Rechtspraak Raad van State 2026-03-18
ECLI:NL:RVS:2026:1527
202403793/1/R4. Datum uitspraak: 18 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1], wonend in Warnsveld, gemeente Zutphen, 2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend in Warnsveld, gemeente Zutphen, 3. [appellant sub 3], wonend in Warnsveld, gemeente Zutphen, 4. [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 4]), beiden wonend in Warnsveld, gemeente Zutphen, 5. [appellant sub 5], wonend in Warnsveld, gemeente Zutphen, appellanten, en de raad van de gemeente Zutphen, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 22 april 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Breegraven 101-115" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De raad heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 28 november 2025, waar [appellant sub 5], bijgestaan door mr. L.M.A. Schrieder, rechtsbijstandverlener in Tilburg, en de raad, vertegenwoordigd door mr. R. de Groote en ing. B. Hermsen, zijn verschenen. Verder is daar Woningstichting Ons Huis, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], gehoord. De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst om de raad in de gelegenheid te stellen een nadere reactie in te dienen. De raad heeft een reactie ingediend. [appellant sub 5] heeft daarop gereageerd. De raad heeft een reactie ingediend. Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft geen van de partijen verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek heeft gesloten. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 22 september 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. Inleiding 2. Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van een complex met in totaal 24 appartementen, uit te voeren in drie gebouwdelen, aan de Breegraven 101-115 in Warnsveld. Aan de achterzijde van het gebouw is voorzien in een parkeerhof. Het plangebied aan de Breegraven ligt aan de rand van de oude kern van Warnsveld. [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] zijn omwonenden van het plangebied. Zij verzetten zich tegen de woningbouwontwikkeling door de gevolgen daarvan voor hun woon- en leefklimaat. Ons Huis is eigenaar van de gronden en initiatiefnemer van de ontwikkeling. Hoe toetst de Afdeling? 3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen. Intrekking beroepsgrond 4. [appellant sub 5] heeft zijn beroepsgrond dat de behoefte aan de woningen niet is aangetoo De raad heeft een appartementencomplex daarbij passend kunnen achten. Het is aan de raad om te bepalen hoe de dorpsvernieuwing vorm krijgt. De raad heeft in dit opzicht beleidsruimte. De raad heeft erop gewezen dat met het complex ‘Warnstaete’ aan de Oranjelaan op een afstand van ongeveer 180 m een vergelijkbaar appartementencomplex aanwezig is. Verder behoort het plangebied niet tot het gebied dat in 2015 als beschermd dorpsgezicht is aangewezen. Van een bijzondere, te beschermen karakteristiek van de Breegraven of omgeving is niet gebleken. De betogen slagen niet. Hoogte appartementencomplex 7. [appellant sub 1], [appellant sub 4], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellant sub 3] betogen dat de bouwhoogte van het complex te hoog is. Daar komt bij dat het maaiveldniveau hoger ligt dan het straatniveau. De derde bouwlaag leidt tot een aantasting van hun privacy omdat die laag direct zicht op en in hun woningen en tuinen geeft. Verder is het complex nadelig voor hun woongenot. De verlichting van de galerijen kan hinder veroorzaken. Ook [appellant sub 5] voert aan dat de bouwhoogte te hoog is waarbij komt dat het terrein al verhoogd is en ook nog opgehoogd kan worden. Het gebouw zal leiden tot inkijk in zijn woning en tuin. 7.1. Voor zover [appellant sub 1], [appellant sub 4], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 3] en [appellant sub 5] verzoeken om het maaiveld van het plangebied, dat hoger ligt dan de weg, te verlagen, overweegt de Afdeling dat dit een uitvoeringskwestie is die niet in deze procedure aan de orde kan komen. Overigens blijkt uit het dossier dat de hoogte van het plangebied aansluit bij de omliggende kavels. Het verlagen van het maaiveld zou, gelet ook op de definitie van ‘peil’ in artikel 1.46 van de planregels, slechts een beperkt effect hebben. Verlaging zou bovendien kunnen leiden tot wateroverlast en wordt daarom door het gemeentebestuur niet overwogen. De beoordeling van deze beroepsgrond gaat daarom uit van de huidige maaiveldhoogte. De Afdeling overweegt dat de maximale bouwhoogte van 10,5 m aansluit bij de voorheen geldende bouwhoogte ter plaatse van 10 m en de hoogte van de woningen in de straat. De hoogte van 10,5 m is nodig om het beoogde aantal woningen te kunnen realiseren. De afstand van het bouwvlak tot de achterzijde van de woningen van [appellant sub 1], [appellant sub 4], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellant sub 3] aan de Hellenkamp is ongeveer 40 m of meer. Tot aan de in de achtertuinen gebouwde aanbouwen en vrijstaande bijgebouwen is dit wat minder. Hoewel vanuit het appartementengebouw zicht zal zijn op de percelen van [appellant sub 1], [appellant sub 4], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellant sub 3], heeft de raad zich, gelet op deze afstand en de beperkte bouwhoogte, op het standpunt kunnen stellen dat de gevolgen voor hen niet onevenredig zijn. Daarbij heeft de raad kunnen overwegen dat enig zicht op hun woningen en in hun tuinen in een bebouwde omgeving niet ongebruikelijk is. Overigens kan in de klankbordgroep over de verlichting van de galerijen worden gesproken en kunnen partijen proberen daarover een afspraak te maken die recht doet aan ieders belangen. Voor zover het gaat om de situatie van [appellant sub 5], die woont aan de [locatie], overweegt de Afdeling dat inkijk vanuit het appartementengebouw in zijn woning en tuin beperkt zal zijn. Immers, het gaat bij zowel het appartementengebouw als bij zijn woning om de zijgevel. De afstand daartussen is ongeveer 12 m. Het appartementengebouw is voor het uitzicht niet in de richting van zijn perceel gepositioneerd. Daarmee heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat de gevolgen voor inkijk en privacy voor hem niet onevenredig zijn. De betogen slagen niet. Zonnepanelen 8. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] voeren aan dat het complex zal leiden tot een verminderde opbrengst van hun zonnepanelen, die in hun geval niet op de woning maar op een Gelet op de hiervoor genoemde afstanden, de tussengelegen schooltuintjes en de mogelijkheid een erfafscheiding op te richten, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt kunnen stellen dat [appellant sub 1], [appellant sub 4], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellant sub 3] geen ernstige hinder van de parkeerbewegingen zullen ondervinden. De raad heeft vanwege de beperkte hinder niet nodig hoeven achten om een dichte erfafscheiding voor te schrijven. De betogen van [appellant sub 1], [appellant sub 4], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellant sub 3] slagen niet. 9.2. Naast de woning van [appellant sub 5] zijn tegen de perceelgrens, op enkele meters van de zijgevel van zijn woning, parkeerplaatsen voorzien. Tussen die parkeerplaatsen en het appartementengebouw is de in- en uitrit van de parkeerhof voorzien. Voor [appellant sub 5] zullen de gevolgen van de nieuwe ontwikkeling dus groter zijn. Niettemin heeft de raad zich ook voor hem op het standpunt kunnen stellen dat de gevolgen van het in- en uitrijden en parkeren niet onevenredig zijn. De aantallen verkeersbewegingen zullen, gelet op het aantal woningen, niet groot zijn. Daar komt bij dat ook langs zijn perceelgrens een dichte erfafscheiding kan worden opgericht waarmee de gevolgen voor hem kunnen worden beperkt. In zijn nadere reactie heeft de raad meegedeeld van mening te zijn dat hiervoor alsnog een voorwaardelijke verplichting in de planregels moet worden opgenomen. Omdat de raad zich hiermee op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het betoog van [appellant sub 5] slaagt. Onder 12.1 gaat de Afdeling in op het door [appellant sub 5] genoemde alternatief van parkeren aan de straatzijde, aan de voorzijde van het appartementengebouw. Verkeerssituatie 10. [appellant sub 5] betoogt dat de verkeerstellingen niet op de juiste plek zijn gedaan. Daarom kloppen de verkeersconclusies over de situatie in de Breegraven niet. Deze weg wordt in de toekomst door de uitbreiding van de Lidl-supermarkt alleen maar drukker en zal onoverzichtelijk zijn door een groot aantal in- en uitritten. 10.1. In 2018 is het aantal verkeersbewegingen op de Breegraven in beeld gebracht. Dit waren er toen ongeveer 500 per etmaal. Waarom niet van dit aantal kan worden uitgegaan heeft [appellant sub 5] niet uitgelegd. Het aantal zal door de jaarlijkse ophoging met 1,5% inmiddels wat hoger liggen maar niet wezenlijk afwijken van 500. De raad wijst erop dat de Breegraven dit aantal goed kan verwerken. Het plan leidt tot één in- en uitrit voor de appartementen naast de woning van [appellant sub 5]. Verder zijn er bij de Lidl-supermarkt bestaande in- en uitritten. [appellant sub 5] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verkeerssituatie door de toevoeging van de in- en uitrit voor het appartementencomplex ernstig zal verslechteren. Verder is het aantal extra motorvoertuigen van 48 tot 60 per dag evenals het aantal motorvoertuigen op de Breegraven beperkt. Het complex leidt tot slechts enkele verkeersbewegingen extra per uur. [appellant sub 5] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Breegraven het toekomstige aantal motorvoertuigen niet goed kan verwerken. Het betoog slaagt niet. Geluidsonderzoek 11. [appellant sub 5] voert aan dat het geluid bij hem thuis niet is gemeten en dat het parkeren en het verkeer naast zijn woning tot te veel geluid in zijn slaapkamers zal leiden. 11.1. Bij de plantoelichting zijn rapporten gevoegd waaruit volgt dat de akoestische situatie is beoordeeld. Bijlage 5 betreft het akoestisch onderzoek wegverkeer voor de nieuwe woningen, bijlage 6 het akoestisch onderzoek parkeren appartementen en bijlage 7 een notitie akoestisch onderzoek geluidwering gevels woning [locatie], alle uit 2022. Voor een meting of berekening van de ak 14. Gelet op wat [appellant sub 5] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling, gelet op wat zij onder 9.2 en 11.1 heeft overwogen, aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover niet is voorzien in voorwaardelijke verplichtingen ten behoeve van het perceel [locatie], is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep van [appellant sub 5] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre moet worden vernietigd. 14.1. De raad heeft een tekstvoorstel ingediend om twee voorwaardelijke verplichtingen aan de planregels toe te voegen. [appellant sub 5] is het hier op zich mee eens, maar heeft wel om aanvullingen verzocht. De raad acht die aanvullingen uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet nodig. De Afdeling overweegt dat [appellant sub 5] niet aannemelijk heeft gemaakt dat geluidsisolatie voor de zij- en voorgevel van zijn woning uit ruimtelijk oogpunt ook nodig is en verplicht moet worden gesteld. Voor het verplicht stellen van extra of andere ventilatievoorzieningen in verband met stankoverlast van parkerend en langsrijdend verkeer ziet de Afdeling, mede gelet op de al verplicht voor te schrijven muur, geen aanleiding. Wel zal de Afdeling die voorwaardelijke verplichting koppelen aan het gebruik voor "Wonen", wat dus ruimer is dan alleen het gebruik van de haakse parkeervakken. Voor de noodzaak van een deur in die muur heeft de raad uit ruimtelijk oogpunt naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding hoeven zien. 14.2. Gelet op het voorgaande en omdat niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien, namelijk door twee voorwaardelijke verplichtingen aan de planregels toe te voegen. De Afdeling zal de door de raad voorgestelde teksten enigszins aanpassen om eventuele misverstanden over de inhoud daarvan weg te nemen. Ook zal zij bepalen dat deze uitspraak wat dit betreft in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit is vernietigd. 15. De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening. 16. De raad moet de proceskosten van [appellant sub 5] vergoeden. De raad hoeft de proceskosten van [appellant sub 1], [appellant sub 4], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellant sub 3] niet te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart de beroepen [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 3] en [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] ongegrond; II. verklaart het beroep van [appellant sub 5] gegrond; III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Zutphen van 22 april 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Breegraven 101-115" voor zover niet is voorzien in voorwaardelijke verplichtingen ten behoeve van het perceel [locatie]; IV. bepaalt dat aan de planregels twee artikelen worden toegevoegd, luidend als volgt: a. ‘Artikel 4.4 — Voorwaardelijke verplichting geluidswerende gevelmaatregelen 1. Gebruik van de gronden en bouwwerken overeenkomstig de bestemming ‘Wonen’ is slechts toegestaan indien de in het akoestisch onderzoek "Appartementen Breegraven te Wansveld" van 8 februari 2022 (bijlage 6 bij het bestemmingsplan) en in de notitie "Geluidwering achtergevels woning [locatie] Warnsveld" van 3 mei 2022 (bijlage 7 bij het bestemmingsplan) beschreven geluidswerende maatregelen voor twee slaapkamers aan de achterzijde van de woning [locatie] in Warnsveld zijn gerealiseerd, welke geluidwering als gevolg van de maximale geluidniveaus op de gevel van de verdieping in de nachtperiode ten minste 28 dB(A) dient te bedragen. De binnenwaarde