Rechtspraak Raad van State 2026-03-18
ECLI:NL:RVS:2026:1565
202403259/1/R2. Datum uitspraak: 18 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Helmond, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 16 april 2024 in zaak nr. 23/1705 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Helmond. Procesverloop Bij besluit van 3 augustus 2022 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor kamerbewoning door maximaal drie personen op het adres [locatie 1] in Helmond. Bij besluit van 23 mei 2023 heeft het college het besluit van 3 augustus 2022 ingetrokken, omdat een omgevingsvergunning van rechtswege is verleend op 4 april 2022 door het niet nemen van een besluit op de aanvraag. Het college heeft het bezwaar tegen de van rechtswege verleende omgevingsvergunning ongegrond verklaard en deze voorzien van een aanvullende motivering. Bij uitspraak van 16 april 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van 23 mei 2023 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Bij besluit van 31 mei 2024 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen de van rechtswege verleende omgevingsvergunning opnieuw ongegrond verklaard. [appellant] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 31 mei 2024. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 februari 2026, waar [appellant] is verschenen. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 18 november 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Wettelijk kader 2. De relevante wettelijke bepalingen en planregels zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak. Inleiding 3. [partij] is eigenaar en bewoner van de woning aan de [locatie 1] in Helmond. Hij is voornemens om de bovenste verdieping van zijn woning gedeeltelijk te verhuren voor kamerbewoning van twee jongvolwassenen, die studeren of werken en geen relatiebetrekking tot elkaar hebben. Op het perceel geldt het bestemmingsplan "Helmond Noordwest" met de enkelbestemming "Wonen". De voor wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden. [partij] heeft op 18 november 2021 een omgevingsvergunning aangevraagd voor handelen in strijd met het bestemmingsplan, waarna het college een tijdelijke vergunning voor tien jaar aan [partij] heeft verleend. [appellant] is eigenaar van de woning aan de [locatie 2] in Helmond en heeft bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning. De bezwaarschriftencommissie heeft vastgesteld dat wegens termijnoverschrijding sprake is van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning. Het college heeft daarop het besluit van 3 augustus 2022 ingetrokken en het bezwaar tegen de van rechtswege verleende omgevingsvergunning ongegrond verklaard. [appellant] kan zich niet verenigen met het verloop van deze procedure, omdat het onduidelijk is waarvoor de omgevingsvergunning is aangevraagd en is verleend. De uitspraak van de rechtbank Is de van rechtswege verleende vergunning in werking getreden? 4. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat spr Van kleinschalige kamerbewoning in de zin van artikel 1 van de Beleidsregel is sprake in geval van bewoning van een woning door maximaal twee personen. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat de gang van zaken niet navolgbaar is. Het betoog slaagt niet. Herhalen en inlassen beroepschrift 8. Waar [appellant] in het hoger beroepschrift voor het overige verzoekt om de in de beroepsprocedure aangevoerde gronden als herhaald en ingelast te beschouwen, overweegt de Afdeling dat uit het in algemene zin herhalen en inlassen van beroepsgronden niet is af te leiden waarom [appellant] van oordeel is dat de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig is. Daarom ziet de Afdeling hierin geen aanleiding om deze uitspraak te vernietigen. Conclusie hoger beroep 9. Het hoger beroep is ongegrond. Het beroep tegen het besluit van 31 mei 2024 10. Het college heeft naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank in het besluit van 31 mei 2024 opnieuw het bezwaar ongegrond verklaard, omdat de van rechtswege verleende vergunning inmiddels bekendgemaakt is. 11. Het besluit van 31 mei 2024 wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. 12. [appellant] betoogt dat het college niet heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank om binnen acht weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen en de van rechtswege verleende omgevingsvergunning bekend te maken. Volgens [appellant] is bij de bekendmaking van de van rechtswege verleende omgevingsvergunning het verkeerde adres vermeld en kon de correctie daarvan niet meer binnen de 8 weken-termijn worden gepubliceerd. Er is daarom volgens [appellant] geen sprake van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning. Daarnaast betoogt [appellant] opnieuw dat de omgevingsvergunning is aangevraagd voor kleinschalige kamerbewoning, zoals bedoeld in artikel 1 van de Beleidsregel, terwijl kamerbewoning door drie personen is vergund. 12.1. De Afdeling stelt vast dat de van rechtswege verleende vergunning niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn bekend is gemaakt. Anders dan [appellant] stelt, betekent een te late bekendmaking echter niet dat de vergunning van rechtswege niet is verleend. Dit heeft alleen gevolgen voor het tijdstip van inwerkingtreding van de vergunning. Na de ingebrekestelling van [appellant] op 10 juni 2024 heeft het college de van rechtswege verleende vergunning alsnog op juiste wijze bekendgemaakt, waardoor de vergunning in werking is getreden. Het betoog slaagt niet. Het betoog van [appellant] over de kleinschalige kamerbewoning, zoals bedoeld in de Beleidsregel, is een herhaling van wat [appellant] in zijn hoger beroepschrift heeft aangevoerd. De Afdeling verwijst daarom naar hetgeen daarover is overwogen onder 6.1. van deze uitspraak. 12.2. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant] verder zo dat hij ook heeft aangevoerd dat niet is voldaan aan de opdracht van de rechtbank, omdat niet is beslist op bezwaar tegen het besluit van 3 augustus 2022, overweegt de Afdeling het volgende. De rechtbank heeft het besluit van 23 mei 2023 vernietigd waardoor ook de herroeping van het besluit van 3 augustus 2022 is vernietigd. Dit betekent dat het college in het besluit op bezwaar van 31 mei 2024, naast het beslissen op het bezwaar voor zover gericht tegen de van rechtswege verleende omgevingsvergunning, ook opnieuw had moeten beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 3 augustus 2022. Het betreft het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning die echter al van rechtswege was verleend. Het betoog slaagt. De Afdeling vernietigt het besluit van 31 mei 2024, voor zover daarbij niet het besluit van 3 augustus 2022 is herroepen. De Afdeling zal op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf voorzien in de zaak en het besluit van 3 augustus 2022 herroepen. Daarmee is deze procedure ten einde en mag [partij] zijn woning gedeeltelijk verhuren conform de van rec