appellant] betoogt dat de subsidie ten onrechte is vastgesteld op nihil. De werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend zijn wel uitgevoerd. Daarbij komt dat hij hoge kosten heeft gemaakt om het monument in stand te houden. [appellant] betoogt dat geen rekening is gehouden met de menselijke maat. 7. Op grond van artikel 2 van de Sim, in samenhang gelezen met de subsidievoorwaarden in de verleningsbeschikking - en zoals ook blijkt uit de subsidieaanvraag - is de instandhoudingssubsidie verleend voor werkzaamheden die worden uitgevoerd in de periode 2017-2022 en die betrekking hebben op het normale onderhoud van het monument. In de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten, opgenomen in de bijlage bij de Sim, staat welke kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen subsidiabel zijn. 8. Op de zitting bij de Afdeling is besproken dat de door [appellant] gestelde werkzaam