Rechtspraak Raad van State 2026-03-18
ECLI:NL:RVS:2026:1577
202305648/1/A2. Datum uitspraak: 18 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: het bestuur van de stichting Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB), appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 25 juli 2023 in zaak nr. 21/3017 in het geding tussen: de Coöperatie Kraamzorggroep U.A. (de coöperatie) en SBB. Procesverloop Bij besluit van 23 december 2020 heeft SBB de aanvraag van de coöperatie om als leerbedrijf erkend te worden afgewezen. Bij besluit van 7 mei 2021 heeft SBB het door de coöperatie daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 25 juli 2023 heeft de rechtbank het door de coöperatie daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 7 mei 2021 vernietigd en SBB opgedragen om binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tegen deze uitspraak heeft SBB hoger beroep ingesteld. Bij besluit van 3 oktober 2023 heeft SBB, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, het door de coöperatie gemaakte bezwaar tegen het besluit van 23 december 2020 gegrond verklaard, het besluit van 7 mei 2021 herroepen en de coöperatie erkend als leerbedrijf voor de kwalificatie Verzorgende IG. De coöperatie heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend. SBB en de coöperatie hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 september 2025, waar SBB, vertegenwoordigd door mr. L.J. Wildeboer, advocaat in Amsterdam, mr. J.H. Goudriaan en C.M. Hommen-Boere, en de coöperatie, vertegenwoordigd door mr. M. Breur, advocaat in Den Haag, [gemachtigden], zijn verschenen. Overwegingen 1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak. Inleiding 2. De coöperatie is een samenwerkingsverband zonder winstoogmerk, opgericht door zelfstandige kraamzorgondernemers. Zij bestaat uit een bestuur, een raad van toezicht en leden, bestaande uit kleine kraamzorgorganisaties, maatschappen en eenmanszaken. Volgens de statuten van de coöperatie heeft zij onder meer tot doel het optreden als een organisatie voor zelfstandige kraamzorgverleners en partus assistenten alsmede voor hun praktijk, het doen leveren van kraamzorg door middel van het verstrekken van opdrachten aan haar leden en hun zelfstandige praktijken, en het zelf leveren van kraamzorg. 3. De coöperatie heeft bij SBB een aanvraag ingediend om erkend te worden als leerbedrijf, kwalificatie Verzorgende IG. Die erkenning maakt haar bevoegd beroepspraktijkvorming aan te bieden voor studenten die worden opgeleid tot kraamverzorgende. Besluitvorming 4. Bij besluit van 23 december 2020, zoals gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 7 mei 2021, heeft SBB de aanvraag van de coöperatie om erkend te worden als leerbedrijf afgewezen. De coöperatie voldoet niet aan de voorwaarde in artikel 7.2.8, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs (de Web), in samenhang gelezen met artikel 5, aanhef en onder één, van het Reglement erkenning leerbedrijven SBB (het Reglement). De werkzaamheden die behoren tot de werkprocessen van het beroep waarvoor de student wordt opgeleid - het bieden van kraamzorg - vinden niet zoals vereist binnen de eigen arbeidsorganisatie plaats. Zo wordt de zorgovereenkomst afgesloten bij een lidbedrijf van de coöperatie, die ook eindverantwoordelijk is voor de organisatie, de werkzaamheden en de begeleiding van de beroepspraktijkvorming. Daarbij komt dat de student ook de beroepspraktijkvorming uitvoert bij het lidbedrijf en dus niet bij de coöperatie zelf. Doordat de studenten blijkens het stage- en opleidingsplan bij de leden van de coöperatie worden ondergebracht voor hun beroepspraktijkvorming en de feitelijke begeleiding in de praktijk van de kraamzorg aldaar plaatsvindt, vindt de beroepspraktijkvorming niet plaats binnen de arbeidsorganisatie van de coöperatie zelf. Dat de statuten de mogelijkheid vermelden dat de beroepspraktijkvorming bij SBB stelt zich dan ook op het standpunt dat de wijze waarop de coöperatie de beroepspraktijkvorming heeft georganiseerd niet past binnen de kaders van de Web, nu vaststaat dat de beroepspraktijkvorming niet door de coöperatie wordt verzorgd maar door haar leden, die een zelfstandige onderneming vormen en bovendien in veel gevallen ook zelf als leerbedrijf zijn erkend. 7.1. Artikel 7.2.8 van de Web bepaalt onder meer dat het bedrijf dat of de organisatie die de beroepspraktijkvorming verzorgt, zorgdraagt voor de begeleiding van de studenten binnen het bedrijf. Artikel 5 van het Reglement bepaalt dat het bedrijf of de organisatie een goede leerplaats dient te zijn en werkzaamheden moet bieden die behoren tot de werkprocessen van het beroep waarvoor de onderwijsdeelnemer wordt opgeleid. 7.2. In haar uitspraak van 27 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:959, heeft de Afdeling geoordeeld dat uit voornoemde bepalingen volgt dat voor erkenning is vereist dat de beroepspraktijkvorming plaatsvindt binnen de arbeidsorganisatie en onder volledige verantwoordelijkheid van het erkende leerbedrijf. Niet is uitgesloten dat beroepspraktijkvorming op een andere dan de eigen bedrijfslocatie wordt verzorgd. Deze laatste overweging brengt echter niet mee dat praktijkvorming bij beroepen die niet aan een bepaalde locatie zijn gebonden reeds om die reden onder de Web vallen. Ook dan geldt de eis dat beroepspraktijkvorming plaatsvindt binnen de arbeidsorganisatie en onder volledige verantwoordelijkheid van het erkende leerbedrijf. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de regeling van de beroepspraktijkvorming in de Web komt naar voren dat de wetgever de situatie voor ogen heeft gehad dat de beroepspraktijkvorming wordt verzorgd door een bedrijf dat het beroep, waarvoor de student wordt opgeleid, ook zelf uitoefent (Kamerstukken II 1993/94, 23 778, nr. 3, p. 103-105 en 139-140). De beroepspraktijkvorming, dat wil zeggen het in de praktijk opleiden van de student, is daarbij een nevenactiviteit van het bedrijf en niet de hoofdactiviteit. 7.3. De coöperatie heeft in het opleidingsplan uiteengezet hoe uitvoering wordt gegeven aan de beroepspraktijkvorming van de student. Daarin staat dat de coöperatie haar leden - de lidbedrijven - stimuleert en faciliteert bij het opleiden van nieuwe kraamverzorgenden. Daarvoor stelt het bestuur van de coöperatie partijkopleiders aan die, in dienst van de coöperatie, de coördinatie van de stagewerkplekken verzorgen en erop toezien dat de kwaliteit van de beroepspraktijkvorming wordt gewaarborgd. Verder wordt een leer-arbeidsovereenkomst afgesloten tussen de coöperatie en de student. Ook wordt een praktijkovereenkomst afgesloten tussen de student, de Geboortezorg Academie - een opleidingsinstituut tot kraamzorgverlener - en de coöperatie, waarbij ook de praktijkopleider van de student wordt vermeld. 7.4. Op de zitting bij de Afdeling heeft de coöperatie toegelicht dat er twee vormen zijn waarop kraamzorg bij de coöperatie wordt afgenomen. Ten eerste kan de kraamzorgafnemer de dienst rechtstreeks afnemen bij de coöperatie. In dat geval wordt de student door (een bestuurslid van) de coöperatie zelf begeleid. Ten tweede kan de begeleiding van de student door een lidbedrijf van de coöperatie worden uitgevoerd. De kraamzorgafnemer sluit dan een overeenkomst af met zowel de coöperatie als het lidbedrijf. Aanvullend wordt een overeenkomst van opdracht afgesloten tussen de coöperatie en het lidbedrijf. In beide situaties vindt de kraamzorgverlening door de student plaats onder (eind)verantwoordelijkheid van de coöperatie en wordt de kraamzorg op de locatie van de kraamzorgafnemer uitgevoerd. 7.5. Uit het voorgaande volgt dat de coöperatie in beide vormen van kraamzorgverlening ofwel direct de kraamzorgverlener is, ofwel via de overeenkomst van opdracht verantwoordelijk is voor de begeleiding van de student bij de kraamzorgverlening. De Afdeling is van oordeel dat onder deze omstandigheden in dit geval de beroepsp