Rechtspraak
Raad van State
2026-03-18
ECLI:NL:RVS:2026:1637
Bestuursrecht
Hoger beroep
1,081 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RVS:2026:1637 text/xml public 2026-03-25T10:32:31 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-03-18 202401122/1/A3 Uitspraak Hoger beroep Mondelinge uitspraak NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1637 text/html public 2026-03-23T09:37:32 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:1637 Raad van State , 18-03-2026 / 202401122/1/A3 [appellante] heeft het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen op 13 september 2021 op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) om openbaarmaking van informatie over het besluit aanpassing vergoeding bijzondere bijstand inrichtingskosten najaar 2018 verzocht. Met het besluit van 21 oktober 2021 heeft het college twee — al openbare documenten — aan [appellante] verstrekt, namelijk het collegevoorstel van 25 september 2018 en de raadsbrief van 25 september 2018 en meegedeeld dat er geen andere documenten zijn aangetroffen. Met het besluit van 10 januari 2022 is het college bij dit besluit gebleven. 202401122/1/A3. Datum uitspraak: 18 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: [appellante], wonend in Nijmegen, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 januari 2024 in zaak nr. 22/1061 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen. Openbare zitting gehouden op 18 maart 2026 om 11:30 uur. Tegenwoordig: Staatsraad: mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer griffier: mr. T. Hartsuiker jurist: mr. B. Dijkhoff Verschenen: Het college, digitaal vertegenwoordigd door mr. A.J. Vaessen Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 januari 2024. In die uitspraak heeft de rechtbank het beroep van [appellante] tegen het besluit van 10 januari 2022 ongegrond verklaard. Beslissing: De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Gronden: 1. [appellante] heeft het college op 13 september 2021 op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) om openbaarmaking van informatie over het besluit aanpassing vergoeding bijzondere bijstand inrichtingskosten najaar 2018 verzocht. Met het besluit van 21 oktober 2021 heeft het college twee — al openbare documenten — aan [appellante] verstrekt, namelijk het collegevoorstel van 25 september 2018 en de raadsbrief van 25 september 2018 en meegedeeld dat er geen andere documenten zijn aangetroffen. Met het besluit van 10 januari 2022 is het college bij dit besluit gebleven. 2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de documenten die bestaan en vallen onder de reikwijdte van het Wob-verzoek heeft verstrekt. [appellante] heeft volgens de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat er meer (of andere) documenten over het besluit aanpassing vergoeding bijzondere bijstand inrichtingskosten najaar 2018 onder het college berusten. Zij heeft namelijk geen concrete aanknopingspunten, feiten of omstandigheden aangeleverd die wijzen op het bestaan van meer documenten die betrekking hebben op het besluit aanpassing vergoeding bijzondere bijstand inrichtingskosten najaar 2018. 3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de documenten die bestaan en vallen onder de reikwijdte van het Wob-verzoek aan haar heeft verstrekt. Het Wob-verzoek is namelijk gericht op het besluit aanpassing vergoeding bijzondere bijstand inrichtingskosten najaar 2018, niet op het collegevoorstel van 25 september 2018 en de raadsbrief van 25 september 2018. Het college had het besluit moeten verstrekken, aldus [appellante]. 4. De grond die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd is zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die grond ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die grond in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 4.1. tot en met 4.5. opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. 5. Het hoger beroep is ongegrond. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. w.g. Minderhoud lid van de enkelvoudige kamer w.g. Hartsuiker griffier 620-1101