Rechtspraak Raad van State 2026-04-03
ECLI:NL:RVS:2026:1863
202600522/3/R1. Datum uitspraak: 3 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) in het geding tussen: [verzoeker], wonend in Beesel, verzoeker, en de raad van de gemeente Beesel, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 15 december 2025 heeft de raad het "TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22c Integraal Kindcentrum Beesel" als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Beesel vastgesteld (het wijzigingsbesluit). Tegen dit besluit heeft [verzoeker] beroep ingesteld. Ook heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen Wettelijk kader/beoordelingskader 1. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak. 2. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting. Het oordeel van de voorzieningenrechter is een voorlopig oordeel en niet bindend in de bodemprocedure. Inleiding 3. Het wijzigingsbesluit voorziet in een integraal kindcentrum (IKC) op de helft van het meest zuidwestelijk gelegen voetbalveld op het terrein van het sportpark "De Solberg" aan de Sint Antoniusstraat in Beesel. De andere helft van het voetbalveld wordt ingezet voor een sportfunctie. Het IKC biedt huisvestiging aan de basisschool ’t Spick, een gymzaal, een kinderopvang en een dagbesteding voor ouderen. Het terrein rondom het IKC wordt ingericht met onder andere speelplaatsen, natuur, hemelwaterberging en parkeervoorzieningen. Het wijzigingsbesluit voorziet niet in de wijziging van de overige voetbalvelden van het sportpark. 4. [verzoeker] woont op ongeveer 150 meter afstand van de locatie waar het besluit tot wijziging op ziet. [verzoeker] is niet tegen de komst van het IKC, maar hij heeft wel bezwaren tegen de besluitvorming en hij heeft bezwaar tegen een deel van het bouwprogramma. Hij heeft ook een zienswijze naar voren gebracht over het ontwerpwijzigingsbesluit. [verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat het wijzigingsbesluit wordt geschorst totdat de Afdeling op het beroep heeft beslist. Het verzoek en de beoordeling van het verzoek 5. [verzoeker] voert aan dat er gebreken kleven aan de diverse onderzoeken die ten grondslag liggen aan het wijzigingsbesluit. Hij voert ook aan dat het wijzigingsbesluit leidt tot verslechtering van de toegang voor de voetbalverenigingen, dat er te weinig parkeerplaatsen beschikbaar zullen zijn, dat de verkeerssituatie in het algemeen erop achteruit zal gaan, dat ten onrechte een gymzaal in plaats van een grote binnensportaccommodatie mogelijk is gemaakt en dat er geen rekening is gehouden met de spuitzone van het aangrenzende agrarische perceel. Verder stelt [verzoeker] dat er sprake is van verkwisting van gemeentelijke gelden vanwege de ruil van gemeentelijke gronden met het aangrenzende agrarisch perceel in verband met het wijzigingsbesluit. 5.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de onder 5 vermelde beroepsgronden naar verwachting niet kunnen leiden tot vernietiging van het wijzigingsbesluit op grond van artikel 8:69a van de Awb. De voorzieningenrechter licht dit oordeel hierna toe. 5.2. Artikel 8:69a van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept." Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besl