Rechtspraak
Raad van State
2026-03-20
ECLI:NL:RVS:2026:1625
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
721 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RVS:2026:1625 text/xml public 2026-03-25T10:33:35 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-03-20 BRS.26.001338 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1625 text/html public 2026-03-20T14:49:30 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:1625 Raad van State , 20-03-2026 / BRS.26.001338 Bij besluit van 18 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie verzoeker in bewaring gesteld. BRS.26.001338 ECLI:NL:RVS:2026:1625 Datum uitspraak: 20 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: [betrokkene], verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 10 maart 2026 in zaak nr. NL26.9323 in het geding tussen: [betrokkene] en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 18 februari 2026 heeft de minister verzoeker in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 10 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Omdat de rechter de bewaring ambtshalve moet toetsen, heeft de voorzieningenrechter het hoger beroep in dit geval ook opgevat als een verzoek om een voorlopige voorziening te treffen. 2. De derde grief van verzoeker roept een rechtsvraag op waarnaar de Afdeling nader onderzoek moet doen. In het licht van artikel 5 van het EVRM komt aan het belang van verzoeker bij de opheffing van de maatregel op dit moment meer gewicht toe dan aan het belang van de minister bij het voortduren daarvan. De voorzieningenrechter heft de maatregel daarom met ingang van vandaag op. 3. De minister moet de proceskosten vergoeden. Over de rechtmatigheid van de bewaring en eventuele schadevergoeding zal in de bodemprocedure worden beslist. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de maatregel van bewaring met ingang van vandaag wordt opgeheven; II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier. w.g. Verburg voorzieningenrechter w.g. Weber griffier Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026 846