Rechtspraak
Raad van State
2026-03-25
ECLI:NL:RVS:2026:1722
Bestuursrecht
Hoger beroep
2,013 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RVS:2026:1722 text/xml public 2026-03-25T10:33:11 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-03-25 202501829/1/A2 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1722 text/html public 2026-03-25T10:17:51 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:1722 Raad van State , 25-03-2026 / 202501829/1/A2 Bij besluit van 8 januari 2022 heeft de Dienst Toeslagen de definitieve berekening van de zorg- en huurtoeslag over 2019 vastgesteld op € 976,00 aan zorgtoeslag voor [appellant B] en € 3.168,00 aan huurtoeslag voor [appellant A] en [appellant B], en daarbij € 209,00 aan te veel ontvangen zorgtoeslag en € 356,00 aan te veel ontvangen huurtoeslag teruggevorderd. De zaak gaat over de definitieve berekening van de zorg- en huurtoeslag van [appellant A] en [appellant B] over 2019 en de terugvordering van in totaal € 565,00 aan te veel ontvangen toeslagen. [appellant A] en [appellant B] ontvangen een Wajong-uitkering, aangevuld met toeslagen en een bijstandsaanvulling tot het niveau van een echtpaar. Naar aanleiding van wijzigingen in de aangifte inkomstenbelasting heeft de Dienst Toeslagen meerdere malen, uiteindelijk vier keer, besluiten genomen over de hoogte van de zorg- en huurtoeslag over 2019. Dit heeft uiteindelijk geleid tot de terugvorderingen waar deze zaak over gaat. De Dienst Toeslagen heeft de toeslagen herzien naar aanleiding van het definitief hoger vastgestelde gezamenlijke toetsingsinkomen van [appellant A] en [appellant B]. 202501829/1/A2. Datum uitspraak: 25 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A] en [appellant B], wonend in Tilburg, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 maart 2025 in zaak nr. 22/1976 en 22/1977 in het geding tussen: [appellant A] en [appellant B] en de Dienst Toeslagen. Procesverloop Bij besluit van 8 januari 2022 heeft de Dienst Toeslagen de definitieve berekening van de zorg- en huurtoeslag over 2019 vastgesteld op € 976,00 aan zorgtoeslag voor [appellant B] en € 3.168,00 aan huurtoeslag voor [appellant A] en [appellant B], en daarbij € 209,00 aan te veel ontvangen zorgtoeslag en € 356,00 aan te veel ontvangen huurtoeslag teruggevorderd. Bij besluiten van 18 juli 2022 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 maart 2025 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld. De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant A] en [appellant B] hebben een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 februari 2026, waar de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. D.W.L.M. van Veldhuizen en drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen. Overwegingen 1. Het wettelijk kader is nader opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Inleiding 2. De zaak gaat over de definitieve berekening van de zorg- en huurtoeslag van [appellant A] en [appellant B] over 2019 en de terugvordering van in totaal € 565,00 aan te veel ontvangen toeslagen. 3. [appellant A] en [appellant B] ontvangen een Wajong-uitkering, aangevuld met toeslagen en een bijstandsaanvulling tot het niveau van een echtpaar. Naar aanleiding van wijzigingen in de aangifte inkomstenbelasting heeft de Dienst Toeslagen meerdere malen, uiteindelijk vier keer, besluiten genomen over de hoogte van de zorg- en huurtoeslag over 2019. Dit heeft uiteindelijk geleid tot de terugvorderingen waar deze zaak over gaat. De Dienst Toeslagen heeft de toeslagen herzien naar aanleiding van het definitief hoger vastgestelde gezamenlijke toetsingsinkomen van [appellant A] en [appellant B]. Rechtbankuitspraak 4. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen de bedragen juist heeft vastgesteld. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de Dienst Toeslagen verplicht is de toeslagen opnieuw te berekenen als de inkomensgegevens wijzigen (artikel 20 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen). Hoewel de rechtbank heeft vastgesteld dat de bestreden besluiten onvoldoende gemotiveerd zijn, heeft zij dit gebrek gepasseerd omdat [appellant A] en [appellant B] hierdoor niet in hun belangen zijn geschaad (artikel 6:22 Algemene wet bestuursrecht). De terugvordering van € 209,00 aan zorgtoeslag en € 356,00 aan huurtoeslag is volgens de rechtbank rechtmatig en er bestaan geen bijzondere omstandigheden die aanleiding gaven tot matiging. 5. [appellant A] en [appellant B] hebben in hoger beroep een aantal gronden naar voren gebracht tegen deze uitspraak van de rechtbank die de Afdeling hierna zal bespreken. Schending hoor en wederhoor 6. [appellant A] en [appellant B] betogen allereerst dat sprake is geweest van een schending van hoor en wederhoor. Zij hebben namelijk geen uitnodiging voor de zitting ontvangen waardoor zij zich niet konden verdedigen tijdens de zitting van 28 januari 2025. 6.1. Vast staat dat de rechtbank de uitnodiging voor de zitting heeft verzonden naar het adres dat door [appellant A] en [appellant B] in het beroepschrift is genoemd, namelijk de [locatie] in Venlo. Het rechtbankdossier bevat geen bericht van [appellant A] en [appellant B] dat zij tussen het indienen van het beroepschrift en het verzenden van de uitnodiging voor de zitting zijn verhuisd. [appellant A] en [appellant B] hebben geen omstandigheden aangevoerd die twijfel doen rijzen over juiste verzending of bezorging. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding om eraan te twijfelen dat zij de uitnodiging voor de zitting hebben ontvangen. Dat zij niet op de zitting zijn verschenen, komt dan ook voor hun rekening en risico. Van een schending van het beginsel van hoor en wederhoor is daarom geen sprake. Vooringenomenheid en inhoudelijke behandeling beroepsgronden 7. [appellant A] en [appellant B] voeren verder een hoger beroepsgrond aan, bestaande uit twee samenhangende aspecten. Ten eerste betogen zij dat de rechtbank vooringenomen heeft gehandeld, doordat zij hen zou hebben aangerekend dat zij zonder bericht van verhindering niet op de zitting van 28 januari 2025 zijn verschenen, terwijl zij die uitnodiging niet hebben ontvangen. Deze mededeling van de rechter in de uitspraak doet volgens [appellant A] en [appellant B] geen recht aan de feitelijke gang van zaken. Ten tweede betogen zij dat de rechtbank als gevolg daarvan hun beroepsgronden niet inhoudelijk heeft beoordeeld. De door hen overgelegde berekeningen en de gestelde onzorgvuldigheden van de Dienst Toeslagen zijn onbesproken gebleven. Daarmee is de uitspraak volgens hen niet gebaseerd op een volledige en juiste beoordeling van de aangevoerde gronden en feiten. 7.1. Uit de uitspraak blijkt dat de rechtbank alle aangevoerde gronden gemotiveerd heeft beoordeeld. Het enkele feit dat de rechtbank het inhoudelijk niet eens was met [appellant A] en [appellant B] en hun beroepsgronden niet heeft gevolgd, betekent niet dat sprake is van vooringenomenheid. 7.2. Dat de rechtbank in de uitspraak heeft vermeld dat [appellant A] en [appellant B] zonder bericht van verhindering niet op de zitting zijn verschenen, is een feitelijke constatering en biedt ook geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de rechtbank vooringenomen was. Wet tijdelijke regeling alleenverdienersproblematiek 8. [appellant A] en [appellant B] betogen dat het feit dat er een Wet tijdelijke regeling alleenverdienersproblematiek is, waarnaar de rechtbank heeft verwezen, niet betekent dat de Dienst Toeslagen niet zorgvuldig tot zijn besluiten hoeft te komen. 8.1. Deze grond berust op een onjuiste lezing van de uitspraak van de rechtbank. Uit de overwegingen van de rechtbank volgt dat zij met deze verwijzing uitsluitend heeft willen aangeven dat er sinds 1 juni 2025 een afzonderlijk wettelijk vangnet bestaat bij gemeenten om eventuele gevolgen voor het bestaansminimum op te vangen.