Rechtspraak
Raad van State
2026-03-20
ECLI:NL:RVS:2026:1597
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
891 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RVS:2026:1597 text/xml public 2026-03-25T10:33:28 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-03-20 BRS.25.001643 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1597 text/html public 2026-03-18T13:55:40 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:1597 Raad van State , 20-03-2026 / BRS.25.001643 Bij besluit van 19 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. BRS.25.001643 ECLI:NL:RVS:2026:1597 Datum uitspraak: 20 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 oktober 2025 in zaak nr. NL25.45860 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 19 september 2025 heeft de minister appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 14 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. V.M. Oliana, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Appellant komt in zijn enige grief terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister hem in grensdetentie mocht plaatsen in afwachting van de reactie van de Italiaanse autoriteiten op een Dublinclaim. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 17 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1445, onder 5.1 tot en met 5.3, namelijk geoordeeld dat dit niet mag, zolang overdracht naar Italië niet mogelijk is en de systemen EU-VIS en Eurodac geen aanknopingspunten bieden dat een andere lidstaat dan Italië verantwoordelijk kan zijn voor de behandeling van de asielaanvraag. Ook in deze zaak boden deze systemen dergelijke aanknopingspunten niet. Daarom is de grensdetentie vanaf het begin onrechtmatig. 1.1. De grief slaagt. 2. Omdat de grensdetentie vanaf het begin onrechtmatig is geweest, bestaat voor ambtshalve toetsing door de Afdeling geen aanleiding. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is alsnog gegrond. Omdat de grensdetentie al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Appellant heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). De Afdeling kent deze vergoeding daarom aan appellant toe. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 oktober 2025 in zaak nr. NL25.45860; III. verklaart het beroep gegrond; IV. kent aan appellant een vergoeding toe van € 800,00 over de periode van 19 september 2025 tot en met 26 september 2025, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State; V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier. w.g. Meijer lid van de enkelvoudige kamer w.g. Kraak griffier Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026 1020