Rechtspraak
Raad van State
2026-04-01
ECLI:NL:RVS:2026:1784
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,342 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RVS:2026:1784 text/xml public 2026-04-08T11:33:18 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-01 BRS.26.001173 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1784 text/html public 2026-03-30T11:28:00 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:1784 Raad van State , 01-04-2026 / BRS.26.001173 Bij besluit van 22 augustus 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om hem krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen, afgewezen. BRS.26.001173 ECLI:NL:RVS:2026:1784 Datum uitspraak: 1 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [verzoeker] (verzoeker) om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: De minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 18 april 2025 in zaak nr. 23/14722 in het geding tussen: verzoeker en de minister. Procesverloop Bij besluit van 22 augustus 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om hem krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 30 november 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 18 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak het Bureau Medische Advisering opnieuw om advies vraagt en een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 16 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2671, heeft de voorzieningenrechter een verzoek van de minister om een voorlopige voorziening te treffen toegewezen en bepaald dat de minister geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. Bij uitspraak van 23 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5106, heeft de voorzieningenrechter een verzoek van verzoeker om een voorlopige voorziening te treffen, afgewezen. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter opnieuw verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen 1. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter opnieuw verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt. De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 23 oktober 2025 naar aanleiding van een eerder daartoe strekkend verzoek van verzoeker overwogen dat verzoeker in afwachting van een nieuw besluit op zijn aanvraag rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder h, gelezen in samenhang met artikel 73, eerste lid, van de Vw 2000. 2. Verzoeker wijst er, onder verwijzing naar een e-mail van de minister van 9 maart 2026, echter terecht op dat artikel 73, eerste lid, van de Vw 2000 uitsluitend opschortende werking toekent aan het maken van bezwaar tegen een besluit tot afwijzing van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning of de intrekking daarvan. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Vw 2000 (Kamerstukken II 1998/99, 26 732, nr. 3, p. 72-73) blijkt niet dat de wetgever heeft beoogd om schorsende werking in bezwaar ook te laten gelden voor bezwaarschriften die zijn ingediend tegen andere besluiten dan die uitdrukkelijk zijn genoemd in artikel 73, eerste lid, van de Vw 2000. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2166, onder 4. Het besluit van 22 augustus 2023 is geen besluit tot afwijzing van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning of de intrekking daarvan, maar een besluit tot afwijzing van een aanvraag om uitstel van vertrek, en valt daarom niet binnen de reikwijdte van artikel 73, eerste lid, van de Vw 2000. 3. De voorzieningenrechter beoordeelt het voorliggende verzoek, en treft, gelet op wat verder is aangevoerd, een voorlopige voorziening. 4. De minister moet de proceskosten vergoeden. Omdat de griffier geen griffierecht heeft geheven, hoeft de minister dat niet te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet, totdat op het door de minister van Asiel en Migratie ingestelde hoger beroep is beslist; II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier. De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen w.g. Mercelina griffier Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026 938-1046