Rechtspraak
Raad van State
2026-03-23
ECLI:NL:RVS:2026:1791
Bestuursrecht
Hoger beroep
1,400 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RVS:2026:1791 text/xml public 2026-04-01T10:33:57 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-03-23 202503387/1/A2 Uitspraak Hoger beroep Mondelinge uitspraak NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1791 text/html public 2026-03-31T08:22:26 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:1791 Raad van State , 23-03-2026 / 202503387/1/A2 Bij besluiten van 3 april 2024 en 14 mei 2024 heeft Sociale Banken Nederland namens de Belastingdienst/Toeslagen (nu: de minister van Financiën) verzoeken van [appellante] om een geldschuld en daarop gedane rentebetalingen over te nemen, afgewezen. De minister heeft de afwijzing van de verzoeken gehandhaafd, omdat de schuld en de rentebetalingen niet voldoen aan de voorwaarden voor overname en compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht schrijft namelijk voor dat het moet gaan om geldschulden die voor 1 juni 2021 opeisbaar waren. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat dit niet het geval is, omdat op grond van de overeenkomst de verplichting tot terugbetaling van de lening pas begint op 1 oktober 2025. Ook heeft [appellante] op 21 februari 2024 verklaard dat er geen achterstand in de rentebetaling bestaat en bovendien heeft de rente betrekking op de maanden na mei 2021, aldus de minister. 202503387/1/A2. Datum uitspraak: 23 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: [appellante], wonend in [woonplaats] (Duitsland), appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 mei 2025 in zaak nr. 24/7711 in het geding tussen: [appellante] en de minister van Financiën. Openbare zitting gehouden op 23 maart 2026 om 10:45 uur. Tegenwoordig: Staatsraad: mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer Griffier: mr. T. van Goeverden-Clarenbeek Jurist: mr. S. de Poorter Verschenen: Via videoverbinding: [appellante], vertegenwoordigd door mr. K.J.C. van Bekkum, advocaat in Heerlen; De minister, vertegenwoordigd door mr. S. Akkas en V.N. Giang. Bij besluiten van 3 april 2024 en 14 mei 2024 heeft Sociale Banken Nederland namens de Belastingdienst/Toeslagen (nu: de minister) verzoeken van [appellante] om een geldschuld en daarop gedane rentebetalingen over te nemen, afgewezen. Bij besluiten van 12 augustus 2024 en 15 augustus 2024 heeft de minister de door [appellante] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 8 mei 2025 van de rechtbank Den Haag, waarbij het beroep van [appellante] tegen de besluiten van 12 en 15 augustus 2026 ongegrond is verklaard. Beslissing De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Motivering 1. [appellante] heeft als gedupeerde van de toeslagenaffaire verzocht om overname van een lening door en compensatie van rentebetalingen aan KfW Studienkredit (KfW). Het gaat om een hoofdschuld van € 22.100,00 en daarover voldane rentebetalingen van in totaal € 319,72. 2. De minister heeft de afwijzing van de verzoeken gehandhaafd, omdat de schuld en de rentebetalingen niet voldoen aan de voorwaarden voor overname en compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht schrijft namelijk voor dat het moet gaan om geldschulden die voor 1 juni 2021 opeisbaar waren. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat dit niet het geval is, omdat op grond van de overeenkomst de verplichting tot terugbetaling van de lening pas begint op 1 oktober 2025. Ook heeft [appellante] op 21 februari 2024 verklaard dat er geen achterstand in de rentebetaling bestaat en bovendien heeft de rente betrekking op de maanden na mei 2021, aldus de minister. De rechtbank heeft overwogen dat de schuld niet kan worden gekwalificeerd als een bestuursrechtelijke geldschuld. Verder heeft de rechtbank overwogen dat uitbetalingen op de leenovereenkomst aan [appellante] hebben plaatsgevonden vanaf 1 januari 2021 en dat de lening pas op 1 oktober 2025 opeisbaar is. Het bedrag van € 319,72 betreft rentebetalingen die zijn voldaan voor de maanden november en december 2023. De minister heeft deugdelijk onderbouwd dat de schuld en de rentebetalingen niet voor 1 juni 2021 opeisbaar zijn geworden. 3. De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd en die op de zitting zijn toegespitst op de rentebetalingen, zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6.2 en 6.3 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daaraan toe dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat [appellante] al vóór 1 juni 2021 opeisbare achterstanden had in de rentebetalingen aan KfW. Dat is op de zitting wel betoogd, maar niet onderbouwd. Verder heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de lening bij KfW geen publiekrechtelijke schuld in de zin van de Wht. Dat [appellante], zoals zij betoogt, ook bij DUO had kunnen lenen en dan wel een publiekrechtelijke schuld had gehad, maakt dat niet anders. 4. Het hoger beroep is ongegrond. 5. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. w.g. Willems lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Goeverden-Clarenbeek griffier 488-1197