Rechtspraak Raad van State 2026-03-18
ECLI:NL:RVS:2026:1572
202405069/1/A2. Datum uitspraak: 18 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 10 juli 2024 in zaak nr. 22/3499 in het geding tussen: [appellant] en Instituut Mijnbouwschade Groningen. Procesverloop Bij besluit van 28 juli 2020 heeft het Instituut aan [appellant] een vergoeding van € 42.166,42, inclusief bijkomende kosten en wettelijke rente, toegekend voor schade aan zijn boerderij. Bij besluit van 22 augustus 2022 heeft het Instituut het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, de beslissing van 28 juli 2020 gedeeltelijk herroepen en een aanvullende vergoeding van € 2.592,41, inclusief bijkomende kosten, wettelijke rente en proceskosten, toegekend. Bij uitspraak van 10 juli 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard voor de schades 40, 44, 58, 60-63 en 69, het besluit van 22 augustus 2022 vernietigd en het Instituut opgedragen om opnieuw te beslissen op het bezwaar. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het Instituut heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Bij besluit van 14 augustus 2025 heeft het Instituut het bezwaar van [appellant] opnieuw gedeeltelijk gegrond verklaard, de beslissing van 28 juli 2020 herroepen en aan [appellant] een aanvullende schadevergoeding van € 16.542,36, inclusief wettelijke rente en bijkomende kosten, toegekend. [appellant] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 14 augustus 2025. Het Instituut heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 28 januari 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat in Middelharnis, vergezeld door [persoon], en het Instituut, vertegenwoordigd door mr. P. Zoeten, advocaat in Groningen, en mr. S.C. Goldbohm, vergezeld door ing. J.J. Timmer, deskundige, zijn verschenen. Overwegingen 1. [appellant] is sinds 1995 eigenaar van de monumentale [boerderij] aan de [locatie] te [woonplaats]. 2. Op 28 augustus 2018 heeft [appellant] bij het Instituut een vergoeding voor schade aan de boerderij aangevraagd. 3. Na een in opdracht van het Instituut uitgebracht advies van 14 juli 2020, opgesteld door deskundige P. Soet van schade-expertisebureau CED (CED), heeft het Instituut bij besluit van 28 juli 2020 een schadevergoeding van € 42.166,42, inclusief bijkomende kosten en de wettelijke rente, toegekend. 4. Onder verwijzing naar het advies van de bezwaaradviescommissie van 20 september 2021 heeft het Instituut het bezwaar van [appellant] gegrond verklaard. Het Instituut heeft hem een aanvullende schadevergoeding van € 2.592,41, inclusief bijkomende kosten, wettelijke rente en proceskosten, toegekend. 5. Bij de Afdeling is - mede gelet op de gronden tegen het nieuwe besluit van 14 augustus 2025 - nog in geschil of het Instituut het bewijsvermoeden heeft weerlegd voor schade 40 en 42 en of de voorgestelde herstelwijze voor de schades 9 en 10 volstaat. Verder is in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Instituut geen toepassing heeft hoeven geven aan de hardheidsclausule. Uitspraak van de rechtbank 6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op de hardheidsclausule niet slaagt wat betreft de in 2012 bij de NAM gemelde schades. [appellant] heeft berust in de uitkomst van het NAM-rapport uit 2013 en heeft vervolgens de destijds gemelde schades laten herstellen. 7. Wat schade 40 betreft is de rechtbank van oordeel dat het Instituut er niet in is geslaagd om met voldoende mate van zekerheid een autonome andere oorzaak dan mijnbouw aan te wijzen. Volgens haar is niet inzichtelijk gemaakt hoe de duidelijk op de foto’s zichtbare scheefstand het gevolg is van doorbuiging van de gevelopening. De door het Instituut ingeschakelde deskundigen hebben toegelicht dat de doorbuiging wordt veroorzaakt door gebruiksbelas Deze heeft geconcludeerd dat er redelijkerwijs geen causaal verband is tussen de bij de NAM gemelde schades en aardbeving en/of bodemdaling als gevolg van gaswinning door de NAM. Daarom was de inspectie van het CVW die plaatsvond in het kader van de Proef Buitengebied niet meer aan de orde. Uit de interne notities volgt bovendien dat het dossier daardoor op 27 februari 2018 in overleg met [appellant] is geannuleerd. Daargelaten wat verder de aanleiding voor de in opdracht van de NAM opgestelde coulanceberekening is, [appellant] heeft na annulering van het dossier geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een vordering tot schadevergoeding in te dienen bij de burgerlijke rechter. 16. Dat de NAM bij de beoordeling van de schade in 2013 nog geen toepassing hoefde te geven aan het wettelijke bewijsvermoeden, is ook geen omstandigheid waarin [appellant] in het bijzonder wordt getroffen. Dat gold voor iedereen die vóór 1 januari 2017 een schadeclaim bij de NAM had ingediend. Daarbij komt dat het in dit geval niet gaat om uitzonderlijk grote schades. De door de NAM in 2013 beoordeelde schades betreffen allemaal scheurvorming, die ook in vele andere woningen en boerderijen in het aardbevingsgebied (en daarbuiten) is waar te nemen. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de scheurvorming in zijn geval uitzonderlijk groot was. 17. Het betoog slaagt niet. Schade 42 18. Onder verwijzing naar een tegenadvies van 26 november 2022, opgesteld door [persoon] van Adviesbureau Engelage, en een tegenadvies van 17 maart 2024, opgesteld door deskundige ir. W.A.B. Meiborg, betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voor schade 42 het Instituut met een voldoende mate van zekerheid een roestend gevelanker door corrosie als autonome oorzaak heeft aangewezen. Volgens hem kan niet worden uitgesloten dat de schade mede door bevingen is veroorzaakt. Daarbij wijst hij erop dat Engelage geen roest op de foto’s heeft gezien. Bovendien is er ruimte tussen de gevel en het gevelanker. Als roest de oorzaak zou zijn, dan was deze schade ook al voor 2012 zichtbaar geweest. Verder zou het schadebeeld in dat geval kleiner en alleen aanwezig zijn rond de plaats waar het anker door de muur gaat. Beoordelingskader bewijsvermoeden 19. Het bewijsvermoeden van artikel 6:177a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing op de schades. Bij fysieke schade aan gebouwen en werken die naar haar aard redelijkerwijs schade zou kunnen zijn door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld, wordt vermoed dat die schade is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van dat mijnbouwwerk. 20. Het Instituut weerlegt het bewijsvermoeden met succes als het aan de hand van een deskundigenadvies aantoont dat de schadeoorzaak aantoonbaar uitsluitend een andere is dan bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk. In dat geval is het voldoende aannemelijk dat de schade niet is veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten. 21. De Afdeling verwijst voor de toepassing van het wettelijke bewijsvermoeden in bestuursrechtelijke context verder naar onder meer de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1631, onder 30-40. Van het Instituut wordt niet gevraagd dat het met 100% zekerheid kan uitsluiten dat de schade is ontstaan en/of verergerd door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten. Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:374, onder 69. Voldoende is dat de schade zeer waarschijnlijk is veroorzaakt door een andere oorzaak dan mijnbouwactiviteiten. Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:96, onder 75. 22. Sinds 1 juli 2021 hanteert het Instituut voor de toepassing van het wettelijke bewijsvermoeden een geactualiseerd en aangevuld kader voor de beoordeling van fysieke schade door deskundigen. Dit is neergelegd in de Praktis Verroesting is een langzaam voortschrijdend proces, zodat het aannemelijk is dat de schade voor 2012 niet zichtbaar was. Bovendien heeft deskundige Timmer navolgbaar toegelicht dat roest uitzettingen veroorzaakt, wat spanning in het omliggende metselwerk veroorzaakt. Daardoor hoeft de schade niet alleen rond de plaats waar het anker door de muur gaat aanwezig te zijn. De Afdeling is verder niet gebleken dat er ruimte zit tussen de gevel en het gevelanker. 27. Het betoog slaagt niet. Schade 9 en 10 28. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat schades 9 en 10 op de door het Instituut voorgestelde wijze hersteld kunnen worden. Volgens hem zou herstel met een speciale mortel de schade niet afdoende wegnemen en de schade is ook niet eerder op deze wijze hersteld. Bovendien staan de veelheid en grootte van de scheuren aan de voorgestelde herstelwijze in de weg, waarbij ook het herstel altijd zichtbaar zal blijven. Daarbij is aan de monumentale stoep ernstige schade ontstaan. Volgens [appellant] is het vervangen van de platen van de stoep noodzakelijk. Hiervoor verwijst hij naar een offerte van Bouwbedrijf Jansen dat de herstelkosten op € 10.621,66, inclusief btw, heeft geraamd. 29. Schades 9 en 10 betreffen grillige scheurvorming in de stoep en trap bij de voordeur. Daarvan kan niet worden uitgesloten dat de schade is ontstaan of verergerd door mijnbouw. De door het Instituut ingeschakelde deskundigen hebben geadviseerd om de schade te herstellen met een speciale mortel. Daarvoor heeft het Instituut een totale schadevergoeding van € 1.002,01, inclusief btw, toegekend. 30. In het nader advies van 30 juli 2025 heeft deskundige Timmer verder toegelicht dat het toegekende bedrag gebaseerd is op partieel scheurherstel. Daarbij is rekening gehouden met alle werkzaamheden die daarvoor moeten plaatsvinden. Verder heeft hij toegelicht dat voor elke soort natuursteen een reparatiekit bestaat waarmee mortels/hars/steenlijm in vrijwel elke kleur aan te maken zijn. Ook heeft hij verwezen naar foto’s van de trap waaruit volgt dat met een soort voegmateriaal eerder herstel heeft plaatsgevonden, maar dat er meer geëigende producten zijn voor fraaier cosmetisch herstel. 31. De Afdeling ziet in het betoog van [appellant] geen grond voor twijfel aan de juistheid van de door CED geadviseerde methode van herstel. Zij acht de door het Instituut ingeschakelde deskundige toelichting dat schades 9 en 10 fraai hersteld kunnen worden door ondernemingen die gespecialiseerd zijn in het herstellen van monumentale natuurstenen navolgbaar. De werkzaamheden waarvan de kosten in de door [appellant] overgelegde offerte zijn omschreven en begroot, betreffen ook verbeteringswerkzaamheden. In de offerte wordt bijvoorbeeld uitgegaan van de vervanging van de ondersteuning van de natuurstenen, waarmee aanzienlijk verder wordt gegaan dan herstel van schade die ontstaan kan zijn door bevingstrillingen. [appellant] wenst daarmee fundamenteel herstel van de stoep en trap, wat verder gaat dan herstel in de oude toestand. De Afdeling ziet in de offerte dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de calculaties van de toegekende schadebedragen. 32. Het betoog slaagt niet. Beoordeling van het beroep tegen het besluit van 14 augustus 2025 33. Het besluit van 14 augustus 2025 wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. 34. Het Instituut heeft nader onderzoek laten verrichten naar schade 40. De schade bestaat uit scheefstand van de muur aan de linkerkant van de achtergevel, in het bijzonder in de vorm van een doorbuiging van de gevelopening. De doorbuiging geeft scheefstand in het horizontale vlak. Om duidelijkheid te krijgen over de oorzaak van de scheefstand heeft er op 2 september 2024 nader onderzoek plaatsgevonden door Timmer samen met Koops grondmechanica De wand is halfsteensverband gemetseld, wat erop duidt dat de voorzetwand als halfsteens metselwerk en met spouw langs de oorspronkelijke gevel is opgetrokken. Op de bovenzijde van de gemetselde voorzetwand ligt een afdekker (een soort houten muurplaat). De voorzetwand sluit links van de rechter deuropening en rechts van de linker deuropening (van de inpandige garage) met een staande voeg aan op het gevelmetselwerk. Ter plaatse van de rechter deuropening betreft dat het oorspronkelijk metselwerk en ter plaatse van de linker deuropening betreft dat het metselwerk ter plaatse van het deel van de achtergevel dat in het verleden is vervangen en aansluit op de vernieuwde kleinere schuur waarvan de bouwtekeningen dateren van 1997. Het metselwerk van de kleinere schuur en van het in het verleden vervangen deel van de achtergevel komt overeen, wat erop wijst dat het metselwerk van dezelfde periode is. Het voegwerk ter plaatse van de rechter dagkant van de linker deuropening (inpandige garage), van zowel de voorzetwand als van het vervangen metselwerk van de achtergevel is gelijk. Dat wijst er ook op dat het metselwerk van de voorzetwand van dezelfde periode is als dat van het vervangen deel van de achtergevel. Het deel van de gemetselde wand tussen de inpandige garage en de (grote) schuurruimte dat aansluit op de hiervoor genoemde voorzetwand is in het verleden ook vervangen en het metselwerk is gelijk daaraan. Dit wijst erop dat de vernieuwde kleine schuur, het vervangen deel metselwerk van de achtergevel, de voorzetwand en het vervangen deel van de tussenwand (van de inpandige garage en grote schuurruimte) dateren van tussen 1997 en 2005. 40. Verder heeft deskundige Timmer vastgesteld dat de tussenwand sinds realisatie nog steeds naadloos aansluit op de gemetselde voorzetwand. De gemetselde voorzetwand sluit ter plaatse van de dagkanten van de gevelopeningen in het oorspronkelijke deel van de achtergevel eveneens naadloos aan op het oorspronkelijke gevelmetselwerk. Links van de grote deuropening rechts is het metselwerk in het verleden aangereden. Het metselwerk laat een forse mechanische beschadiging zien, precies op de plaats waar aan de buitenzijde het "uitbuiken" van de gevel zichtbaar is langs de rechte lijn van de deur. Aan de buitenzijde is de aanrijdingsschade hersteld door het intanden van nieuwe gevelstenen. De kopse zijde van de voorzetwand links van de grote deuropening is aan de onderzijde smaller dan aan de bovenzijde. Dat geldt ook voor de staande voeg, waarmee de voorzetwand aansluit op het oorspronkelijke gevelmetselwerk. Deze aansluiting volgt ook het uitbuiken van de oorspronkelijke gevel ter plaatse van de mechanische beschadiging en vertoont geen naadvorming en/of hersteld voegwerk. Ook zijn de scheuren in de achtergevel die eerder door de NAM zijn beoordeeld onveranderd gebleven. Hieruit concludeert deskundige Timmer dat de mechanische beschadiging en het uitbuiken van de gevel bij het opmetselen van de voorzetwand al aanwezig was en dat de huidige stand van de achtergevel sinds de verbouwingen (tussen 1997 en 2005) niet of niet noemenswaardig is veranderd. 41. Ook uit de scheefstandsmeting van Koops volgt volgens deskundige Timmer dat alle locaties blijk geven van het uitbuiken van de achtergevel, met name tussen een hoogte van ongeveer 2,5 en 3,5 m. Dit is ook te zien aan de breedte van de naden op dat niveau tussen de stalen HE-kolommen aan de binnenzijde en het gevelmetselwerk. Enigszins vanaf de (stijve) zijkanten varieert het uitbuiken van 21 tot 40 mm. Rechts van de linker deuropening (vanaf buiten gezien) neemt het uitbuiken toe tot 53 mm (profiel 9) en 63 mm (profiel 10), juist op het niveau van de aanrijdingsschade. 42. De Afdeling ziet in het betoog van [appellant] verder geen grond om te twijfelen aan de vaststellingen van deskundige Timmer en de conclusies uit het nadere advies van 16 december 2024. Uit het nadere advies volgt dat niet alleen naar profiel 10 van de meting is gekeken, ma