Rechtspraak Raad van State 2026-03-25
ECLI:NL:RVS:2026:1690
202205411/1/A3. Datum uitspraak: 25 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. de burgemeester van Gorinchem, 2. [appellant sub 2], wonend in Gorinchem, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 september 2022 in zaak nr. 22/281 in het geding tussen: [appellant sub 2] en de burgemeester. Procesverloop Bij besluit van 5 oktober 2021, op schrift gesteld op 8 oktober 2021, heeft de burgemeester de woning van [appellant sub 2] met toepassing van spoedeisende bestuursdwang voor twee weken gesloten. Bij besluit van 19 oktober 2021 heeft de burgemeester de woning van [appellant sub 2] voor een periode van drie maanden gesloten, met aftrek van de spoedsluiting van twee weken. Bij besluit van 7 januari 2022 heeft de burgemeester het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 9 september 2022 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 7 januari 2022 vernietigd en de burgemeester opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tegen deze uitspraak heeft de burgemeester hoger beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. De burgemeester en [appellant sub 2] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant sub 2] heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 12 januari 2026, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. F.A. Pommer, advocaat in Nijmegen, en mr. A. Aziz, en [appellant sub 2], bijgestaan door mr. J.R. van Manen, advocaat in Gorinchem, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellant sub 2] woonde samen met zijn inmiddels overleden vrouw en zijn zoon, [zoon], in de woning aan de [locatie] in Gorinchem. Op 5 oktober 2021 is de woning van [appellant sub 2] doorzocht op grond van de Wet wapens en munitie. Van de doorzoeking is op 11 oktober 2021 een bestuurlijke rapportage opgemaakt. In de slaapkamer van [appellant sub 2] zijn 0,9 gram cocaïne, verpakt in twee zogenoemde ‘ponypacks’, en tien lege wikkels, waarvan ambtshalve bekend is dat deze gebruikt worden voor het verpakken van verdovende middelen, aangetroffen. Op de zolderkamer, waar de zoon van [appellant sub 2] sliep, is 4,1 gram MDMA aangetroffen, verpakt in twee zakjes met elk vijf pillen. Ook zijn een alarmpistool met knalpatronen en € 4.400,00 aan contanten op de zolderkamer aangetroffen. 1.1. De burgemeester is bij het besluit van 5 oktober 2021 overgegaan tot spoedsluiting van de woning voor twee weken op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet en met toepassing van de Beleidsregels met betrekking tot de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet inzake woningen en lokalen. Bij het besluit van 19 oktober 2021 heeft de burgemeester de woning voor drie maanden gesloten, met aftrek van de spoedsluiting van twee weken. De burgemeester heeft de sluiting gehandhaafd bij het besluit van 7 januari 2022. 2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester de bestuurlijke rapportage ten grondslag heeft mogen leggen aan het besluit tot sluiting en dat de burgemeester bevoegd was de woning te sluiten. Er is in totaal vijf gram harddrugs aangetroffen in de woning en van een substantieel deel van de aangetroffen drugs is niet aannemelijk gemaakt dat deze uitsluitend bestemd waren voor eigen gebruik. De zoon van [appellant sub 2] heeft verklaard de MDMA-pillen zelf te gebruiken op festivals maar ook aan vrienden weg te geven. Daarmee verstrekte hij drugs aan anderen. Volgens de rechtbank was de in de woning aangetroffen hoeveelheid harddrugs echter niet zodanig dat alleen al daarom sluiting gerechtvaardigd is. De aangetroffen hoeveelheid cocaïne is beperkt en de verklaring dat de cocaïne voor eigen gebruik was is niet onaannemelijk, nu het feitelijk minder is dan tweemaal de hoeveelheid voor eigen gebruik. De MDMA-pillen overschrijden wel de gebruikershoeveelheid voor één persoon, maar Het feit dat de antecedenten gedateerd en onduidelijk zijn doet er volgens de burgemeester niet aan af dat hij deze mag betrekken bij de beoordeling van het recidiverisico. Beoordeling 4. In haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, heeft de Afdeling de uitgangspunten weergegeven bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De Afdeling zal deze uitgangspunten hanteren bij de beoordeling van het voorliggende hoger beroep. 4.1. In hoger beroep is niet in geschil dat de burgemeester bevoegd was handhavend op te treden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Het hoger beroep draait om de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de burgemeester redelijkerwijs niet van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. 4.2. Als de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd is om in een concreet geval op te treden met een last onder bestuursdwang en hij overweegt om een woning te sluiten, zal hij moeten beoordelen of dat in de omstandigheden van het geval gerechtvaardigd is, en zo ja, voor hoe lang. Wanneer hij daarvoor beleid heeft geformuleerd, zal hij dat beleid in de regel moeten toepassen en ook moeten bezien of er grond bestaat om daarvan af te wijken. Steeds zal hij daarbij moeten beoordelen of zijn optreden in een concreet geval evenredig is. De burgemeester moet zich ervan vergewissen dat de sluiting van een woning en de duur ervan met het oog op de hiervoor genoemde doelen geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is. De last onder bestuursdwang is een herstelmaatregel, in dit geval met als doel het beëindigen van de geconstateerde overtreding van de Opiumwet, het tenietdoen van de gevolgen daarvan en/of het voorkomen van verdere overtredingen van de Opiumwet, steeds in of vanuit de woning. Deze maatregel kan de vorm krijgen van een sluiting van de woning voor een bepaalde duur. De burgemeester kan - naar gelang de omstandigheden van het geval - kiezen voor een minder ingrijpend middel, zoals een last onder dwangsom of het geven van een waarschuwing. 4.3. De Afdeling is, in het licht van wat zij in de hiervoor genoemde uitspraak van 16 juli 2025 onder 10 tot en met 10.2 heeft geoordeeld, van oordeel dat de burgemeester niet aannemelijk heeft gemaakt dat sluiting van de woning noodzakelijk was en niet met een minder ingrijpend middel kon worden volstaan. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de onder 9.2 tot en met 9.7 opgenomen overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd. Anders dan de burgemeester betoogt heeft de rechtbank de afzonderlijke omstandigheden ook in samenhang bezien. Zij heeft daarbij in het kader van de noodzakelijkheid van de sluiting terecht gewicht toegekend aan de beperkte hoeveelheid aangetroffen drugs en het ontbreken van indicaties voor handel in drugs vanuit de woning anders dan de TCI-melding, waarvan onduidelijk is waarop deze is gebaseerd. Dit is niet in strijd met het feit dat de aangetroffen hoeveelheid drugs is aan te merken als een handelshoeveelheid en daarmee een bevoegdheid tot sluiting oplevert. Het ontbreken van andere indicaties voor handel kan leiden tot het oordeel dat sluiten niet noodzakelijk is. De Afdeling ziet in hetgeen de burgemeester verder heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor de conclusie dat hij in dit geval niet met een minder ingrijpend middel heeft kunnen volstaan. Sluiting van de woning was niet noodzakelijk en daarom niet evenredig. Incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] 5. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in beroep de gronden enkel zijn gericht tegen de sluiting voor de duur van drie maanden en niet tegen de spoedsluiting. [appellant sub 2] heeft beroep ingediend tegen het besluit op bezwaar van 7 januari 2022. In dat besluit heeft de burgemeester besloten zowel het primaire besluit van 8 oktober 2021 (spoedsluiting) als dat van 19 oktober 2021 (sluiting voor drie maanden) niet te herroepen. Volgens [appe