Rechtspraak
Raad van State
2026-04-08
ECLI:NL:RVS:2026:1864
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
7,938 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:1864 text/xml public 2026-04-15T10:32:49 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-08 202406964/3/R4 en 202406964/4/R4 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1864 text/html public 2026-04-02T08:38:50 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:1864 Raad van State , 08-04-2026 / 202406964/3/R4 en 202406964/4/R4 Bij tussenuitspraak van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1995, heeft de voorzieningenrechter de raad van de gemeente Rheden opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van de raad van 24 september 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landelijk gebied, herbestemming Lentsesteeg 13-15" (het plan) te herstellen. In de tussenuitspraak heeft de voorzieningenrechter het besluit van 24 september 2024 getoetst aan het in de Omgevingsvisie buitengebied Rheden opgenomen functieveranderingsbeleid. De voorzieningenrechter heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat het besluit van 24 september 2024, voor zover daarbij een verandering van een niet-agrarische bedrijfsfunctie naar een woonfunctie mogelijk wordt gemaakt, niet voldoet aan het functieveranderingsbeleid en dat de raad ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het handelen in overeenstemming met dat beleid voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de met dat beleid te dienen doelen. 202406964/3/R4 en 202406964/4/R4. Datum uitspraak: 8 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van de Awb, op het beroep, in het geding tussen: [verzoeker A] en [verzoeker B], wonend in Rheden, handelend onder de naam [bedrijf], verzoekers, en de raad van de gemeente Rheden, verweerder. Procesverloop Bij tussenuitspraak van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1995, heeft de voorzieningenrechter de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van de raad van 24 september 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landelijk gebied, herbestemming Lentsesteeg 13-15" (het plan) te herstellen. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 24 juni 2025 (herstelbesluit) het plan opnieuw vastgesteld. [partij A], de rechtsopvolger van [partij B], heeft daarover een zienswijze naar voren gebracht. [verzoekers] hebben daarover ook een zienswijze naar voren gebracht. De voorzieningenrechter heeft met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, en derde lid van de Awb bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Zoals in de tussenuitspraak is overwogen, blijft op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing. De tussenuitspraak 2. In de tussenuitspraak heeft de voorzieningenrechter het besluit van 24 september 2024 getoetst aan het in de Omgevingsvisie buitengebied Rheden opgenomen functieveranderingsbeleid. De voorzieningenrechter heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat het besluit van 24 september 2024, voor zover daarbij een verandering van een niet-agrarische bedrijfsfunctie naar een woonfunctie mogelijk wordt gemaakt, niet voldoet aan het functieveranderingsbeleid en dat de raad ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het handelen in overeenstemming met dat beleid voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de met dat beleid te dienen doelen. Verder heeft de voorzieningenrechter in de tussenuitspraak vastgesteld dat het plangebied is gelegen in een gebied dat in de Omgevingsverordening Gelderland (Omgevingsverordening) is aangewezen als Groene Ontwikkelzone (GO). De voorzieningenrechter heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat de raad ten onrechte heeft nagelaten om de versterkingsopgave en -maatregelen te bepalen overeenkomstig de stappen 1 en 2 van de Regels versterking Groene ontwikkelingszone (Regels GO). Het herstelbesluit 3. Met het herstelbesluit heeft de raad het bestemmingsplan opnieuw vastgesteld. Volgens de raad is het toepassen van het functieveranderingsbeleid in dit geval niet dienstbaar aan het doel van dat beleid. De raad benadrukt dat door de herbestemming 1,5 ha niet-agrarische bedrijfsbestemming wordt vervangen door 1,0 ha woonbestemming en 0,05 ha agrarische bestemming voor het hobbymatig houden van vee. De bebouwing in het plangebied bestaat uit de voormalige bedrijfswoning, met een grondoppervlak van 199 m², en de voormalige bedrijfsloods, met een grondoppervlak van 317 m². Om aan het functieveranderingsbeleid te voldoen, zou vrijwel de gehele bebouwing moeten worden afgebroken. Het afbreken van bebouwing vraagt een investering en zorgt volgens de raad voor een waardevermindering van het plangebied. Als alleen de loods wordt gesloopt, dan is volgens de raad een nieuwe functie niet meer mogelijk, omdat in dat geval naast de woning geen noemenswaardige bebouwing meer in het plangebied aanwezig zal zijn. Door in dit geval af te wijken van het functieveranderingsbeleid wordt volgens de raad een verbetering van de gebiedskwaliteit gerealiseerd, omdat een niet-agrarische bedrijfsfunctie verdwijnt en de versterking van landschaps- en natuurkwaliteiten in de planregels is gewaarborgd via een voorwaardelijke verplichting tot het aanleggen van onder meer een knip- en scheerheg. Daarbij acht de raad van belang dat het behoud van de woning en de loods de gebiedskwaliteit niet verslechtert. Als bebouwing moet worden gesloopt, dan kan de eigenaar van het plangebied niet met de herbestemming instemmen en dan zijn de gevolgen voor de eigenaar onevenredig groot, aldus de raad. Bij het herstelbesluit heeft de raad de versterkingsopgave en -maatregelen bepaald aan de hand van de Regels GO. Daaruit volgt dat de bij het plan voorziene ontwikkeling leidt tot een versterking van de GO als bedoeld in artikel 2.52, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingsverordening, en dat daarom geen versterkingsmaatregelen hoeven te worden getroffen. De niet-noodzakelijke versterkingsmaatregelen die via een voorwaardelijke verplichting in de planregels zijn gewaarborgd, worden volgens de raad vanuit het oogpunt van de GO positief beoordeeld. 4. Het herstelbesluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. De voorzieningenrichter zal het herstelbesluit hierna beoordelen aan de hand van wat [verzoekers] in hun zienswijze over het herstelbesluit naar voren hebben gebracht. [partij A] heeft zich in haar zienswijze op het standpunt gesteld dat de raad met het herstelbesluit de in de tussenuitspraak vastgestelde gebreken heeft hersteld. Anders dan voor [verzoekers], is voor [partij A] geen beroep van rechtswege ontstaan tegen het herstelbesluit, omdat zij daarbij onvoldoende belang heeft. Functieveranderingsbeleid 5. [verzoekers] betogen dat de raad nog steeds niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat van de in het functieveranderingsbeleid vervatte sloopnorm van minimaal 50% wordt afgeweken. [verzoekers] voeren aan dat het niet bijzonder is dat kosten moeten worden gemaakt voor het slopen van bebouwing. Volgens [verzoekers] zal die investering, anders dan de raad stelt, juist tot een waardevermeerdering van het plangebied leiden, omdat een woonbestemming de waarde van het plangebied verhoogt.
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:1864 text/xml public 2026-04-15T10:32:49 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-08 202406964/3/R4 en 202406964/4/R4 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1864 text/html public 2026-04-02T08:38:50 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:1864 Raad van State , 08-04-2026 / 202406964/3/R4 en 202406964/4/R4 Bij tussenuitspraak van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1995, heeft de voorzieningenrechter de raad van de gemeente Rheden opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van de raad van 24 september 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landelijk gebied, herbestemming Lentsesteeg 13-15" (het plan) te herstellen. In de tussenuitspraak heeft de voorzieningenrechter het besluit van 24 september 2024 getoetst aan het in de Omgevingsvisie buitengebied Rheden opgenomen functieveranderingsbeleid. De voorzieningenrechter heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat het besluit van 24 september 2024, voor zover daarbij een verandering van een niet-agrarische bedrijfsfunctie naar een woonfunctie mogelijk wordt gemaakt, niet voldoet aan het functieveranderingsbeleid en dat de raad ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het handelen in overeenstemming met dat beleid voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de met dat beleid te dienen doelen. 202406964/3/R4 en 202406964/4/R4. Datum uitspraak: 8 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van de Awb, op het beroep, in het geding tussen: [verzoeker A] en [verzoeker B], wonend in Rheden, handelend onder de naam [bedrijf], verzoekers, en de raad van de gemeente Rheden, verweerder. Procesverloop Bij tussenuitspraak van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1995, heeft de voorzieningenrechter de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van de raad van 24 september 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landelijk gebied, herbestemming Lentsesteeg 13-15" (het plan) te herstellen. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 24 juni 2025 (herstelbesluit) het plan opnieuw vastgesteld. [partij A], de rechtsopvolger van [partij B], heeft daarover een zienswijze naar voren gebracht. [verzoekers] hebben daarover ook een zienswijze naar voren gebracht. De voorzieningenrechter heeft met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, en derde lid van de Awb bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Zoals in de tussenuitspraak is overwogen, blijft op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing. De tussenuitspraak 2. In de tussenuitspraak heeft de voorzieningenrechter het besluit van 24 september 2024 getoetst aan het in de Omgevingsvisie buitengebied Rheden opgenomen functieveranderingsbeleid. De voorzieningenrechter heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat het besluit van 24 september 2024, voor zover daarbij een verandering van een niet-agrarische bedrijfsfunctie naar een woonfunctie mogelijk wordt gemaakt, niet voldoet aan het functieveranderingsbeleid en dat de raad ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het handelen in overeenstemming met dat beleid voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de met dat beleid te dienen doelen. Verder heeft de voorzieningenrechter in de tussenuitspraak vastgesteld dat het plangebied is gelegen in een gebied dat in de Omgevingsverordening Gelderland (Omgevingsverordening) is aangewezen als Groene Ontwikkelzone (GO). De voorzieningenrechter heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat de raad ten onrechte heeft nagelaten om de versterkingsopgave en -maatregelen te bepalen overeenkomstig de stappen 1 en 2 van de Regels versterking Groene ontwikkelingszone (Regels GO). Het herstelbesluit 3. Met het herstelbesluit heeft de raad het bestemmingsplan opnieuw vastgesteld. Volgens de raad is het toepassen van het functieveranderingsbeleid in dit geval niet dienstbaar aan het doel van dat beleid. De raad benadrukt dat door de herbestemming 1,5 ha niet-agrarische bedrijfsbestemming wordt vervangen door 1,0 ha woonbestemming en 0,05 ha agrarische bestemming voor het hobbymatig houden van vee. De bebouwing in het plangebied bestaat uit de voormalige bedrijfswoning, met een grondoppervlak van 199 m², en de voormalige bedrijfsloods, met een grondoppervlak van 317 m². Om aan het functieveranderingsbeleid te voldoen, zou vrijwel de gehele bebouwing moeten worden afgebroken. Het afbreken van bebouwing vraagt een investering en zorgt volgens de raad voor een waardevermindering van het plangebied. Als alleen de loods wordt gesloopt, dan is volgens de raad een nieuwe functie niet meer mogelijk, omdat in dat geval naast de woning geen noemenswaardige bebouwing meer in het plangebied aanwezig zal zijn. Door in dit geval af te wijken van het functieveranderingsbeleid wordt volgens de raad een verbetering van de gebiedskwaliteit gerealiseerd, omdat een niet-agrarische bedrijfsfunctie verdwijnt en de versterking van landschaps- en natuurkwaliteiten in de planregels is gewaarborgd via een voorwaardelijke verplichting tot het aanleggen van onder meer een knip- en scheerheg. Daarbij acht de raad van belang dat het behoud van de woning en de loods de gebiedskwaliteit niet verslechtert. Als bebouwing moet worden gesloopt, dan kan de eigenaar van het plangebied niet met de herbestemming instemmen en dan zijn de gevolgen voor de eigenaar onevenredig groot, aldus de raad. Bij het herstelbesluit heeft de raad de versterkingsopgave en -maatregelen bepaald aan de hand van de Regels GO. Daaruit volgt dat de bij het plan voorziene ontwikkeling leidt tot een versterking van de GO als bedoeld in artikel 2.52, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingsverordening, en dat daarom geen versterkingsmaatregelen hoeven te worden getroffen. De niet-noodzakelijke versterkingsmaatregelen die via een voorwaardelijke verplichting in de planregels zijn gewaarborgd, worden volgens de raad vanuit het oogpunt van de GO positief beoordeeld. 4. Het herstelbesluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. De voorzieningenrichter zal het herstelbesluit hierna beoordelen aan de hand van wat [verzoekers] in hun zienswijze over het herstelbesluit naar voren hebben gebracht. [partij A] heeft zich in haar zienswijze op het standpunt gesteld dat de raad met het herstelbesluit de in de tussenuitspraak vastgestelde gebreken heeft hersteld. Anders dan voor [verzoekers], is voor [partij A] geen beroep van rechtswege ontstaan tegen het herstelbesluit, omdat zij daarbij onvoldoende belang heeft. Functieveranderingsbeleid 5. [verzoekers] betogen dat de raad nog steeds niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat van de in het functieveranderingsbeleid vervatte sloopnorm van minimaal 50% wordt afgeweken. [verzoekers] voeren aan dat het niet bijzonder is dat kosten moeten worden gemaakt voor het slopen van bebouwing. Volgens [verzoekers] zal die investering, anders dan de raad stelt, juist tot een waardevermeerdering van het plangebied leiden, omdat een woonbestemming de waarde van het plangebied verhoogt.
Volledig
Het behoud van alle bebouwing levert volgens [verzoekers] geen verbetering van de gebiedskwaliteit op, omdat bebouwing in de weg staat aan de openheid van het landschap die de raad volgens de Omgevingsvisie in het buitengebied van Rheden nastreeft en de loods vanwege zijn slechte staat geen aanvaardbare ruimtelijke uitstraling heeft. [verzoekers] hebben foto’s overgelegd waarop te zien is dat de gevel aan de oostzijde van de loods van boven naar beneden is gescheurd en dat de gevel aan de zuidzijde is voorzien van een grote kunststof roldeur. [verzoekers] stellen verder dat de loods is verzakt en is voorzien van een asbesthoudend dak. Verder bestrijden [verzoekers] dat het slopen van de loods negatieve gevolgen zal hebben voor de functionaliteit van het plangebied, omdat de loods op grond van de planregels alleen mag worden gebruikt voor het hobbymatig houden van vee en de loods, die volgens [verzoekers] een grondoppervlak heeft van 321 m², niet noodzakelijk is voor die functie. 5.1. Artikel 4:84 van de Awb luidt: "Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen." 5.2. Artikel 3.1 van de regels van het plan luidt: "De voor ‘Agrarisch met waarden - natuur en landschap' aangewezen gronden zijn bestemd voor: -a. hobbymatig houden van vee, waaronder niet inbegrepen het gebruik als (boom)kwekerij, fruitteelt, niet-hobbymatige veehouderij en paardenfokkerij; -b. instandhouding en ontwikkeling van de landschappelijke, aardwetenschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden; -c. groenvoorzieningen, sloten en andere waterpartijen en rioleringswerken." 5.3. Het functieveranderingsbeleid bevat beleidsregels als bedoeld in de Awb. Op grond van het functieveranderingsbeleid kan een verandering van een niet-agrarische functie naar wonen plaatsvinden als aan de in dat beleid vervatte randvoorwaarden wordt voldaan. De kern van dat beleid is vervat in randvoorwaarde A op grond waarvan minimaal 50% van de bestaande legale bebouwing, met een minimum van 500 m², moet worden afgebroken, tenzij die bebouwing een hoge cultuurhistorische waarde heeft. In randvoorwaarde C staat dat een erfinrichtings- en landschapsplan onverlet laat dat randvoorwaarde A altijd moet worden gerespecteerd. Het doel van het functieveranderingsbeleid is het beperken van niet-agrarische functies, waaronder de woonfunctie, in het buitengebied en het mogelijk maken van een alternatieve functie en financiële drager bij stoppende bedrijven. 5.4. De raad is met het herstelbesluit van het functieveranderingsbeleid afgeweken door een functieverandering naar wonen toe te staan met behoud van alle in het plangebied aanwezige bebouwing, waarvan niet in geschil is dat die geen hoge cultuurhistorische waarde heeft. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad ondeugdelijk gemotiveerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden die deze afwijking van de geldende beleidsregels rechtvaardigen. Dat het slopen van bebouwing kosten met zich brengt, is gebruikelijk en kan daarom niet als bijzonder worden aangemerkt. Dat de eigenaar van het plangebied niet met sloop wil instemmen, kan ook niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die afwijking van het functieveranderingsbeleid rechtvaardigt. Voor zover de raad stelt dat het slopen van bebouwing tot een waardevermindering van het plangebied zal leiden, heeft de raad geen bijzondere omstandigheid gesteld die het behoud van alle bebouwing in het plangebied rechtvaardigt. De stelling van de raad dat het behoud van die bebouwing de gebiedskwaliteit niet verslechtert, kan, wat daarvan ook zij, niet als een rechtvaardiging als hier bedoeld worden aangemerkt. De voorzieningenrechter acht verder niet aannemelijk dat een nieuwe functie in dit geval alleen mogelijk is als alle bebouwing behouden blijft. Dat een woning noodzakelijk is om invulling te kunnen geven aan de nieuwe woonfunctie, laat onverlet dat de raad niet heeft toegelicht dat een loods met een grondoppervlak van ruim 300 m² binnen de bestemming "Agrarisch met waarden - natuur en landschap" noodzakelijk is voor het daar op grond van artikel 3.1 van de regels van het plan toegestane gebruik. Gelet op wat hiervoor onder 5.2 over randvoorwaarde C van het functieveranderingsbeleid is vermeld, heeft de raad ondeugdelijk gemotiveerd waarom de groenvoorzieningen die op grond van de planregels moeten worden aangelegd en in stand gehouden in dit geval een afwijking van randvoorwaarde A rechtvaardigen. Daarnaast verdwijnt de niet-agrarische bedrijfsfunctie in alle gevallen waarin sprake is van een verandering van een niet-agrarische bedrijfsfunctie naar een woonfunctie. Omdat ook die omstandigheid niet als bijzonder kan worden aangemerkt, heeft de raad ondeugdelijk gemotiveerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden die in dit geval rechtvaardigen dat in afwijking van het functieveranderingsbeleid alle bestaande bebouwing in het plangebied mag worden behouden. Het betoog slaagt. De Omgevingsverordening 6. [verzoekers] betogen dat de raad de gegevens bij stap 1 van de Regels GO op onderdelen niet correct heeft ingevuld, waardoor de raad uitgaat van een te positieve impact van het plan op de omgeving. [verzoekers] voeren aan dat, hoewel sprake is van een versterking, de versterking minder groot is als die gegevens correct zouden zijn ingevuld. In het geval de loods wordt gesloopt, zal de versterking volgens [verzoekers] weer groter worden. Verder voeren [verzoekers] aan dat de niet-noodzakelijke versterkingsmaatregelen die via een voorwaardelijke verplichting in de planregels zijn gewaarborgd, niet bijdragen aan een versterking van de openheid van het gebied. 6.1. Artikel 2.52, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingsverordening luidt: "Voor zover een bestemmingsplan van toepassing is op locaties binnen de Groene ontwikkelingszone, laat het een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt." Het tweede lid luidt: "Gedeputeerde Staten stellen regels vast om de versterking uit te werken." 6.2. De Regels GO bevatten de regels als bedoeld in artikel 2.52, tweede lid, van de Omgevingsverordening. Het in artikel 2.52, eerste lid, vereiste onderzoek moet plaatsvinden aan de hand van de stappen 1 en 2 van de Regels GO, waarbij aan de hand van stap 1 moet worden nagegaan of er een versterkingsopgave is. Als daarvan sprake is, moet aan de hand van stap 2 worden nagegaan of sprake is van voldoende versterkingsmaatregelen. 6.3. De raad heeft in het herstelbesluit de versterkingsopgave bepaald aan de hand van de Regels GO. Hoewel [verzoekers] stellen dat de raad de gegevens bij stap 1 van de Regels GO op onderdelen niet correct heeft ingevuld, onderschrijven [verzoekers] de conclusie van de raad dat op grond van stap 1 kan worden geconcludeerd dat de bij het plan voorziene ontwikkeling leidt tot een versterking van de GO als bedoeld in artikel 2.52, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingsverordening en dat derhalve geen versterkingsmaatregelen hoeven te worden genomen. Gelet hierop geeft wat [verzoekers] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het herstelbesluit in strijd is met artikel 2.52 van de Omgevingsverordening. Het betoog slaagt niet. Conclusies 7. Gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen, hiervoor weergegeven onder 2, is het beroep van [verzoekers] tegen het besluit van 24 september 2024 gegrond. Dat besluit moet worden vernietigd. Gelet op wat hiervoor onder 5.4 is overwogen, is het beroep van [verzoekers] tegen het herstelbesluit ook gegrond. Wegens strijd met de artikelen 3:46 en 4:84 van de Awb komt ook dat besluit voor vernietiging in aanmerking. 8.
Volledig
Het behoud van alle bebouwing levert volgens [verzoekers] geen verbetering van de gebiedskwaliteit op, omdat bebouwing in de weg staat aan de openheid van het landschap die de raad volgens de Omgevingsvisie in het buitengebied van Rheden nastreeft en de loods vanwege zijn slechte staat geen aanvaardbare ruimtelijke uitstraling heeft. [verzoekers] hebben foto’s overgelegd waarop te zien is dat de gevel aan de oostzijde van de loods van boven naar beneden is gescheurd en dat de gevel aan de zuidzijde is voorzien van een grote kunststof roldeur. [verzoekers] stellen verder dat de loods is verzakt en is voorzien van een asbesthoudend dak. Verder bestrijden [verzoekers] dat het slopen van de loods negatieve gevolgen zal hebben voor de functionaliteit van het plangebied, omdat de loods op grond van de planregels alleen mag worden gebruikt voor het hobbymatig houden van vee en de loods, die volgens [verzoekers] een grondoppervlak heeft van 321 m², niet noodzakelijk is voor die functie. 5.1. Artikel 4:84 van de Awb luidt: "Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen." 5.2. Artikel 3.1 van de regels van het plan luidt: "De voor ‘Agrarisch met waarden - natuur en landschap' aangewezen gronden zijn bestemd voor: -a. hobbymatig houden van vee, waaronder niet inbegrepen het gebruik als (boom)kwekerij, fruitteelt, niet-hobbymatige veehouderij en paardenfokkerij; -b. instandhouding en ontwikkeling van de landschappelijke, aardwetenschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden; -c. groenvoorzieningen, sloten en andere waterpartijen en rioleringswerken." 5.3. Het functieveranderingsbeleid bevat beleidsregels als bedoeld in de Awb. Op grond van het functieveranderingsbeleid kan een verandering van een niet-agrarische functie naar wonen plaatsvinden als aan de in dat beleid vervatte randvoorwaarden wordt voldaan. De kern van dat beleid is vervat in randvoorwaarde A op grond waarvan minimaal 50% van de bestaande legale bebouwing, met een minimum van 500 m², moet worden afgebroken, tenzij die bebouwing een hoge cultuurhistorische waarde heeft. In randvoorwaarde C staat dat een erfinrichtings- en landschapsplan onverlet laat dat randvoorwaarde A altijd moet worden gerespecteerd. Het doel van het functieveranderingsbeleid is het beperken van niet-agrarische functies, waaronder de woonfunctie, in het buitengebied en het mogelijk maken van een alternatieve functie en financiële drager bij stoppende bedrijven. 5.4. De raad is met het herstelbesluit van het functieveranderingsbeleid afgeweken door een functieverandering naar wonen toe te staan met behoud van alle in het plangebied aanwezige bebouwing, waarvan niet in geschil is dat die geen hoge cultuurhistorische waarde heeft. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad ondeugdelijk gemotiveerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden die deze afwijking van de geldende beleidsregels rechtvaardigen. Dat het slopen van bebouwing kosten met zich brengt, is gebruikelijk en kan daarom niet als bijzonder worden aangemerkt. Dat de eigenaar van het plangebied niet met sloop wil instemmen, kan ook niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die afwijking van het functieveranderingsbeleid rechtvaardigt. Voor zover de raad stelt dat het slopen van bebouwing tot een waardevermindering van het plangebied zal leiden, heeft de raad geen bijzondere omstandigheid gesteld die het behoud van alle bebouwing in het plangebied rechtvaardigt. De stelling van de raad dat het behoud van die bebouwing de gebiedskwaliteit niet verslechtert, kan, wat daarvan ook zij, niet als een rechtvaardiging als hier bedoeld worden aangemerkt. De voorzieningenrechter acht verder niet aannemelijk dat een nieuwe functie in dit geval alleen mogelijk is als alle bebouwing behouden blijft. Dat een woning noodzakelijk is om invulling te kunnen geven aan de nieuwe woonfunctie, laat onverlet dat de raad niet heeft toegelicht dat een loods met een grondoppervlak van ruim 300 m² binnen de bestemming "Agrarisch met waarden - natuur en landschap" noodzakelijk is voor het daar op grond van artikel 3.1 van de regels van het plan toegestane gebruik. Gelet op wat hiervoor onder 5.2 over randvoorwaarde C van het functieveranderingsbeleid is vermeld, heeft de raad ondeugdelijk gemotiveerd waarom de groenvoorzieningen die op grond van de planregels moeten worden aangelegd en in stand gehouden in dit geval een afwijking van randvoorwaarde A rechtvaardigen. Daarnaast verdwijnt de niet-agrarische bedrijfsfunctie in alle gevallen waarin sprake is van een verandering van een niet-agrarische bedrijfsfunctie naar een woonfunctie. Omdat ook die omstandigheid niet als bijzonder kan worden aangemerkt, heeft de raad ondeugdelijk gemotiveerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden die in dit geval rechtvaardigen dat in afwijking van het functieveranderingsbeleid alle bestaande bebouwing in het plangebied mag worden behouden. Het betoog slaagt. De Omgevingsverordening 6. [verzoekers] betogen dat de raad de gegevens bij stap 1 van de Regels GO op onderdelen niet correct heeft ingevuld, waardoor de raad uitgaat van een te positieve impact van het plan op de omgeving. [verzoekers] voeren aan dat, hoewel sprake is van een versterking, de versterking minder groot is als die gegevens correct zouden zijn ingevuld. In het geval de loods wordt gesloopt, zal de versterking volgens [verzoekers] weer groter worden. Verder voeren [verzoekers] aan dat de niet-noodzakelijke versterkingsmaatregelen die via een voorwaardelijke verplichting in de planregels zijn gewaarborgd, niet bijdragen aan een versterking van de openheid van het gebied. 6.1. Artikel 2.52, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingsverordening luidt: "Voor zover een bestemmingsplan van toepassing is op locaties binnen de Groene ontwikkelingszone, laat het een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt." Het tweede lid luidt: "Gedeputeerde Staten stellen regels vast om de versterking uit te werken." 6.2. De Regels GO bevatten de regels als bedoeld in artikel 2.52, tweede lid, van de Omgevingsverordening. Het in artikel 2.52, eerste lid, vereiste onderzoek moet plaatsvinden aan de hand van de stappen 1 en 2 van de Regels GO, waarbij aan de hand van stap 1 moet worden nagegaan of er een versterkingsopgave is. Als daarvan sprake is, moet aan de hand van stap 2 worden nagegaan of sprake is van voldoende versterkingsmaatregelen. 6.3. De raad heeft in het herstelbesluit de versterkingsopgave bepaald aan de hand van de Regels GO. Hoewel [verzoekers] stellen dat de raad de gegevens bij stap 1 van de Regels GO op onderdelen niet correct heeft ingevuld, onderschrijven [verzoekers] de conclusie van de raad dat op grond van stap 1 kan worden geconcludeerd dat de bij het plan voorziene ontwikkeling leidt tot een versterking van de GO als bedoeld in artikel 2.52, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingsverordening en dat derhalve geen versterkingsmaatregelen hoeven te worden genomen. Gelet hierop geeft wat [verzoekers] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het herstelbesluit in strijd is met artikel 2.52 van de Omgevingsverordening. Het betoog slaagt niet. Conclusies 7. Gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen, hiervoor weergegeven onder 2, is het beroep van [verzoekers] tegen het besluit van 24 september 2024 gegrond. Dat besluit moet worden vernietigd. Gelet op wat hiervoor onder 5.4 is overwogen, is het beroep van [verzoekers] tegen het herstelbesluit ook gegrond. Wegens strijd met de artikelen 3:46 en 4:84 van de Awb komt ook dat besluit voor vernietiging in aanmerking. 8.