Rechtspraak Raad van State 2026-03-25
ECLI:NL:RVS:2026:1729
202302931/1/A2. Datum uitspraak: 25 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], gevestigd in [woonplaats], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 maart 2023 in zaak nr. 21/4196 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Procesverloop Bij besluit van 27 oktober 2020 heeft het college aan [appellante] een last onder dwangsom ter hoogte van € 10.000,00 opgelegd, wegens omzetting van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte zonder vergunning. Bij besluit van 7 januari 2021 heeft het college een dwangsom ter hoogte van € 5.000,00 ingevorderd. Bij besluit van 21 mei 2021 heeft het college de door [appellante] tegen de besluiten van 27 oktober 2020 en 7 januari 2021 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 maart 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellante] en het college hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 december 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. R.J.G. Bäcker en mr. F.H.N. Bles, advocaten in Amsterdam, vergezeld door [persoon], en het college, vertegenwoordigd door mr. P. Yildirim, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. 2. Het college heeft op basis van een inspectie op 18 februari 2020 geconcludeerd dat de woning aan de [locatie] in Den Haag (de woning) als onzelfstandige woonruimte wordt bewoond door meer dan drie personen, zonder dat daarvoor een vergunning is verleend. Dat is in strijd met het artikel 5:2, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 (de Hv), in samenhang gelezen met artikel 21, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet 2014 (de Hw) en artikel 5:1, eerste lid, van de Hv (het omzettingsverbod). Het college heeft bij besluit van 9 april 2020 [appellante], eigenaar van de woning, gelast om die overtreding voor 2 juni 2020 te beëindigen en beëindigd te houden. Het college heeft daarbij bepaald dat als [appellante] daaraan niet voldoet, zij een dwangsom ter hoogte van € 5.000,00 moet betalen. 3. Op 13 oktober 2020 hebben twee inspecteurs van de gemeente Den Haag (inspecteurs) de woning bezocht. De bevindingen zijn neergelegd in een op ambtsbelofte opgemaakt rapport (het inspectierapport). Daarin staat dat de woning ten tijde van de inspectie in gebruik is als onzelfstandige woonruimte. Volgens het inspectierapport hebben de inspecteurs tijdens het huisbezoek onder andere [naam A] in de woning aangetroffen, die een verklaring heeft afgelegd. Daarover staat het volgende in het inspectierapport opgenomen: "Betrokkene verklaarde mij, kort en zakelijk weergegeven en in woorden van gelijke strekking, als volgt: ‘ik woon hier met mijn vrouw. Op dit moment is mijn schoonvader op visite, hij blijft nog een paar weken. Hij slaapt in het achterkamertje rechts van de keuken. Links van de keuken ligt een vriendin van ons in bed; zij zegt dat haar ID bewijs in de auto ligt, maar ze gaat morgen terug naar Bulgarije. Zij is hier ook tijdelijk. Wij slapen in de woonkamer op het 2-persoonsbed en in het voorkamertje ligt een vriend van mij, hij kan geen huis vinden. Wij betalen €1275,- huur per maand incl. Mijn gasten betalen hier niet aan mee. Ik weet dat er hier maar 3 personen mogen wonen, maar ja, moet ik mijn vrienden die geen huis hebben en hier tijdelijk zijn onderdak weigeren?’ Noot rapporteur: het gesprek verliep rustig. Wij hebben elkaar goed begrepen." Verder staat in het inspectierapport dat er vier kamers in de woning zijn. In de kamer die zowel als woon- als slaapkamer in gebruik is, slapen [naam A] en [naam B]. Uit de huurovereenkomst die tijdens de controle is getoond volgt dat de woning aan hen ve Zoals de Afdeling bijvoorbeeld heeft overwogen in de uitspraak van 30 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3650, onder 4.1, is wonen in de zin van de Hw het gebruik van een woning met als doel aldaar gedurende langere tijd de meeste tijd hoofdverblijf te houden met als verdere kenmerken inschrijving in de brp, binding met en zorg voor de woonomgeving en gebruik door dezelfde personen volgens een vast patroon. 5.3. Het college heeft aan zijn besluiten het inspectierapport ten grondslag gelegd. Daarbij geldt het volgende. Een bestuursorgaan mag, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid om een besluit zorgvuldig voor te bereiden, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze bevindingen eigen waarnemingen van de opsteller van het proces-verbaal weergeven. Als die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. 5.4. Het inspectierapport is op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend door één van de inspecteurs die tijdens de inspectie aanwezig was. Het college mag daarom in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen die daarin zijn neergelegd, voor zover deze bevindingen eigen waarnemingen weergeven van de inspecteur. Dat geldt dus voor de verklaring van [naam A] en wat de inspecteur in de verschillende ruimten van de woning heeft gezien, zoals is opgenomen in het inspectierapport. Op basis van die beschreven bevindingen kan evenwel niet geconcludeerd worden dat naast [naam A] en [naam B], ook [naam C], [naam D] en [naam E] in de woning woonden ten tijde van de inspectie op 13 oktober 2020. De omstandigheid dat er een tweepersoonsbed in de huiskamer stond en dat in de overige drie ruimten ook slaapplaatsen aanwezig en in gebruik waren, kan op zichzelf een aanwijzing zijn. Wat verder in het inspectierapport staat over wat de inspecteur in de woning heeft gezien, is echter niet specifiek genoeg om (mede) op basis daarvan te concluderen dat [naam C], [naam D] en [naam E] in de woning verbleven, met als doel daar gedurende langere tijd de meeste tijd hoofdverblijf te houden. In het inspectierapport is weliswaar vermeld dat in de ruimten persoonlijke spullen aanwezig zijn, maar niet is beschreven wat die persoonlijke spullen zijn en waarom de aanwezigheid van die spullen op zulk hoofdverblijf zou wijzen. Dat volgt ook niet uit de foto’s die in het inspectierapport zijn opgenomen. Verder kan bij de beoordeling of bovengenoemde drie personen in de woning woonden geen doorslaggevende betekenis worden gehecht aan de verklaring van [naam A]. Gelet op het onderdeel van die verklaring: ‘Ik weet dat er hier maar 3 personen mogen wonen, maar ja, moet ik mijn vrienden die geen huis hebben en hier tijdelijk zijn onderdak weigeren?’ lijkt [naam A] bekend te hebben dat hij het omzettingsverbod heeft overtreden. Tegelijkertijd heeft hij ook consistent verklaard dat [naam C], [naam D] en [naam E] slechts tijdelijk, als gasten, in de woning verblijven. Hij heeft daarbij onder meer naar voren gebracht dat deze drie personen ook niet meebetalen aan de huur. In zoverre wijst de verklaring van [naam A] er juist op dat bovengenoemde drie personen niet in de woning verbleven met als doel daar gedurende langere tijd de meeste tijd hoofdverblijf te houden. 5.5. Niet gebleken is van andere omstandigheden op basis waarvan beoordeeld kan worden of [naam C], [naam D] en [naam E] in de woning woonden in de zin van de Hw. Uit het inspectierapport blijkt bijvoorbeeld niet dat [naam A] desgevraagd te kennen heeft gegeven hoe lang bovengenoemde drie personen ieder precies in de woning hebben verbleven, wat het doel en de omstandigheden van hun verblijf precies waren en in hoeverre zij - al dan niet in Nederland - elders een verblijfplaat Dat betekent dat [appellante] recht heeft op een schadevergoeding van € 1.500,00. Deze overschrijding moet voor 3/14e deel aan de rechtbank en voor 11/14e deel aan de Afdeling worden toegerekend. Slotsom 7. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en het besluit van 21 mei 2021 vernietigen. Zij zal verder de besluiten van 27 oktober 2020 en 7 januari 2021 herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. 8. Het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen. 9. Het college moet de proceskosten voor de bezwaren, het beroep en het hoger beroep vergoeden. De Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) moet de proceskosten voor het verzoek om schadevergoeding vergoeden. Voor de bepaling van de hoogte van de te vergoeden kosten voor rechtsbijstand worden de zaak over de last onder dwangsom en de zaak over de invordering als één zaak beschouwd, omdat dit samenhangende zaken zijn, zoals bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 maart 2023 in zaak nr. 21/4196; III. verklaart het beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 21 mei 2021, kenmerk B.2.21.0677.001; V. herroept de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 27 oktober 2020, kenmerk 202002141/7760294, en 7 januari 2021, kenmerk 202002141/7808900; VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; VII. wijst het verzoek om schadevergoeding toe; VIII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellante] een schadevergoeding van € 1.500,00 te betalen (€ 321,43 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en € 1.178,57 te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties); IX. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van de bezwaren, het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 5.068,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand; X. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00 (€ 233,50 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en € 233,50 te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; XI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 908,00 vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.K. van de Riet, griffier. w.g. Wissels voorzitter w.g. Van de Riet griffier Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026 994 BIJLAGE Algemene wet bestuursrecht Artikel 3:2 Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Huisvestingswet 2014 Artikel 21 Het is verboden om een woonruimte, behorend tot een met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad door de gemeenteraad in