Rechtspraak
Raad van State
2026-04-03
ECLI:NL:RVS:2026:1857
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
608 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RVS:2026:1857 text/xml public 2026-04-08T11:33:16 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-03 BRS.26.001095 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1857 text/html public 2026-04-01T14:33:52 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:1857 Raad van State , 03-04-2026 / BRS.26.001095 Bij besluit van 26 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. BRS.26.001095 ECLI:NL:RVS:2026:1857 Datum uitspraak: 3 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], mede voor haar minderjarige kind, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 27 februari 2026 in zaak nr. NL26.4753 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 26 januari 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 27 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J. Bravo Mougán, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. De minister heeft nadere stukken ingediend. Overwegingen 1. De minister heeft de Afdeling laten weten dat appellant met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van appellant heeft, hoewel de Afdeling haar daartoe in de gelegenheid heeft gesteld, niet laten weten dat zij nog contact met haar heeft. Daaruit leidt de Afdeling af dat appellant niet langer bescherming in Nederland zoekt. Daarom heeft appellant geen belang bij een beoordeling van het hoger beroep. 2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Lodeweges, griffier. w.g. De Poorter lid van de enkelvoudige kamer w.g. Lodeweges griffier Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026 625