Rechtspraak
Raad van State
2026-04-09
ECLI:NL:RVS:2026:1896
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
1,319 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:1896 text/xml public 2026-04-15T10:32:40 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-09 BRS.25.001712 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1896 text/html public 2026-04-07T12:39:26 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:1896 Raad van State , 09-04-2026 / BRS.25.001712 Bij besluit van 2 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. BRS.25.001712 ECLI:NL:RVS:2026:1896 Datum uitspraak: 9 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 22 oktober 2025 in zaak nr. NL25.49193 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 2 oktober 2025 heeft de minister appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 22 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. F. Boone, advocaat in Berkel en Rodenrijs, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven, waarop appellant heeft gereageerd. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31). 2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier. w.g. De Poorter voorzitter w.g. Vos griffier Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026 644-1125
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:1896 text/xml public 2026-04-15T10:32:40 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-09 BRS.25.001712 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1896 text/html public 2026-04-07T12:39:26 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:1896 Raad van State , 09-04-2026 / BRS.25.001712 Bij besluit van 2 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. BRS.25.001712 ECLI:NL:RVS:2026:1896 Datum uitspraak: 9 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 22 oktober 2025 in zaak nr. NL25.49193 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 2 oktober 2025 heeft de minister appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 22 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. F. Boone, advocaat in Berkel en Rodenrijs, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven, waarop appellant heeft gereageerd. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31). 2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier. w.g. De Poorter voorzitter w.g. Vos griffier Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026 644-1125