Rechtspraak
Raad van State
2026-03-25
ECLI:NL:RVS:2026:1686
Bestuursrecht
Hoger beroep
2,012 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RVS:2026:1686 text/xml public 2026-03-25T10:33:34 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-03-25 202502459/1/A2 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1686 text/html public 2026-03-25T10:16:30 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:1686 Raad van State , 25-03-2026 / 202502459/1/A2 Bij besluit van 5 april 2024 heeft het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen aan [appellant] een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) opgelegd. De politie, eenheid Noord-Holland, heeft het CBR op grond van artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (de Wvw 1994) medegedeeld dat het vermoeden bestaat dat [appellant] niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor zijn rijbewijs is afgegeven. Volgens het bij die mededeling gevoegde proces-verbaal van bevindingen van 17 maart 2024 heeft [appellant] op diezelfde datum om 8:15 uur op de A7 met zijn auto met een gecorrigeerde snelheid van 165 km/u gereden, waar 100 km/u is toegestaan. [appellant] betoogt dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd, door niet op grond van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) te beoordelen of toepassing van de Regeling in dit geval tot onevenredige gevolgen leidt. 202502459/1/A2. Datum uitspraak: 25 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 4 april 2025 in zaak nr. 24/5335 in het geding tussen: [appellant] en het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (het CBR). Procesverloop Bij besluit van 5 april 2024 heeft het CBR aan [appellant] een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) opgelegd. Bij besluit van 28 juni 2024 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 4 april 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant] heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 februari 2026, waar [appellant] en het CBR, vertegenwoordigd door mr. I.S.B. Metaal, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. De politie, eenheid Noord-Holland, heeft het CBR op grond van artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (de Wvw 1994) medegedeeld dat het vermoeden bestaat dat [appellant] niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor zijn rijbewijs is afgegeven. Volgens het bij die mededeling gevoegde proces-verbaal van bevindingen van 17 maart 2024 heeft [appellant] op diezelfde datum om 8:15 uur op de A7 met zijn auto met een gecorrigeerde snelheid van 165 km/u gereden, waar 100 km/u is toegestaan. 2. Het CBR heeft naar aanleiding hiervan bij het besluit van 5 april 2024 op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling) een EMG opgelegd en dit besluit in bezwaar gehandhaafd. In het besluit van 28 juni 2024 heeft het CBR zich op het standpunt gesteld dat het in de door [appellant] naar voren gebrachte omstandigheden geen aanleiding ziet om van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling af te wijken. Dat [appellant] door het volgen van de cursus een paar dagen niet kan werken is geen uitzonderlijke omstandigheid. Ook de kosten en de duur van de EMG zijn volgens het CBR niet onredelijk. Hoger beroep 3. [appellant] betoogt dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd, door niet op grond van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) te beoordelen of toepassing van de Regeling in dit geval tot onevenredige gevolgen leidt. Deze beoordeling had tot het oordeel moeten leiden dat de EMG hem onevenredig treft. Zijn rijgedrag is bovengemiddeld zorgvuldig, terwijl de snelheidsovertreding waarvoor de EMG is opgelegd een eenmalige context gebonden fout betreft, zonder structurele aanwijzingen van ongeschiktheid. De opgelegde maatregel heeft voor hem ook tot buitenproportionele gevolgen geleid. Hij is door de oplegging van de EMG ernstig belemmerd in zijn werk als ondernemer, hij lijdt door de maatregel reputatieschade, hij zat als gevolg van de maatregel tijdelijk zonder vervoer terwijl hij verantwoordelijk is voor twee jonge kinderen en de EMG heeft bij hem tot een emotionele belasting en slapeloze nachten geleid. Bovendien gaat van de al opgelegde sancties, bestaande uit een strafbeschikking, de invordering van zijn rijbewijs voor negen dagen, de advocaatkosten en het risico op premieverhoging of weigering door verzekeringsmaatschappijen als gevolg van de registratie van de EMG, al een voldoende corrigerende werking uit. Daarbij komt dat in combinatie met de strafbeschikking sprake is van een cumulatie van sancties zonder extra gedraging. Deze dubbele bestraffing is onevenredig en in strijd met het ne bis in idem-beginsel, aldus [appellant]. [appellant] voert daarnaast aan dat de overtreding plaatsvond ruim een uur na de overgang van de snelheidslimiet van 130 km/u naar 100 km/u. De verlaging van de snelheidslimiet overdag houdt verband met milieubeleid en niet met de verkeersveiligheid. Als de snelheidsovertreding ruim een uur eerder was begaan, was er geen EMG aan hem opgelegd. Dit is in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, aldus [appellant]. [appellant] voert verder aan dat het CBR bij de toepassing van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling ten onrechte geen rekening houdt met de verkeersomstandigheden waaronder de overtreding is begaan. De snelheidsovertreding vond plaats op een zondagochtend met uitstekende weersomstandigheden op een kaarsrechte weg zonder overig verkeer. Hij is dan ook niemand gepasseerd. Verder waren er geen visuele beperkingen en heeft hij geen verkeersgevaarlijk rijgedrag, zoals bumperkleven of rechts inhalen, vertoond. Dit maakt dat het CBR artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling in dit geval buiten toepassing had moeten laten wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, aldus [appellant]. 3.1. Niet in geschil is dat [appellant] de toegestane maximumsnelheid met 60 km/u of meer heeft overschreden. In geschil is of het CBR, gelet op de door [appellant] aangevoerde omstandigheden, een EMG heeft mogen opleggen. 3.2. Voor het opleggen van een EMG behoeft slechts een vermoeden van het ontbreken van de vereiste rijvaardigheid te worden vastgesteld. Dit vermoeden wordt op grond van artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, van de Regeling, gebaseerd op feiten en omstandigheden die zijn genoemd in bijlage 1 bij de Regeling. Om een vermoeden van het ontbreken van de vereiste rijvaardigheid aan te nemen is niet van belang dat de verkeersveiligheid door de gedragingen daadwerkelijk in gevaar is gebracht. Vaststaat dat [appellant] gedragingen heeft verricht als bedoeld in bijlage 1 bij de Regeling, onder A, onderdeel III, vierde lid, onder h. Hierop kon het vermoeden van het ontbreken van de vereiste rijvaardigheid worden gebaseerd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat daarbij voor het CBR geen ruimte bestond voor een belangenafweging. Op grond van artikel 131, eerste lid, onder a, van de Wvw 1994, gelezen in samenhang met artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling, is het CBR gehouden om een EMG op te leggen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen en het CBR terecht heeft gesteld, gaat het om dwingendrechtelijk voorgeschreven wet- en regelgeving zonder ruimte voor een belangenafweging. Daarom kan, anders dan [appellant] betoogt, geen belangenafweging op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb plaatsvinden. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank de juiste maatstaf gehanteerd.