Rechtspraak Raad van State 2026-03-18
ECLI:NL:RVS:2026:1539
202505814/1/A2. Datum uitspraak: 18 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellante], wonend in [woonplaats], appellante, en het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam (CBE), verweerder. Procesverloop Bij beslissing van 21 augustus 2025 heeft de BSA-commissie, namens de decaan van de Faculteit der Geesteswetenschappen, een negatief bindend studieadvies (NBSA) uitgebracht aan [appellante]. Bij beslissing van 10 oktober 2025 heeft het CBE het door [appellante] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld. Het CBE heeft een verweerschrift ingediend. Het CBE heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 27 januari 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. R. Verspaandonk, advocaat in Den Haag, en het CBE, vertegenwoordigd door A. van der Weerd-Kramer LLB en dr. V.V. Stissi, zijn verschenen. Overwegingen Regelgeving 1. De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage van deze uitspraak. Besluitvorming 2. [appellante] is een Marokkaans staatsburger en zij is in het studiejaar 2023-2024 begonnen aan de bacheloropleiding Media en Cultuur aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). Zij heeft in dat studiejaar 36 ECTS gehaald en heeft daarmee niet voldaan aan de BSA-norm van 48 ECTS. De BSA-commissie heeft haar toen uitstel van het BSA gegeven omdat zij is gediagnosticeerd met ADHD. De BSA-commissie heeft daarbij medegedeeld dat [appellante] in het daaropvolgende studiejaar 2024-2025 de resterende 24 ECTS van het eerste jaar moet halen voor haar BSA. [appellante] heeft in dat studiejaar vervolgens 0 ECTS aan eerstejaarsvakken gehaald. Zij heeft wel 30 ECTS aan tweedejaarsvakken gehaald. De BSA-commissie heeft bij beslissing van 21 augustus 2025 een NBSA uitgebracht. 3. [appellante] heeft aangevoerd dat sprake is van persoonlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 7.8b, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (Whw), omdat zij aanzienlijke bijwerkingen heeft ondervonden van medicatie die zij inneemt ter behandeling van ADHD. In zijn beslissing van 10 oktober 2025 heeft het CBE geconcludeerd dat, hoewel het aannemelijk is dat de gestelde persoonlijke omstandigheden van [appellante] in enige mate van invloed kunnen zijn geweest op de studieresultaten, geen sprake is van zwaarwegende persoonlijke omstandigheden die voldoende aanleiding geven voor uitstel van de BSA-norm. Hiervoor heeft [appellante] onvoldoende bewijs geleverd. Daarnaast heeft [appellante] niet tijdig melding gedaan van persoonlijke omstandigheden aan de studieadviseur. Verder heeft [appellante] adviezen van de studieadviseur niet opgevolgd en is zij onvoldoende in contact gebleven met de studieadviseur. Het CBE heeft daarom het administratief beroep ongegrond verklaard. Beroep E-mail van 21 augustus 2025 4. In beroep betoogt [appellante] dat het CBE ten onrechte heeft aangenomen dat de beslissing van 21 augustus 2025 een NBSA is. Het gaat om een e-mail van de BSA-commissie waarin haar verzoek om uitstel van een voorgenomen beslissing over het NBSA is afgewezen. Het is volgens [appellante] niet duidelijk wat daarvan het rechtsgevolg is. 4.1. In de e-mail van 21 augustus 2025 staat: "[…] (i) You did not meet the requirement of obtaining the last 24 ECTS of the propaedeutic year and (ii) failed to contact the study advisor. Unfortunately, the negative binding recommendation regarding the continuation of your studies is being upheld. This means that you will be unable to (re-)enrol for the new academic year of the programme B Media en Cultuur. […]" 4.2. De Afdeling is van oordeel dat hiermee aan [appellante] een NBSA is uitgebracht. In de beslissing staat namelijk dat [appellante] niet verder kan met de studie omdat zij de BSA-norm niet heeft behaald. Verder is onderaan de e-mail een rechtsmiddelenclausule opgenomen, waarin staat Ook is het CBE, in het kader van de toepassing van de hardheidclausule, niet ingegaan op de volgens [appellante] onevenredige gevolgen van het NBSA. Naar het oordeel van de Afdeling is de beoordeling van de geschiktheid van [appellante] daarom onvolledig geweest. 5.4. Wegens deze gebreken in de voorbereiding en de motivering van de beslissing, is de Afdeling van oordeel dat de beslissing in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel is genomen. Het betoog slaagt. Conclusie 6. Het beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de beslissing van het CBE van 10 oktober 2025. De Afdeling draagt het CBE op om binnen zes weken na deze uitspraak een nieuwe beslissing op het administratief beroep te nemen. Het CBE moet, met inachtneming van de overwegingen van deze uitspraak onder 5.1-5.3, zorgvuldig onderzoek doen en zijn nieuwe beslissing op grond daarvan deugdelijk motiveren. 7. Het CBE moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep gegrond; II. vernietigt de beslissing van het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam van 10 oktober 2025, kenmerk 2025-128191; III. draagt het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het administratief beroep te nemen, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen; IV. veroordeelt het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam in de door [appellante] in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; V. gelast dat het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam het door [appellante] betaalde griffierecht van € 53,00 vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier. w.g. Wissels voorzitter w.g. Van Loon griffier Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026 284-1100 Bijlage - Regelgeving Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek Artikel 7.8b. Studieadvies propedeutische fase 1. Het instellingsbestuur van een bekostigde universiteit, hogeschool of levensbeschouwelijke universiteit brengt iedere student uiterlijk aan het einde van diens eerste jaar van inschrijving voor de propedeutische fase van een voltijdse of duale associate degree-opleiding of bacheloropleiding advies uit over de voortzetting van zijn studie binnen of buiten de associate degree-opleiding of de bacheloropleiding. In geval van een deeltijdse associate degree-opleiding of bacheloropleiding regelt het instellingsbestuur het tijdstip waarop dat advies wordt uitgebracht. 2. Onverminderd het eerste lid kan het instellingsbestuur het advies aan de student uitbrengen zolang deze het propedeutisch examen niet met goed gevolg heeft afgelegd. 3. Aan een advies als bedoeld in het eerste of tweede lid kan het instellingsbestuur ten aanzien van opleidingen die daartoe door het instellingsbestuur zijn aangewezen, binnen het in het tweede lid bedoelde tijdvak, doch niet eerder dan tegen het einde van het eerste jaar van inschrijving, een afwijzing verbinden. Deze afwijzing kan slechts worden gegeven, indien de student naar het oordeel van het instellingsbestuur, met inachtneming van zijn persoonlijke omstandigheden, niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding, doordat zijn studieresultaten niet voldoen aan de vereisten die het bestuur daaromtrent heeft vastgesteld. Het instellingsbestuur kan aan de afwijzing een termijn verbinden. Het instellingsbestuur kan de afwijzing uitstrekken tot opleidingen die met de desbetreffende opleiding het propedeutisch examen gemeen hebben. Het instellingsbestuur kan van de bevoegdheid krachtens dit lid slechts g andere dan in de onderdelen a tot en met h bedoelde persoonlijke omstandigheden die, indien zij door het instellingsbestuur niet in de beoordeling zouden worden betrokken, zouden leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. […] Onderwijs- en examenregeling voor de bacheloropleidingen van de Faculteit der Geesteswetenschappen Studiejaar 2023-2024 Artikel A6.4 Bindend studieadvies propedeuse voltijdstudent 1. Na afloop van het tweede semester wordt aan alle studenten een studieadvies verstrekt over de voortzetting van de opleiding. Aan dit studieadvies wordt een afwijzing met een bindend karakter verbonden indien de student minder dan 48 studiepunten heeft behaald. 2. Zo spoedig mogelijk na afloop van de herkansingen van het tweede semester ontvangt de student een schriftelijk bericht waarin de decaan aangeeft of er een definitief positief bindend studieadvies verstrekt zal worden of dat er het voornemen is een negatief bindend studieadvies te verstrekken. Dezelfde procedure geldt in het volgende jaar van inschrijving als aan de student in het eerste jaar van inschrijving dispensatie is verleend voor het bindend studieadvies en de student aan het einde van het volgende jaar van inschrijving niet minimaal 48 studiepunten aan onderwijseenheden uit het eerste jaar heeft behaald. 3. Studenten die tot dan toe minimaal 48 studiepunten van de propedeuse van de betreffende opleiding hebben behaald, ontvangen een definitief positief bindend studieadvies. 4. Studenten die tot dan toe minder dan 48 studiepunten van de propedeuse van de betreffende opleiding hebben behaald, ontvangen een voorlopig negatief bindend studieadvies. 5. Studiepunten behaald voor onderwijseenheden die geen deel uit maken van de propedeuse van de opleiding tellen niet mee voor de berekening van het aantal behaalde studiepunten met betrekking tot het bindend studieadvies. 6. Vrijstellingen verstrekt voor onderwijseenheden die deel uit maken van de propedeuse tellen mee voor de berekening van het aantal behaalde studiepunten met betrekking tot het bindend studieadvies. Artikel A6.5 Tussentijds studieadvies propedeuse deeltijdstudent 1. In december van het eerste jaar van inschrijving ontvangt de student een eerste tussentijds, niet bindend studieadvies op basis van de tot dan toe behaalde studiepunten. 2. Indien de student tot dan toe minder dan 6 studiepunten heeft behaald, dan wordt hem of haar dringend geadviseerd een afspraak te maken voor een gesprek met de studieadviseur* met als doel: - het evalueren van de studiemethode; - een heroverweging van de studiekeuze; - het bespreken van mogelijke bijzondere persoonlijke omstandigheden en een eventuele verwijzing; - en het opstellen van een studieplan. 3. In februari van het eerste jaar van inschrijving ontvangt de student een tweede tussentijds, niet bindend studieadvies op basis van de tot dan toe behaalde studiepunten. 4. Indien de student tot dan toe 6 of minder studiepunten heeft behaald en op dat moment nog geen gesprek heeft gehad naar aanleiding van het eerste tussentijdse studieadvies, wordt de student uitgenodigd voor een gesprek met de studieadviseur* met als doel: - het evalueren van de studiemethode; - een heroverweging van de studiekeuze; - het bespreken van mogelijke bijzondere persoonlijke omstandigheden en een eventuele verwijzing; - en het opstellen van een studieplan. Artikel A6.6 Bindend studieadvies propedeuse deeltijdstudent 1. Na afloop van het tweede semester wordt aan alle deeltijdstudenten een bindend studieadvies verstrekt over de voortzetting van de opleiding. Aan dit studieadvies wordt een afwijzing met een bindend karakter verbonden, indien de student minder dan 24 studiepunten heeft behaald. 2. Zo spoedig mogelijk na afloop van de herkansingen van het tweede semester ontvangt de student een schriftelijk bericht waarin de decaan aangeeft of er een definitief positief bindend studieadvies verstrekt zal worden of dat er het voornemen is een negatief bindend studieadvies te verstrekke