Rechtspraak Raad van State 2026-03-18
ECLI:NL:RVS:2026:1530
202003326/7/R2 Datum uitspraak: 18 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellante] en anderen, gevestigd in Someren, appellanten, en de raad van de gemeente Someren, verweerder Procesverloop Bij de tussenuitspraak van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1309, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 20 weken na verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming van wat onder 44 en 45 is overwogen, de onder 26.3 en 26.4 genoemde gebreken in het besluit van 12 september 2024 waarbij het bestemmingsplan "Herstelbesluit Buitengebied Someren - Deelgebied 2" is vastgesteld, te herstellen of in plaats daarvan een nieuw besluit te nemen. Bij beschikking van 25 juni 2025, 202003326/8/R2, heeft de Afdeling deze termijn verlengd tot en met 11 september 2025. Ter uitvoering van de voormelde tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 11 september 2025 het bestemmingsplan "Herstelbesluit buitengebied Someren - deelgebied 2 ([locatie])" vastgesteld. Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [appellante] en anderen een zienswijze naar voren gebracht over de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de voormelde tussenuitspraak. De raad heeft een nader stuk ingediend. Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het plan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 11 juli 2019 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. Wettelijk kader 2. De relevante planregels zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage is onderdeel van de uitspraak. Inleiding 3. Het bestemmingsplan voorziet in de toekenning van een woonbestemming aan het perceel [locatie] te Someren, direct ten oosten van het rietdekkersbedrijf, dat op het perceel [locatie]-bij is gevestigd. 4. De Afdeling heeft in de eerste tussenuitspraak van 24 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1724, onder 26.6 overwogen dat in het geluidrapport, dat de raad heeft gehanteerd bij de beoordeling van de vraag of bij de woning [locatie] sprake is van een goede ruimtelijke ordening, geen rekening is gehouden met mogelijke geluidbronnen op het zuidoostelijke deel van het bedrijfsperceel van het rietdekkersbedrijf op het perceel [locatie]-bij, terwijl de bestemmingsregeling voor het bedrijf zich er niet tegen verzet dat ook daar geluidproducerende werkzaamheden worden verricht. De Afdeling heeft overwogen dat het bestemmingsplan "Buitengebied Someren - Deelgebied 2" in zoverre niet is voorbereid met de vereiste zorgvuldigheid. 4.1. Ter uitvoering van de eerste tussenuitspraak heeft de raad een akoestisch onderzoek laten uitvoeren en bij besluit van 12 september 2024 het bestemmingsplan "Herstelbesluit Buitengebied Someren - Deelgebied 2" (het eerste herstelbesluit) vastgesteld, waarbij onder meer een voorwaardelijke verplichting is opgenomen in artikel 18.4.8 van de planregels. 4.2. De Afdeling heeft in de tweede tussenuitspraak van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1309, onder 26.3 overwogen dat het geluidrapport diverse uitgangspunten bevat die onvoldoende zijn toegelicht en onder 26.4 dat de aanbeveling in het akoestisch onderzoek, dat het geluidscherm geen kieren of openingen mag bevatten, niet juist is vertaald in artikel 18.4.8 van de planregels. De Afdel Weliswaar maakt het Activiteitenbesluit alleen een uitzondering mogelijk voor dove gevels (een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn) maar onder de Omgevingswet bestaat ook de mogelijkheid om met bouwkundige maatregelen een niet-geluidvoelige gevel te creëren, zo stelt de Omgevingsdienst. De raad heeft zich bij dat standpunt aangesloten. 6.3. De Afdeling is van oordeel dat in de notitie van de Omgevingsdienst de meeste kritiekpunten van [appellante] en anderen overtuigend zijn weerlegd. In zoverre was er voor de raad, behoudens het hiernavolgende, dan ook geen reden om niet van het nieuwe akoestisch onderzoek uit te gaan. 6.4. Wat betreft de geluidbelasting op de zuidgevel is dat anders. De Afdeling stelt vast dat voor het rietdekkersbedrijf op grond van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit voor het maximaal geluidsniveau LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen in de avond- en nachtperiode grenswaarden gelden van resp. 65 en 60 dB(A). Uit artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit en de artikelen 1 en 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder blijkt dat een gevel met de door de raad bedoelde voorzetvensters niet is uitgezonderd van het in het Activiteitenbesluit gehanteerde begrip "gevel". Ook bij een gevel met voorzetvensters moet dus worden voldaan aan de normen van het Activiteitenbesluit. Weliswaar bestaat in het kader van de Omgevingswet en de daarop gebaseerde regels de mogelijkheid om met bouwkundige maatregelen een niet-geluidvoelige gevel te creëren, maar die regels zijn in dit geval nog niet van toepassing. Het gaat hier immers om een besluit, waarop nog het recht van vóór 1 januari 2024 van toepassing is. 6.5. Uit het aanvullend akoestisch onderzoek blijkt dat in dit geval op de niet-dove zuidgevel van de woning [locatie] in de avond en nacht maximale geluidniveaus van 74 dB(A) kunnen optreden en dat de voor het rietdekkersbedrijf geldende normen uit het Activiteitenbesluit dus met resp. 9 en 14 dB(A) worden overschreden. Bij het mogelijk maken van de woning is de raad daar ten onrechte aan voorbijgegaan. Het besluit van 11 september 2025 is dus niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en berust niet op een toereikende motivering en is in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen. De beroepsgrond slaagt. Conclusies Oorspronkelijk besluit 7. Gelet op wat in de eerste tussenuitspraak is overwogen, is het beroep van [appellante] en anderen tegen het besluit van 5 maart 2020 gegrond. Dit besluit moet, voor zover dat het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel aan de [locatie] te Someren betreft, wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb worden vernietigd. Eerste herstelbesluit 8. Gelet op wat in de tweede tussenuitspraak is overwogen, is het beroep van [appellante] en anderen tegen het eerste herstelbesluit van 12 september 2024 gegrond. Dit besluit moet, voor zover dat het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel aan de [locatie] te Someren betreft, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb worden vernietigd. Tweede herstelbesluit 9. Gelet op wat in deze uitspraak is overwogen, is het beroep van [appellante] en anderen tegen het tweede herstelbesluit van 11 september 2025 gegrond. Dit besluit moet, voor zover dat het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel aan de [locatie] te Someren betreft, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb worden vernietigd. Hoe nu verder? 10. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1174, zijn op een eventueel nieuw te nemen besluit de Omgevingswet en de daarbij behorende omgevingsrechtelijke regels van toepassing. Dat houdt onder meer in dat niet meer kan worden teruggevallen op het vóór 1 januari 2024 ter inzage gelegde ontwerpbestemmingsplan, omdat in het ontwerpbestemmingsplan geen regels zijn gesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 11. De Afdeling ziet aan