Rechtspraak Raad van State 2026-03-25
ECLI:NL:RVS:2026:1744
202205473/1/R2. Datum uitspraak: 25 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. [appellant sub 1], wonend in Sint-Oedenrode, gemeente Meierijstad, 2. [appellant sub 2], wonend in Sint-Oedenrode, gemeente Meierijstad, 3. het college van burgemeester en wethouders van Meierijstad, 4. Stichting Brabantse Milieufederatie (BMF), gevestigd in Tilburg, 5. Vereniging het Groene Hart Brabant (Het Groene Hart), gevestigd in Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 5 juli 2022 in zaken nrs. 22/352, 22/353 en 22/272 in het geding tussen: BMF en Het Groene Hart en het college. Procesverloop Bij besluiten van 28 februari 2005 en 10 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode (tegenwoordig: het college) aan [appellant sub 1] respectievelijk aan [appellant sub 2] aanlegvergunningen verleend voor het dempen en aanleggen van diverse sloten/watergangen en het egaliseren en draineren van diverse percelen gelegen nabij het Morgenstraatje en de Slophoosweg in Sint-Oedenrode. Bij besluiten van 16 december 2021 heeft het college de door BMF en Het Groene Hart daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en de besluiten van 28 februari en 10 maart 2005 in stand gelaten onder aanvulling van de motivering. Bij uitspraak van 5 juli 2022 heeft de rechtbank, voor zover van belang, de door BMF en Het Groene Hart daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen op de bezwaren gericht tegen de verleende aanlegvergunningen voor het Morgenstraatje en de Slophoosweg. Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en het college hoger beroep ingesteld. BMF en Het Groene Hart hebben incidenteel hoger beroep ingesteld. BMF, Het Groene Hart, [appellant sub 1], [appellant sub 2] en het college hebben schriftelijke uiteenzettingen gegeven. Het college heeft een nader stuk ingediend. Bij afzonderlijke besluiten van 11 april 2023 heeft het college de door BMF en Het Groene Hart gemaakte bezwaren tegen het besluit van 28 februari 2005 gegrond verklaard, dit besluit deels ingetrokken, de gemaakte bezwaren tegen het besluit van 10 maart 2005 ongegrond verklaard en dit besluit in stand gelaten onder aanvulling van de motivering. [appellant sub 1], BMF en Het Groene Hart hebben daartegen beroepsgronden ingediend. [appellant sub 2] heeft zienswijzen naar voren gebracht. [appellant sub 1], [appellant sub 2], BMF, Het Groene Hart en het college hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 13 juni 2025, waar [appellant sub 1], bijgestaan door [persoon A], mr. M.I.J. Toonders, advocaat in Veldhoven, en [persoon B], [appellant sub 2], bijgestaan door mr. M.I.J. Toonders, advocaat in Veldhoven, en ir. L.J. Vollebregt, en het college, vertegenwoordigd door mr. L.A. Muller, zijn verschenen. Digitaal hebben deelgenomen BMF, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], en het Groene Hart, vertegenwoordigd door [gemachtigde B] en [gemachtigde C]. Op de zitting heeft de Afdeling het college in de gelegenheid gesteld om na de zitting een nadere schriftelijke toelichting te geven. Het college heeft een zienswijze naar voren gebracht. Bij besluit van 26 augustus 2025 heeft het college de besluiten van 11 april 2023 gewijzigd. Het Groene Hart, [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben zienswijzen naar voren gebracht. BMF heeft laten weten zich te refereren aan het oordeel van de Afdeling. Het Groene Hart heeft nadere stukken ingediend. Met toestemming van partijen heeft de Afdeling afgezien van een nadere behandeling van de zaak op zitting en het onderzoek gesloten. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het ti De Afdeling zal daarom geen inhoudelijk oordeel geven over deze beroepsgronden. Is er ruimte voor een afweging van de belangen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2]? 5. Het college, [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat bij toetsing aan de artikelen 4.6.3 en 5.6.3 van de planregels de belangen van vergunninghouders bij de landbouwkundige waarden en kwaliteiten van de gronden niet (meer) mogen worden meegewogen. Volgens het college zijn met de verschillende wijzigingen van de planologische regimes in de periode 2005 tot aan de besluiten op bezwaar van 16 december 2021 geen materiële wijzigingen beoogd, zodat de landbouwkundige belangen van vergunninghouders nog steeds kunnen worden meegewogen. Verder voert het college aan dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, uit de plantoelichting niet blijkt dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan de belangen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] al uitputtend heeft afgewogen. De artikelen 4.6.3 en 5.6.3 van de planregels bevatten weliswaar alleen weigeringsgronden, maar vormen volgens het college geen belemmering voor het betrekken van agrarische aspecten bij de belangenafweging. Ook staat volgens het college het evenredigheidsbeginsel daaraan niet in de weg. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren aan dat de op de percelen rustende bestemmingen primair zijn bedoeld voor agrarische doeleinden, zodat het om deze reden al niet is toegestaan om een vergunning te verlenen voor werken en werkzaamheden die de agrarische bodemexploitatie onmogelijk maken. Dat de landbouwkundige waarden en kwaliteiten van de gronden niet meer zijn genoemd in de planregels, betekent dus niet dat daarmee bij de vergunningverlening geen rekening hoeft te worden gehouden. 5.1. Op grond van het bestemmingsplan rust nabij het Morgenstraatje 1 op perceel 345 de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden". Verder rusten op dit perceel de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 1", "Waarde - Archeologie 2" en "Waterstaat - Attentiegebied EHS". Op het perceel 346 rusten de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 1", "Waarde - Archeologie 2" en "Waterstaat - Attentiegebied EHS". Op de percelen 345 en 346 rusten de gebiedsaanduidingen "aardkundig waardevol", "cultuurhistorisch waardevol gebied", "cultuurhistorisch waardevolle akker" en "waardevol beekdal". Op het zuidelijk deel van het perceel 495 rust de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden". Verder rusten op dit perceel de dubbelstemmingen "Waarde - Archeologie 1", "Waarde - Archeologie 3" en "Waterstaat - Attentiegebied EHS". Ook rusten op dit perceel de gebiedsaanduidingen "aardkundig waardevol", "cultuurhistorisch waardevol gebied" en "cultuurhistorisch waardevolle akker". Op de percelen 226, 624, 625 en 626 nabij de Slophoosweg 9 rust de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" . Op de percelen 624 en 625 rust ook de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden". Verder rusten op de vier percelen de dubbelstemmingen "Waarde - Archeologie 1" en "Waterstaat - Attentiegebied EHS". Op de percelen 624, 625 en 626 rust deels ook de dubbelbestemming, "Waarde - Archeologie 2". Ook rust op de vier percelen de gebiedsaanduiding "cultuurhistorisch waardevol gebied". Op de percelen 624, 625 en 626 rust ook de gebiedsaanduiding "leefgebied kwetsbare soorten". De voor "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en "Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden" aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor agrarische doeleinden, in het kader van bedrijfsmatige agrarische activiteiten, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen. Op grond van de artikelen 4.6.1 en 5.6.1 van de planregels is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden In het rapport van Verkuylen wordt weliswaar een beschrijving gegeven van de ernst van de mate waarin de te beschermen waarden worden aangetast, maar in dit rapport staat niets over in hoeverre een weigering van de gevraagde vergunningen onevenredig is in verhouding tot hun belangen. Volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] is de conclusie in het rapport dat er voor wat betreft het Morgenstraatje en de Slophoosweg sprake is van een onevenredige aantasting van de te beschermen waarden, niet toereikend onderbouwd. Volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] volgt uit de overgelegde deskundigenrapporten van DLV Advies van 26 juni 2019 dat, als de demping van de sloten weer ongedaan moet worden gemaakt, de schade in de bedrijfsvoering even groot is als het voordeel dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voor ogen stond toen zij de vergunningen aanvroegen. Verder voeren zij aan dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan het advies van de AAB, waarin wordt ingegaan op het landbouwkundig belang van de aanlegvergunningen. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben een rapport van Van Doormaal Advies, Bestemming & Milieu van 20 maart 2024 overgelegd, waaruit volgens hen volgt dat de in het rapport van Verkuylen gestelde aantasting van de te beschermen waarden is overschat. 6.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank niet onderkend dat in het rapport van Verkuylen voor het perceel van [appellant sub 1] met nummer 495 nabij het Morgenstraatje is geconcludeerd dat de werkzaamheden tot een niet-onevenredige aantasting van de cultuurhistorische, ecologische en landschappelijke waarden leiden. Daarnaast heeft de rechtbank niet onderkend dat in het rapport van Verkuylen voor de percelen van [appellant sub 2] met nummers 226, 624, 625 en 626 nabij de Slophoosweg is geconcludeerd dat de demping van de sloten tot een niet-onevenredige aantasting van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden leiden en er geen sprake is van aantasting van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden als gevolg van de uitgevoerde egalisatie. Verder biedt het rapport van Van Doormaal Advies, Bestemming & Milieu van 20 maart 2024 voldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de conclusies in het rapport van Verkuylen dat sprake is van een onevenredige aantasting van de te beschermen waarden. Anders dan BMF en Het Groene Hart stellen, kan het rapport van Van Doormaal worden betrokken bij de beoordeling van deze beroepsgrond, ook al is dat rapport van na de uitspraak van de rechtbank. Achteraf bezien heeft de rechtbank dan ook ten onrechte geoordeeld dat kon worden uitgegaan van de deugdelijkheid van het rapport van Verkuylen en daarvan uitgaande ten onrechte geconcludeerd dat voor de percelen aan het Morgenstraatje en de Slophoosweg sprake is van een onevenredige aantasting van de te beschermen waarden. Maar dit leidt niet tot een vernietiging van de aangevallen uitspraak, omdat de rechtbank terecht, zij het op onjuiste gronden, de door BMF en Het Groene Hart tegen de besluiten van 16 december 2021 ingestelde beroepen gegrond heeft verklaard. De Afdeling verwijst naar wat zij hierover heeft overwogen onder 5.2. Het betoog slaagt niet. Incidenteel hoger beroepen BMF en Het Groene Hart 7. BMF en Het Groene Hart betogen dat de rechtbank ten onrechte geen reden heeft gezien om zelf in de zaak te voorzien. Gelet op de planregels en de conclusies in het rapport van Verkuylen kon er volgens BMF en het Groene Hart geen andere beslissing worden genomen dan de gevraagde aanlegvergunningen te weigeren. 7.1. Het betoog van BMF en Het Groene Hart komt erop neer dat de rechtbank toepassing had moeten geven aan de in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb gegeven bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank daarvoor terecht geen aanleiding gezien. Hierbij is van belang dat het besluit om al dan niet een omgevingsvergunning voor de activiteit uitvoeren v Daarover voert hij aan dat het college niet zonder meer het rapport van Verkuylen als uitgangspunt had mogen nemen, omdat er twijfels bestaan bij dit rapport. 12.1. Zoals de Afdeling hierboven onder 6.1 heeft overwogen, biedt het rapport van Van Doormaal Advies, Bestemming & Milieu van 20 maart 2024 voldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de conclusies in het rapport van Verkuylen, zodat het college dat rapport niet zonder nadere motivering aan het besluit van 11 april 2023 ten grondslag heeft mogen leggen. Het betoog slaagt. Het besluit van 26 augustus 2025 13. Bij besluit van 26 augustus 2025 heeft het college het besluit van 11 april 2023 over de aanvraag omgevingsvergunning voor het dempen van sloten en het egaliseren van gronden op de percelen 345 en 346 gewijzigd, in die zin dat aan [appellant sub 1] een omgevingsvergunning wordt verleend voor het dempen van sloten en het egaliseren van gronden en voor handelen in strijd met het bestemmingsplan. Verder heeft het college het besluit van 11 april 2023 over de aanvraag omgevingsvergunning voor het egaliseren van gronden op de percelen 226, 624, 625 en 626 gewijzigd door aan [appellant sub 2] ook een omgevingsvergunning te verlenen voor handelen in strijd met het bestemmingsplan. Het besluit van 26 augustus 2025 wordt van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding (artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb). De Afdeling zal het besluit van 26 augustus 2025 beoordelen aan de hand van wat daartegen door Het Groene Hart, [appellant sub 1] en [appellant sub 2] is aangevoerd. BMF heeft geen inhoudelijke zienswijze tegen het besluit van 26 augustus 2025 naar voren gebracht. Onevenredige aantasting van de te beschermen waarden? 14. Het Groene Hart betoogt dat het college het rapport van Van Doormaal Advies, Bestemming & Milieu van 20 maart 2024 niet aan het besluit van 26 augustus 2025 ten grondslag heeft mogen leggen. Volgens Het Groene Hart gaat het college er ten onrechte aan voorbij dat in het rapport van Verkuylen is geconcludeerd dat er een onevenredige aantasting is van de in de doeleindenomschrijving genoemde waarden. In het rapport van Van Doormaal worden ten onrechte alleen de ontwikkelingen van ná de vergunde werken en werkzaamheden meegenomen. Volgens Het Groene Hart moet worden uitgegaan van de situatie van vóór de vergunde werken en werkzaamheden, zoals dat in het rapport van Verkuylen is gedaan. Ook moet voor de beoordeling van de effecten van de vergunde werken en werkzaamheden met name worden gekeken naar de percelen waarop de ingrepen hebben plaatsgevonden en niet naar wat er aan waarden over is in de rest van het gebied. Volgens Het Groene Hart is in het rapport van Verkuylen zorgvuldig onderbouwd dat door de werken en werkzaamheden een onevenredige aantasting van de in de doeleindenomschrijving genoemde waarden heeft plaatsgevonden. In het rapport van Van Doormaal wordt geredeneerd vanuit het agrarisch belang, terwijl moet worden uitgegaan van het behoud, herstel en de ontwikkeling van de in de doeleindenomschrijving genoemde waarden. 14.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college het rapport van Van Doormaal van 20 maart 2024 aan het besluit van 26 augustus 2025 ten grondslag mogen leggen. In het rapport van Van Doormaal is geconcludeerd dat er door de vergunde werken en werkzaamheden geen sprake is van een onevenredige aantasting van de in de doeleindenomschrijving genoemde waarden. Ook is voldoende onderbouwd waarom daarvan geen sprake is. Daartoe bevat het rapport een gedetailleerde omschrijving van de in de gebieden aanwezige waarden, waarbij Van Doormaal ook de eerdere rapporten, waaronder het rapport van Verkuylen, heeft betrokken. Per waarde is beoordeeld of de aantasting evenredig is of niet en ook daarbij zijn de eerdere rapporten betrokken. Het college heeft zich, onder verwijzing naar het rapport van Van Doormaal, op het standpunt mogen stellen dat de conclusie van het r Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen; II. verklaart de beroepen van Vereniging Het Groene Hart Brabant en Stichting Brabantse Milieufederatie tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Meierijstad van 11 april 2023 over de percelen met nummers 226, 624, 625 en 626 nabij de Slophoosweg ongegrond; III. verklaart het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Meierijstad van 11 april 2023 over de percelen met nummers 345, 346 en 495 nabij het Morgenstraatje gegrond; IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Meierijstad van 11 april 2023 over de percelen met nummers 345, 346 en 495 nabij het Morgenstraatje; V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dit besluit geheel in stand blijven; VI. verklaart de beroepen van Vereniging Het Groene Hart Brabant en de Stichting Brabantse Milieufederatie tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Meierijstad van 26 augustus 2025 ongegrond; VII. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Meierijstad van 26 augustus 2025 gegrond; VIII. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Meierijstad van 26 augustus 2025, voor zover daarbij omgevingsvergunningen zijn verleend voor handelen in strijd met het bestemmingsplan; IX. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Meierijstad tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van: a. € 1.868,00 aan [appellant sub 1], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; b. € 1.401,00 aan [appellant sub 2], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; X. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Meierijstad een griffierecht van € 548,00 wordt geheven. Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, voorzitter, en mr. J. Gundelach en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier. w.g. Ten Veen voorzitter w.g. Graaff-Haasnoot griffier Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026 531-1150 BIJLAGE Algemene wet bestuursrecht Artikel 3:4 1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. 2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2.1 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: […] b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald, […]. Artikel 2.11 1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, waaromtrent regels zijn gesteld in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien het werk of de werkzaamheid daarmee in strijd is of in strijd is met de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening. […]. Bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 4" Artikel 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" aangewezen gronden zijn bestemd voor: […] ae. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de natuurwaarden in het algemeen en in het bijzonder voor: 1. leefgebied dassen ter plaatse van de